Citaten uit 'Het verborgen licht in het leven van Jacob Boehme'

De mens draagt God in zich en de duivel. Tot wie hij zich wendt, diens metgezel wordt hij. Daarin alleen ligt zijn vrijheid.

Wie God niet in zich draagt, kan Hem niet zien.

Het wezen van de wereld ligt in het kwade en het goede en het een kan zonder het ander niet in leven zijn.

Ons is de zekerheid der onvergankelijkheid gegeven omdat God zich in ons vormt en God niet kan vergaan.

Wie het leven anders neemt dan de eeuwigheid is een dwaas. Waar is de grens tussen tijd en eeuwigheid? Alleen dwazen zien haar. Daarom moet men leven als was er begin noch einde, met alleen dat ene belangrijke voor ogen: te zaaien omwille van de oogst.

De zon is dikwijls voor mij verduisterd, maar ze is altijd weer voor me doorgebroken. Hoe vaker ze onderging des te lichter en laaiender ging ze weer op.

Verstand zonder wijsheid leidt tot verderf.

Wie in harmonie met de wetten van het leven is, is in God en heeft God in zich.

De hele natuur is slechts een weg der zielen tot God.

Wanneer een kunstenaar zijn werk maakt, dan getuigt het van hem en het heeft leven van hem en het krijgt zijn lot uit hem. Maar is het daarom de kunstenaar zelf? Deze blijft een in zichzelf besloten geheel, ook als hij zich uitspreekt. In hem ligt het einde van al z'n scheppingen besloten, maar hij is niet zijn schepping zelf.

De levende waarheid gaat hoger dan het geschreven woord en de
levende mens is de uiteindelijke rechter over de schrift.

Men mag de wereld niet ontvluchten, men moet in haar standhouden.

Hoe zou de mens in al z'n heerlijke eigenschappen kunnen stralen zonder de weerstand van de wereld?

Vreugde is het meest goddelijke dat de mens mogelijk is.

Zoals de uiterlijke mens de uiterlijke wereld ziet, zo ziet de wedergeboren mens de goddelijke wereld waarin hij woont.

Bij een ieder wonen hemelrijk en hel in het hart. Waarheen hij zich wendt, dat zal hij winnen.

De mens heeft een vrije wil. Het is aan hem te grijpen wat hij wil.

Het leven is een strijd en dient tot de eeuwige vreugde van de overwinning. In deze strijd kan slechts eigen kracht u helpen. Uit uw kracht tot het goede stijgt God tot u op en krijgt hij macht om het kwade te beteugelen.

God zoekt de sterken, de moedigen die zichzelf weten te helpen, want in hen spiegelt God zichzelf.

In ieder van ons kan God mens worden. Daarom moet men ook in het laatste uur nog trachten God in een mens te wekken.

Het leven is als een bron die uit het hart Gods vloeit en het brengt zichzelf voort door het geweld van de tegenstrijdigheid in zichzelf, want het goede moet zich tegen het kwade keren om zichtbaar te worden, en het licht moet in het donker dringen om z'n glans te geven.

Er zal een tijd komen waarin de stenen bouwsels der kerken overbodig zijn omdat in de mens zelf de geest zal zijn opgegaan.

Alle zonde is slechts dwaling. Wanneer de ziel uit de dwaling tot haar eigen licht terugkeert, blijft niets van de dwaling aan haar kleven, evenmin als er nog duisternis in een vat blijft wanneer de zon erin schijnt.

Laat ons slechts onszelf zoeken en kennen. Wanneer we onszelf vinden, dan vinden we alles. Wanneer we slechts onszelf zoeken en beminnen, dan beminnen we God.

Ieder moet tot mensenzoon worden wanneer hij deel wil hebben aan het rijk Gods en aan zijn eeuwigheid.

Ieder mens is zijn eigen God en ook z'n eigen duivel. Waartoe hij zijn neiging uit doet gaan, dat drijft hem en leidt hem, diens knecht wordt hij.

De mens is als een gelijkenis Gods en als een spiegel der enige wijsheid, waarin alle dingen van eeuwigheid her zijn gezien, wat worden kon en moest.

Het kwaad moet het goede tot leven dienen, want het goede moet door het kwaad zichtbaar worden en zeker van zichzelf.

In deze wereld voelen we de kracht des hemels in alle dingen. We voelen ook de kracht der hel in alle dingen. Beide zijn ons even nabij, want ze zijn in elkander en het één wordt zichtbaar door het ander.

Weten zonder doen is als een vuur dat smeult en van vocht niet branden kan.

De dood is slechts een terugtrekken van het leven zoals het inademen van God, die daardoor zijn schepsel terugneemt in zichzelf.

Het woord Gods openbaart zich altijd opnieuw voor hem die er zich voor openstelt.

De mens kan zich slechts zoveel in de ander uitstorten als deze plaats heeft om hem op te nemen.

Het wordende moet door beproeving en schuld gaan opdat het tot zichzelf kan komen.

Wie zichzelf wil vinden moet de weg niet mijden. Als hij moedig voortgaat en zich niet laat verontrusten zal hij aan het einddoel zijn eigen eeuwig beeld ontvangen dat een gestalte Gods is.

God heeft ons macht gegeven dat we over de aarde kunnen heersen en zo zullen we ook eens over haar vervloeking heersen en haar verlossen.

Wie zichzelf vindt, kan niets dulden wat het eigen beeld bevlekt.

Ons eeuwig beeld staat in het licht des levens als in een laaiend vuur waarin het moet worden gehard en gevormd.

Alle zonde is slechts dwaling. De mens wordt door de beproeving der zonde ziende en een rijker beeld van zichzelf.

De hevige begeerte tussen man en vrouw is de begeerte naar het leven, want afzonderlijk hebben ze het ware leven niet in zich maar alleen de begeerte ernaar.

Met wie alles wel is, voor die straalt God in het wereldse zo zuiver als in het goddelijke.

De mens zoekt in z'n liefde en begeerte naar de eeuwigheid en vindt de vergankelijkheid doordat hij niet op de ware manier liefheeft. Zou hij op de ware manier liefhebben dan zou de vereniging der geslachten hem zulk een hoge zaligheid en kracht geven dat hij daardoor tot in het eeuwige midden des levens zou vermogen door te dringen.

God zoekt in de mens naar zijn geopenbaarde gestalte.

In ieder mens kan God zich volmaakt openbaren.

Wanneer we onszelf slechts zoeken en vinden dan vinden we God in ons.

Hemel en aarde en sterren en elementen, alles is in de mens en ook de Godheid en men kan niets noemen dat niet in de mens zou zijn.

Waarom schiep God de mens? Opdat God een evenbeeld uit zichzelf naar buiten brengen en in dit evenbeeld zichzelf bewustworden zou.

Pagina bijgewerkt 19 juni 2000.