Enkele basis-fototips

Houd de horizon horizontaal, vooral bij landschappen en gebouwen. Als het nodig is uit te gaan van een verticale lijn om de stand van de horizon te kunnen bepalen, kies zo'n lijn zo dicht mogelijk bij het midden van de foto. Inschakelen van het raster op het display kan helpen. Durf door de knieën en lager te gaan. De horizon wordt daarmee evenredig verlaagd. Dit bij bijvoorbeeld het fotograferen van een bloem of een kind. Bij landschappen kent tegenlicht problemen. Het licht van de lucht zal automatisch de lensopening verkleinen. Daardoor wordt de hemel licht en het landschap te donker. Door de horizon lager te kiezen, kan dit worden opgevangen. De overtollige voorgrond kan dan van de foto worden afgeknipt. Zie hier.

Plaats zo mogelijk een object op de voorgrond om diepte in de foto te brengen en probeer een rommelige achtergrond te vermijden. Bij portretten: Laat geen takken of andere objecten uit het hoofd van de geportretteerde 'groeien'.

In veel foto's is het belangrijk dat de menselijke maat er in afleesbaar is. Een waterval bijvoorbeeld zonder een mensfiguur of een auto of een huis is wat betreft de grootte ervan totaal niet in te schatten.

Bij portretten: Probeer af te leiden, maar vraag om niet te praten. Laat naar het fototoestel kijken, ook als onder een andere dan de frontale hoek gefotografeerd wordt. Probeer al een paar foto's gemaakt te hebben voordat de betrokkene dat door heeft. De afdrukklik kan op moderne toestellen worden uitgezet. Vertel een 'mop' om een glimlach tevoorschijn te toveren. Ongemerkte portretten kunnen heel mooi zijn, maar zijn moeilijk te maken. Doe geen moeite bij pratende of kauwende mensen. Goedlachse mensen zijn daarentegen vaak goed te fotograferen, behalve wanneer ze bij het lachten hun ogen sluiten. Laag, maar niet verblindend licht (laagstaande zon) geeft, vooral bij portretten, de beste resultaten. Bij ontbreken hiervan kan de (invul)flits helpen om het beeld op te laten lichten en de ogen zichtbaar te maken. Hoog zonlicht is ongeschikt voor portretten en groepsfoto's. Zoek een schaduwplek en gebruik de invulflits. Rode kleding geeft bij portretten een mooi resultaat. Kleuren als paars en felgeel slaan gemakkelijk op de gelaatskleur over. Zoom i.v.m. vertekening liever wat in, dan van dichtbij (minder dan anderhalve meter) te fotograferen. Tegenwoordig worden veel portretten op armlengte afstand genomen met vertekend grote neuzen tot gevolg.

Wees niet bang met tegenlicht te experimenteren. Vaak geeft dat verrassende resultaten. De invulflits kan op beperkte afstanden het onderwerp extra uitlichten zonder de tegenlichteffecten (schaduwen e.d.) teniet te doen. Als het tegenlicht door de automatische verkleining van de lensopening die daarvan het gevolg is een foto veel te donker dreigt te maken: probeer een stop te overbelichten. Veel camera's hebben een soort 'wieltje' waarmee je bijvoorbeeld 1/3, 2/3, 1, 1 1/3, 1 2/3 of 2 stops kunt over- of onderbelichten.

Het eerste uur na zonsopkomst en het laatste voor zonsondergang heten wel het gouden uur. Het licht is dan laag en geeft naast een mooie belichting ook fraaie schaduwen. (Het uur voor zonsopkomst en dat na zonsondergang heten wel het blauwe uur. Soms is de lucht blauw en dat geeft een mooie achtergrond.)

Zoomen haalt het beeld dichterbij, maar trekt het qua afstand tot het te fotograferen object ook in elkaar, waardoor diepte uit de foto verdwijnt.

Voor scherpstelling en lichtmeting hebben veel toestellen de opties die taken te doen op basis van het hele beeld, het middenstuk van het beeld of het centrale punt van het beeld. Voor de gevorderde gebruiker belangrijk om beide functies te kunnen optimaliseren. Als bijvoorbeeld alleen het middenstuk van het beeld gebruikt wordt om scherp te stellen, moet dan ook eerst het belangrijkste te fotograferen object worden scherpgesteld. Houd de sluiterknop na die scherpstelling half ingedrukt, kies het te te fotograferen gebied en druk de sluiter door. Als het licht alleen in het middendeel van het beeld gemeten wordt, let op of het op te nemen beeld in de display niet te donker of te licht wordt. Doe de lichtmeting op een donkerder punt om een lichtere opname te krijgen en op een lichter punt om een donkerder opname te krijgen. Houd ook hierbij na de meting de sluiter half ingedrukt, kies het op te nemen beeldgebied en druk de sluiter door.

Wat bij foto's maken vaak fout gaat, is dat te snel wordt doorgedrukt, dus voordat het toestel het signaal dat er scherp gesteld is afgeeft. Dan krijg je onscherpte. Die is te voorkomen door eerst half in te drukken, te wachten op het signaal van het toestel (een lichtje of een frame op de display en/of een piep, afhankelijk van hoe je dit hebt ingesteld in het hoofdmenu van het toestel) en dan door te drukken. Naarmate er minder licht is, zal het toestel meer tijd nemen om scherp te stellen. Veel toestellen hebben een aparte instelling voor foto's bij weinig licht, waarbij de ISO-waarde wordt verhoogd, de lensopening groter gemaakt en de sluitertijd korter. Een zogenoemde sportstand kan dezelfde effecten hebben. Een te lange sluitertijd is namelijk ook vaak oorzaak van onscherpte. Ook bij opnamen van bewegende beelden kan deze optie belangrijk zijn.

Bewegingsonscherpte kan ook ontstaan door te snel na (of eigenlijk al tijdens) het nemen van de foto het toestel alweer op te willen bergen.

Bij een snel bewegend onderwerp (sportfotografie): Zet de camera in de sportstand, als-ie die heeft. Beweeg de camera mee met het onderwerp en druk zo af dat het onderwerp niet het beeld uitloopt, maar a.h.w. het beeld inloopt. Bij beweging naar rechts het onderwerp dus links in beeld houden en andersom.

Let op bij het uit handen geven van je toestel: Niet-fotografen zetten om te beginnen gemakkelijk een vette vinger op je lens. Die zie je, als je het niet merkt, met een beetje pech op alle volgende foto's terug. Een schone lens is dan ook eigenlijk regel nummer 1.

Toestellen hebben tegenwoordig veel megapixels, maar bij veel apparaten kan de beeldchip dat niet aan en zijn de resultaten mooier door in het menu te kiezen voor één tandje minder megapixels.

Het grafiekje dat je via 'DISP' op je fototoestelscherm kunt zien, het histogram, zegt iets over de belichting van de foto. Links in beeld over de donkere stukken oftewel over zwart of donkere kleuren in je foto, rechts over de lichte stukken oftewel wit of lichtere kleuren. Het is de bedoeling de grafiekhoogte niet over de bovenrand van je scherm te laten komen: dan is donker te donker en niet meer met bewerken te corrigeren of licht is zo wit dat de details evenzo niet meer zichtbaar gemaakt kunnen worden. Rond het midden zitten de kleuren van gemiddelde donkerte en ook daar hoort de grafiekhoogte binnen je schermpje te blijven. Een goed belichte foto geeft doorgaans over de hele breedte van je scherm een berglandschap met liefst geen raakpunten aan de bovenkant van je scherm en aan de onderkant geen grote lege (lage) stukken. Ruwweg: meer hoogte links is onderbelicht (of een foto van een donker onderwerp), meer hoogte rechts is overbelicht (of bijvoorbeeld een in de sneeuw gemaakte foto), een naar de zijkanten aflopende berg of bergketen in het midden is goed belicht, liefst met zo weinig mogelijk vlakke laagtes rechts en links.

Zie ook Tips (in 't kort), Camera's en instellingen, Computertips