Citaten van Bert Rutgers, predikant

Bert verloor bij de tsoenami van kerst 2004 zijn enige zoon, David, 33 jaar. Uit de nationale herdenking op 25 januari 2005 in de Ridderzaal te 's-Gravenhage:

Uit 'Dabar-bericht' 1/2005, 'Wijzen naar het licht' door Hein Stufkens

De dood kan niet anders dan verwijzen naar het leven
Wij hebben een zoon, een broer verloren: David. In de kracht van zijn leven. Toegewijd aan zijn vrienden, zijn werk als beleidsmedewerker van Economische Zaken. En bovenal genietend van het leven. En wonderlijk genoeg: met name de laatste periode met hartstocht op zoek naar wat er echt toe doet. Samen met velen weggenomen door een verwoestende golf in Zuid-Oost Azië. Wij zijn hier samen als mensen die allemaal op een of andere manier getroffen zijn door deze oervloed. De vriend met wie David op Ko Phi Phi was, Willem-Jan, is nog niet geïdentificeerd, het lot van zovelen. Sinds tweede kerstdag is ook ons leven meegesleurd in deze niemand en niets ontziende vloed. Sinds die dag is alles veranderd, plotseling. Niets is meer vanzelfsprekend. Heel mijn leven, mijn horen en zien, mijn spreken en zwijgen, dag en nacht staan in het teken van dit onverbiddelijke gegeven: Er wordt geen teken van leven meer vernomen van David die mij lief is. 'David' betekent beminde, vriend. Nu is hij gestorven en ik was er niet bij om hem te redden ... David is dood en op 13 januari begraven, 33 jaar oud. Ik, 67 jaar, stond bij zijn graf. (...) De hemel zwijgt, blauw of niet. De krant zegt: er zijn nu meer dan 220.000 doden. Toevallig is mijn zoon daar bij. Dát maakt alles anders. Wat is dit voor leven dat zoveel dood brengt? (...) En dan ga ik kijken, in zijn appartement. Erg leeg. Alles daar lijkt het ook te weten: de bewoner keert nooit terug. Het is erger: David is dood. En altijd weer die waanzinnige hoop dat dit alles op een of andere manier nooit heeft plaatsgevonden. Dat hij gewoon weer van zich zal laten horen: We komen er weer aan, hoor! Laat in Godsnaam alles weer gewoon worden! Ja, toch, hij is teruggekomen. Zijn lichaam is teruggehaald door zijn zussen uit Bangkok. Dankzij alle goede zorgen van vele moedige, kundige, toegewijde mensen. Dankzij mensen die hem gingen zoeken en hem vonden. Dankzij de betrokken ministeries, het RIT en zo velen die wij niet kennen, daar en hier. Ik voel me dankbaar, maar ook beschaamd dat de aandacht waarmee David is gevonden, geïdentificeerd, gerepatrieerd en hoe wij hier worden ontvangen, zo'n uitzondering is in de wereld. Ik zie de beelden nog op mijn netvlies van die velen die, God mag weten waar, met bulldozers onder het zand zijn geschoven ... En overlevenden die verder moeten onder dezelfde mensonterende omstandigheden van armoede en menselijk geweld van voor de tsoenami. Schokkend vind ik het, om te zien hoe het in de wereld is verdeeld, hoe mensen worden behandeld. Voor mij is het de opdracht in dieper weten samen te leven met al wat ademt. Zo draag ik mijn zoon mee in mijn hart, in al mijn doen en laten is hij aanwezig. Wat een léven heeft zijn dood gebracht in zijn omgeving! Want dwars door de wonderlijke, onverbiddelijke scheidsmuur van de dood gaat de liefde. Altijd. Schrijft een vriendin. Zo gaat er niemand en niets verloren. Want, zo schrijft iemand anders ons: 'Het is alles in de hand van de Ene. Maar wat is zijn Hand anders dan het bestaan dat wij ons hadden voorgesteld ...' De dood kan niet anders dan verwijzen naar het leven.