Citaten van Martin Buber

Uit: 'De weg van de mens':

Wegen
God zegt niet: 'Deze is een weg, die tot Mij voert, gene echter niet', maar Hij zegt: 'Alles wat gij doet, kan een weg zijn tot Mij, mits gij het slechts zo doet, dat het u tot Mij leidt.'

Veelheid van wegen
Alle mensen hebben toegang tot God, maar ieder heeft een andere. Juist in de verscheidenheid der mensen, in de verscheidenheid van hun aanleg en hun neigingen, ligt de grote mogelijkheid voor het mensdom. Gods alomvattend Wezen openbaart zich in de oneindige veelheid van wegen die tot Hem voeren, waarvan elke voor de mens openstaat.

Dwaalspoor
Het kan slechts op een dwaalspoor voeren indien iemand ernaar kijkt hoever een ander het heeft gebracht en hij tracht hem dit na te doen; want daardoor ontgaat hem juist datgene waartoe hij en uitsluitend hij geroepen is.

Eenheid
De mens met het ingewikkelde zielscomplex vol tegenstrijdigheden is niet verloren; haar innerlijkste wezen, de godskracht in haar diepte, vermag op haar in te werken, haar te wijzigen, de krachten die elkaar tegenwerken, te verbinden en de elementen die uiteenstreven, in elkaar te doen versmelten; zij kan van haar een eenheid scheppen.

Vrede
Men kan de vrede nergens anders zoeken dan bij zichzelf, tot men hem daar gevonden heeft ...
Eerst wanneer de mens de vrede in zichzelf heeft gevonden, kan hij beginnen haar in de hele wereld te zoeken. (Rabi Bunam)

Een grote schat
Er is iets dat men op één enkele plaats ter wereld kan vinden. Het is een grote schat, men kan hem de vervulling van het bestaan noemen. En de plaats waar deze schat te vinden is, is de plaats waar men staat.


In de legende van de Baalsjém:

Uniek
Zuiver uniek-zijn en zuivere volkomenheid zijn één en hetzelfde, en wie zó geheel en al uniek geworden is dat het andere geen macht meer over hem heeft en geen plaats meer in hem vindt, die heeft de reis volbracht en is verlost en gaat in tot God. Iedereen moet weten en bedenken dat hij, zoals hij is, uniek is op de wereld en dat er nooit iemand heeft geleefd die net zo was als hij. Want als er ooit iemand was geweest die net zo was als hij, behoefde hij er niet te zijn.

n.a.v. de belijdenis van Petrus (Marcus 8:30):

Dóór mensen
Ik geloof, dat in Caesarea Filippi een woord is gesproken dat oprecht gemeend en toch niet wáár was; en door het feit, dat het de eeuwen door is herhaald, is het nog niet waar geworden. Ik geloof, dat God zich niet in mensen, maar slechts dóór mensen heen openbaart. Ik geloof, dat de Masjiach niet op een bepaald moment van de geschiedenis gekomen is; zijn komst kan slechts het einde zijn van de geschiedenis. Ik geloof, dat de verlossing van de wereld niet negentien eeuwen geleden een feit is geworden; nóg leven we in een wereld, die niet verlost is, nóg zien we uit naar de verlossing, en ieder van ons is geroepen er aan mee te werken, dat de wereld verlost wordt ...

Pagina bijgewerkt 8 december 2003.