Opvoeden naar onafhankelijkheid

In de relatie tussen ouder en kind ontstaan problemen. Er is veel geschreven over het ontstaan van en het omgaan met deze problemen. Een duidelijk en bruikbaar kader geeft Thomas Gordon in zijn boek Luisteren naar kinderen (Elsevier 1976). Dit kader is ook tussen volwassenen te gebruiken. Hieronder geef ik enkele hoofdlijnen hieruit aan:

Een probleem tussen ouder en kind ligt:
1. óf bij het kind
2. óf bij de ouder
3. óf bij kind en ouder

1. Ligt het probleem bij het kind - het is bijvoorbeeld ergens teleurgesteld over - dan kun je het kind helpen z'n probleem op te lossen door gebruik te maken van de methode van actief luisteren. Dit houdt in:
- eigen ideeën, adviezen, oplossingen en kritiek achterhouden
- luisteren naar het achterliggende gevoel bij het kind
- benoemen van dat gevoel
Voorbeeld volgens gebruikelijk model:
Kind: Wim wil niet met me spelen.
Ouder: Dan zoek je een ander om mee te spelen (advies geven).
Of: Daar zul je het zelf wel naar gemaakt hebben (kritiek geven).
Hetzelfde voorbeeld met actief luisteren:
Kind: Wim wil niet met me spelen.
Ouder: Ben je boos op Wim?
Kind: Ja. Ik wil zijn vriendje niet meer zijn.
Ouder: Ben je zó boos op hem?
Kind: Ja, maar als hij mijn vriendje niet meer is, heb ik niemand om mee te spelen.
Ouder: Dat zou je zeker ook niet leuk vinden?
Kind: Ik zal maar proberen met hem op te schieten.
Het is duidelijk dat de meer gebruikelijke reactievorm het gesprek kort houdt. De ouderreactie is niet stimulerend, maar blokkerend. Het kind voelt zich miskend of afgewezen en trekt zich op zichzelf terug. Het enige wat het nog zou kunnen doen, is tegen de ouder in verzet te komen. Als daarop herhaaldelijk blokkerend wordt gereageerd, zal het kind aanleren z'n gevoelens voor zich te houden. Zoals je in het voorbeeld ziet, helpt het actief luisteren het kind z'n eigen problemen op te lossen.

2. Ligt het probleem bij de ouder (het gedrag van het kind is voor de ouder onacceptabel), dan is er de methode van de ik-boodschap. Dit houdt in:
- benoeming van het onacceptabele gedrag
- benoeming van je gevoel daarbij
- uitleg over het waarom van je gevoel
Voorbeeld volgens gebruikelijk model:
De ouder wil de krant lezen. Het kind klimt steeds op schoot en kreukt de krant.
Ouder: Je bent vervelend. Je moet zelf gaan spelen.
Andere voorbeelden volgens gebruikelijk model:
Ouder:
Je mag niet alleen met je fiets de straat op!
Je doet op school niet je best.
Je bent stout. Je doet me pijn.
Dezelfde voorbeelden in de vorm van ik-boodschappen:
Ouder:
Ik kan de krant niet lezen met jou op schoot. Ik heb geen zin om met je te spelen. Ik ben moe en ik wil eerst even uitrusten.
Ik ben bang als jij alleen met de fiets de straat op gaat.
Ik maak me zorgen over je onvoldoendes.
Dat doet me pijn als je zo op me springt.
De jij-boodschap is meer gebruikelijk dan de ik-boodschap. Met een jij-boodschap zegt de ouder iets over het kind en niet over zichzelf. Het is in de voorbeelden duidelijk dat het kind zich als persoon afgewezen of onacceptabel zal voelen. Daarbij komt nog dat de non-acceptatie van de jij-boodschappen het kind uit zal lokken steeds opnieuw uit te proberen tot hoever hij kan gaan, voordat hij door de ouder afgewezen wordt. Op den duur gaat het kind dat steeds negatieve jij-boodschappen moet verwerken, zelf geloven dat hij onacceptabel is. Het is duidelijk dat dit funest is voor z'n zelfbeeld en z'n zelfvertrouwen. In de ik-boodschap zegt de ouder iets over zichzelf in relatie tot bepaald gedrag van het kind. De ik-boodschap maakt dat het kind de ouder als mens kan zien, mét z'n eigen beperkingen en grenzen. Het kind krijgt zo de kans te leren met de ouder rekening te houden, zonder non-acceptatie te hoeven ervaren.

3. Ligt het probleem bij zowel kind als ouder, is er met andere woorden een conflict vanwege het botsen van hun verschillende behoeften of waarden, dan is er de geenverliesmethode. Dit houdt in:
- duidelijk benoemen van het conflict
- samen oplossingen bedenken
- samen de beste oplossing kiezen
- afspraken maken
Voorbeeld volgens gebruikelijk model:
Ouder: Ik moet eens met je praten. De laatste tijd treuzel je steeds met het naar bed gaan. Je weet dat je er om half acht in moet liggen. Je laat het er steeds weer op aankomen dat ik boos moet worden. Het moet nu maar eens afgelopen zijn met je getreuzel.
Hetzelfde voorbeeld volgens de geenverliesmethode:
Ouder: Ik wil eens met je praten over het naar bed gaan.
Kind: Ik vind het vervelend als ik net zo vroeg naar bed moet als Hester.
Ouder: Vind je dat niet eerlijk?
Kind: Nee, want ik ben twee jaar ouder!
Ouder: Als ik jou langer laat opblijven en jij treuzelt zo, zoals de laatste tijd, dan ben ik bang dat je niet genoeg uitrust.
Kind: Ik blijf niet treuzelen als ik maar iets langer mag opblijven.
(enzovoorts)
In het meer gebruikelijke model laat de ouder het kind geen ruimte om z'n zienswijze, verlangen of frustratie aan te geven. Het kind moet zich wel onbegrepen voelen. Het moet zo wel het idee krijgen dat het zelf toch geen invloed kan hebben op zijn eigen leven. Behalve dat het kind in dit model gefrustreerd wordt, wordt het ook nog afhankelijk gemaakt van de mening of het inzicht van de ouder. Het kan zo niet leren voor zichzelf verantwoordelijk te zijn. In de geenverliesmethode is er wel ruimte voor de belevingswereld van het kind. Het kan leren verantwoordelijk te zijn voor zichzelf en invloed te hebben op het eigen leven. Het kan kortom ervaren er als persoon óók te mogen zijn.

Uittreksel: Gert Hardeman, september 1982