Rome, vakmanschap van het kwaad

Sint-Pietersplein

Sint-Pietersplein

Het was onze protégee die ons in Rome bracht. Enkele jaren geleden waren we een dagje met haar naar Schiphol en Amsterdam. Ze zei toen 'best nog eens in zo'n kist te willen vliegen'. Ongeveer een jaar later bleek ze, toen ik er haar naar vroeg, een keiharde bestemming in het hoofd te hebben: naar Rome, naar de paus!

Een paar dagen Rome is een hele belevenis. Door een volgens Italianen gebruikelijke staking van de luchtverkeersleiding ter plaatse vertrokken we om te beginnen met tweeënhalf uur vertraging van Schiphol en zo kwamen we pas tegen middernacht in Rome aan. De taxichauffeur die ons onze laatste veertig kilometer vervoerde, lichtte ons op. Hij wilde voor de rit van een halfuur 93 euro hebben. Na wat gesoebat betaalde ik hem er 80. In het hotel bleek dat de prijs 45 euro diende te zijn. De chauffeur die ons enkele dagen later terug vervoerde, vroeg er uiteindelijk 50. Drie flesjes frisdrank kostten ons de eerste morgen aan een stalletje 12 euro's en nabij het Vaticaan werd ons die dag voor in totaal twee bekers ijs, één cola, één koffie en een soort van krakeling meer dan 30 euro berekend. Het went snel: te leven in de wetenschap dat je zult worden getild. Voor onze pizza vonden we een soort McDonald's-achtige gelegenheid waar duidelijk prijzen aangegeven stonden en toen ging het dus goed. Ook de volgende dag lukte het uiteindelijk een normale prijs voor onze spaghetti te betalen. Bij binnenkomst in het restaurant vroeg ik, alvorens te gaan zitten, naar de kaart. Ik kreeg er één in het Engels, maar de prijzen waren afgeplakt. Ik vroeg naar de prijzen en die bleken 'different' te zijn. Ik wilde ze toch weten en toen werd enige tijd moeite gedaan de tape van de kaart te verwijderen, waarna bleek dat onder de tape ook geen prijzen stonden. Ik pakte een in de buurt liggende kaart in de Italiaanse taal en vond daar europrijzen. En toen bleek er ineens ook een Engelstalige kaart met diezelfde prijzen voorhanden. Zo aten we uiteindelijk voor de autochtone prijs.

Bij het verlaten van een excursiebus liet de reisleider niemand uit voordat er een ruime fooi voor hem en de chauffeur was neergeteld. De luide reacties van de man wisselden per fooi en correleerden met de hoogte ervan. Eerder die ochtend had hij mij overigens verteld over de stembusuitslag in Nederland en de in zijn ogen terechte verrechtsing die daaruit voort zou moeten vloeien. Hij vroeg naar onze stemmen en ik vertelde hem dat onze dochter die voor ons kon uitbrengen. Die mogelijkheid was geheel nieuw voor hem. Hij verzuchtte dat in Nederland kennelijk alles tot in de puntjes was geregeld en geordend, maar dat hij toch echt verkoos om in voortdurende chaos (confusion) te leven. Dat klopt ook wel, want bij beide, tweeënhalf uur durende excursies die we die dagen maakten, werd het als eerste aangekondigde item gemakshalve gewoon overgeslagen. Ik zal er 'Arke-reizen' nog over aanschrijven.

Ik had het al over de taxichauffeurs. Hun rijstijl is voor Nederlandse begrippen opmerkelijk. Dat gold nog het sterkst op onze terugreis. Met een snelheid van soms tachtig door centrum Rome, sommige rode lichten gewoon negerend, voetgangers van de zebra's af claxonnerend, links langs de rij wachtenden voor het stoplicht waar echt op groen gewacht moest worden en de auto gewoon schuin voor de voorsten geplaatst om toch de eerste te zijn. Ik voelde me asociaal, omdat ik in een taxi zat! Buiten Rome ging het verder met 160, maar tijdens de minstens vier telefoongesprekken die de chauffeur op dit traject voerde, zakte hij steeds even af naar 140 (ter plaatse mocht 100 gereden worden). Zelfs tijdens telefoongesprekken, waarin hij aantekeningen maakte in een opschrijfboekje dat hij vasthield op de plaats waar de airbag in het stuur hoort te zitten, bleef hij van rijbaan wisselen om links en rechts langs andere auto's heen te schieten of ze uit elkaar te dwingen zodat hij tussendoor kon. Al telefonerend bezorgde hij ons onze zware koffer uit de kofferbak en rekende hij met ons af. Telefonerend scheurde hij weer weg. 'Tjonge', merkte ik op, 'we hadden onze beschermengeltjes eventjes wel heel hard nodig!' Zo voelden we 't alledrie. De 40 kilometer, onder andere dwars door centrum Rome, waren afgelegd in minder dan 35 minuten! Het moet gezegd: het verkeer ter plaatse is verschrikkelijk, ook al door de overal tussendoor stuivende Vespa's, maar files zijn we in en om Rome niet tegengekomen, ook niet op de beschreven taxirit op een werkdag tussen twee en half drie. Alles blijft doorgaan en het 'blauw op straat' onderscheidt zich van ons eigen Nederlandse 'blauw' door het ongelimiteerde gedoogbeleid enerzijds en het verantwoording nemen voor een vlotte doorstroming anderzijds.

Dan mijn zakkenroller in de metro. Je moet wat meegemaakt hebben op zo'n reis, nietwaar? Hoe gaat zoiets? Ik kende de verhalen over de vingervlugheid van zakkenrollers, maar ik wist pas dat het echt waar is, nadat ik zelf slachtoffer geworden was. Een volle metro op station Ottaviano nabij het Vaticaan. Maar ook de volgende was vol. We liepen een paar deuren verder en besloten toch in te stappen en ons aan de stang bij de deuren vast te houden. Juist toen de deuren zich sissend sloten, sprong hij naar binnen, de - zoals mijn vrouw hem benoemde - 'mooie zwarte jongeman'. Hij sprong mij als het ware tegen m'n rug, hield z'n achterwerk tussen de zich sluitende deuren, zodat die nog eenmaal open zouden gaan en was weg meteen nadat dat gebeurde. 'Het is hem toch te vol', merkte mijn vrouw op. Op dat moment voelde ik dat ik behalve op mijn rug ook in mijn lies was geraakt. En inderdaad, in deze ene seconde was mijn mapje met bank- en andere kaarten weg, weggenomen uit mijn vrij nauwe broekzak, weg vanonder de zakdoek die ik erboven had en die gewoon op z'n plaats bleef! Al snel na de eerste schrik en verontwaardiging kon ik het vakmanschap van het kwaad van deze jongeman tot mijn verbazing waarderen. Het was alsof het feit dat ik met een specialist van doen had gehad, maakte dat het allemaal wat acceptabeler werd. Wel, van het volgende station keerden we terug om te zien of we hem nog zouden vinden. Even dachten we dat hij meteen zou beseffen dat hij niets aan mijn, een pincode behoevende kaarten zou hebben - de chipknip heeft in Italië volgens mij geen waarde - en ik keek dus in de prullenbak naast de roerloze bedelaarster, die kennelijk langdurig op dezelfde plaats bleef staan. En toen maar bellen, om te blokkeren. De Postbank handelde mijn telefoontje netjes en vlot af, dat moet gezegd. De politiemensen op het station - die zijn hier gebruikelijk - schreven me het adres van het hoofdbureau op met het dringende advies wel aangifte te gaan doen. Ik heb ooit, nadat mijn auto in Parijs was opengebroken, in die stad aangifte gedaan en ik heb nog een paar ervaringen in eigen land en buitenland daarmee en ik besloot de frustratie van aangifte doen niet aan te gaan en de schade dan maar voor eigen rekening te houden.

Het gaat in zo'n grote stad om geld. Als je niet beter kijkt, zou je geloven dat het iedereen om je geld gaat. Voor ons vertrek terug vroeg ik, op de luchthaven, aan een stalletjesbeheerder die even geen klant had, of er - als op Schiphol - een mogelijkheid was nog even buiten op een platform of zoiets het luchtverkeer gade te slaan. De man verstond me prima, keek me vermoeid aan en reageerde luid en duidelijk: 'Only sales service, Sir!' Als hij aan mij niet kon verdienen, konden er niet meer dan deze vier woorden vanaf, zoveel was me op slag duidelijk.
Op een of andere manier wordt er in Rome - ik merkte het een paar jaar geleden ook elders in Italië al - heel wat afgetelefoneerd. Op een plek nabij de 'Spaanse trappen' telde ik een poosje de talrijke voorbijgangers en constateerde dat ongeveer één op de tien liep te bellen. Dat zou betekenen dat gemiddeld iedereen op straat elk uur zes minuten telefonisch contact met elders moet hebben. Overigens, in de trein naar Schiphol had ik de verhalen al kunnen verifiëren over hoeveel je over iemands bezigheden en wel en wee en dat van zijn of haar familie te weten komt door hun luidruchtig getelefoneer. De i.t.-specialist en de wel zeer luid sprekende jongedame gaven zoveel voor vele anderen bloot, dat ik de verleiding voel mijn analyses betreffende hen hier openbaar te maken.

De bedelaars in Rome: mocht u iets voor ze willen doen, neem als toerist per dag minstens tweehonderd munten met u mee of kies alleen degenen met de meest ernstige handicap, de kinderen of degenen met het beste 'theater'. Aan ons tafeltje in het McDonald's-achtige restaurant vervoegde zich een weldoorvoed meisje van een jaar of zes met van die smekende ogen en een kartonnen beker, waarin je hier bij bedelaars je munten kwijt kunt. Ze vroeg om geld voor eten. Mijn vrouw sneed een punt van haar pizza en gaf haar die. En toen: die verrukte blik, het gebaar waarmee het eten naar de mond werd gebracht, het enthousiaste bewegen. Je zou toch nog moeten geloven dat ze echt honger had! Even later zagen we haar met haar met een kruk lopende vader vertrekken, nog steeds gelukzalig etend van haar stuk pizza.

Wat me in Rome erg opviel, is wat ik noem het fenomeen van de gedeelde aandacht. Meer dan ik ooit eerder heb meegemaakt, werden we hier geconfronteerd met mensen die van alles tegelijk doen. Voor de balie worden de vragen of opmerkingen van drie klanten tegelijk behandeld, terwijl de dienstverlener ook nog een telefoongesprek voert, een collega instrueert, een leverancier aanwijzingen geeft en ook nog iets op een computer intypt. Ik moest denken aan hoe ik vroeger zelf ook wel gewerkt heb, maar wat ik hier zag, was toch echt wat graadjes erger. Maar misschien valt zoiets me wel vooral op, omdat ik door wat concentratieproblemen zelf nu gek zou zijn geworden in zo'n situatie.

Het Vaticaan: daar waren we voor gekomen. We hebben de paus gezien en gehoord, op de wekelijkse audiëntie. Hij was op minder dan vijf meter afstand van ons. Onze protégee zei na het treffen herhaaldelijk: 'Dat ik dit nog mee heb mogen maken!' Maar, wat hebben ze daar een apparatuur om metaal in en aan de gasten te detecteren. Daar is een luchthaven niets bij.

Opvallend was dat de kledingvoorschriften - waar vooral dames last mee kregen - bij de audiëntie veel minder streng waren dan voor het betreden van de Sint-Pieter. Daarvoor moest je door twee controles, de eerste weer met röntgenapparatuur, waarmee zelfs het losse muntje in je zak wordt gedetecteerd en waar een eerste schifting van de dames plaatsvindt. Mijn vrouw mocht daar voorbij, maar kwam in eerste instantie niet door de tweede schifting vanwege blote armen. Daaraan, en aan te hoge blote benen, wordt hier zwaarder getild dan aan het dragen van navelshirtjes, die de navel als een soort derde oog met soms een brede strook erboven en eronder in zicht brengen, en van wel heel lage decolletés. Het is waarschijnlijk maar wat de sterkste emoties oproept.

Het was mooi. We hadden fijne dagen. Dat bij zoveel goeds ook kwaads om de hoek komt kijken, lijkt het goede slechts te accentueren. Dat zit vooral in de beleving, in het gevoel. Als die basis goed is, kan bijna niets de pret echt drukken. Persoonlijk heb ik in het Vaticaangebeuren nauwelijks iets van God ervaren, maar ik zag dat dat voor anderen anders was en dat was go(e)d. Voor mij was het de zichtbare mammon, het vertrouwen in de god van het geld en met name de grote mate van consistentie daarin, die me dichter naar mijn God toe bracht. Voor mij was het ook mijn zakkenroller.

Gert Hardeman