Citaten van Leo van Vegchel

Uit Dabar-bericht 2.2004 'De vrijheid van het stamelen':

Bries

De waarheid heeft zich niet aan mijn begrip geopenbaard. Als een
bries in de nacht
heeft zij mij subtiel gestreeld. Terwijl ik sliep wekte zij
in mij een vermoeden. Een duiding van iets groots en zo intens.

Niets anders kan ik meer
dan zoeken naar haar oorsprong.
Waarheen dat leidt,
ik weet het niet.
Haar adem heb ik herkend,
het is een geur van thuis.

Nergens zie ik een begrijpelijk signaal.
Nergens vind ik een duidelijk houvast.
Enkel sporen van een bries.
Zij waait in mij:
Leef jij! En jij komt thuis.

Ik kan alleen maar volgen,
misschien laat ik wat kleine sporen na.
Zo men wil, kan men mij voorbij zien gaan.
Misschien breng ik een bries.
Want ik heb niets begrijpelijks te duiden,
slechts twijfel, vermoeden en vertrouwen.

Misschien duidt mijn pad en spoort zij aan
Ga! Ga naar het land dat de wind jou wijst!

Stamelend schieten mijn woorden steeds aan de werkelijkheid voorbij. Ruw en onhandig gooi ik brokken wilde woordstrengen om mij heen. In een mist tast ik het leven af. Met een trillende vinger wijs ik ongeveer in de richting van de zon. Zou ik haar aankijken, mijn ogen zouden verschroeien. Zo probeer ik het onmogelijke toch mogelijk te maken door het onduidbare aan te duiden en het onbereikbare stuntelig aan te wijzen.

Pagina bijgewerkt 16 juni 2004.