Citaten van Karen Armstrong

Uit weblog 'Trouw' Paul Delfgaauw, gevonden april 2008:

'Mannen en vrouwen begonnen goden te aanbidden zodra ze herkenbaar menselijk waren geworden. Ze schiepen religies op hetzelfde moment waarop ze kunstwerken schiepen. Ze deden het niet simpelweg omdat ze machtige krachten gunstig wilden stemmen, maar omdat ze in die eerste religies uitdrukking wilden geven aan de verwondering en het mysterie, die altijd essentiële componenten van de menselijke beleving van deze wondermooie, maar angstige wereld geweest schijnen te zijn.' Aldus Karen Armstrong in 'Een geschiedenis van God'. 'Net als kunst is religie een poging geweest om in dit leven zin en betekenis te ontdekken.'


Uit 'tien geboden', 'Trouw' 18 juni 2005, door Arjan Visser:

Er zijn mensen die God ontmoeten tijdens het gebed, voor hen werkt het kennelijk wel op die manier, maar als je het bekompen, gewelddadig of zelfs oorlogszuchtig maakt, is het een slechte religieuze ervaring. Volgens mij draait het uiteindelijk allemaal om compassie. Als we meeleven met de ander, als we het goddelijke in onze medemensen erkennen, kan iedere ontmoeting 'heilig' zijn.


Uit 'De wenteltrap', ISBN 90 234 1095 5:

Over het eigen verleden als non:
- Mijn hersenen waren afgebonden als de voeten van een Chinese vrouw en ik had gelezen dat het weghalen van de windsels helse pijnen veroorzaakte.
- Mijn hart en mijn hoofd waren weggekwijnd, zodat ik er geen gevoel meer in had, maar het leek of God ook weg was. Er was een merkwaardige leegte op de plaats die hij in mijn geest had ingenomen.
- Zelfs in mijn kloosterleven had God dus geschitterd door afwezigheid. En ik raakte ervan overtuigd dat het aan míj lag. Ik was kennelijk zo'n ongewoon geval dat het niet aan het systeem kon liggen. Had ik maar wat meer mijn best gedaan, me net iets beter geconcentreerd, belangwekkender onderwerpen bedacht om over te mediteren.
- 'Ik kan niet geloven dat God - als er een God is, ik moet zeggen dat ik me dat wel eens afvraag - echt zo bekrompen en preuts is.'


Van de twaalfde-eeuwse islamitische mysticus en filosoof Ibn al-Arabi:
Hang niet exclusief één bepaald geloof aan, zodat ge alle andere verwerpt; veel goeds zal aan u voorbijgaan, ja, de echte waarheid zult ge niet herkennen. God de alomtegenwoordige en almachtige beperkt zich niet tot één geloof, want Hij zegt: 'Waarheen gij u dan ook wendt, daar is Gods aangezicht' (Koran 2:115). De gelovige prijst de God van zijn eigen geloof (...), maar hij prijst niemand anders dan zichzelf, daar hij zijn God zelf heeft gemaakt, en door het werk te prijzen, prijst hij de maker. (...) Daarom veroordeelt hij het geloof van anderen, hetgeen hij niet zou doen als hij rechtvaardig was. De aanbidder van deze God geeft van domheid blijk wanneer hij anderen om hun geloof bekritiseert.


Overige:

De grond van al het zijnde
De realiteit die wij 'God' noemen is transcendent, dat wil zeggen dat het iedere menselijke orthodoxe leer te boven gaat, maar tegelijk is God de grond van al het zijnde en kan bijna als een aanwezigheid in de diepten van de psyche ervaren worden.

Ongrijpbare realiteit
Onze idee van God als persoon is een symbolische wijze om over het goddelijke te spreken, maar kan de veel ongrijpbaarder realiteit niet omvatten.

Noodzakelijk
Het is inmiddels niet slechts wenselijk dat we ons verdiepen in de religieuze overtuiging van andere mensen, het is zelfs noodzakelijk voor ons voortbestaan.