Ik wist dat het niet klopte

Ik werd overgeplaatst naar een bevoorradingscompagnie in Garderen, voor de rest van mijn diensttijd. Ik heb daar dus bijna een jaar doorgebracht. In Arnhem was ik vrij, vrij qua kleding, vrij qua verblijfplaats, vrij van appèls en andere rituelen, als ik er maar was voor m'n werk als ik dienst had. In Garderen werd dat anders. Dat was wel even aanpassen. Maar ik had er ook lol aan om mijn uitzonderingspositie als hospik van de compagnie daar uit te buiten.

Van stonden aan onttrok ik me aan alle appèls door gewoon op mijn werkplek te zijn. Voor zevenen was ik naar de eetzaal voor ontbijt en om kwart over zeven was ik op mijn werkplek om de telefonische ziekmeldingen van mede-dienstplichtigen, die door de sergeanten van de dag werden doorgegeven, aan te nemen en andere zaken van de dag voor te bereiden. Pas als het op de slaapzaal stil geworden was, meestal zo rond half een in de nacht, keerde ik daar terug. Om dus om half zeven weer op te staan. Ik droeg als werkkleding een witte jas en liet mijn baret daarbij achterwege. Ooit heeft een kolonel die mij aanhield toen ik zo zonder baret op het kazerneterrein rondfietste, me gezegd dat ik de baret wél dragen moest. Toen ik hem militair groette met de rechterhand aan mijn ongedekte hoofd, mompelde hij iets van 'hopeloos geval', maar liet me verder met rust. Ik had mijn eigen fiets ter plekke en bewoog me daarop over het kazerneterrein. 's Morgens ging ik de ziekmeldingen af met een hoeveelheid thermometers. Heel rap wist ik dat ik die dingen zelf in moest brengen en vast moest blijven houden, omdat anders de temperatuur zomaar graden hoger kon uitvallen. Wrijvingswarmte. Mij was de macht gegeven om een ziekmelding te bevestigen of niet. Dat is me nooit betwist. Ik was verbaasd over de invloed die ik gekregen had, maar het wende ook snel. Er werd geprobeerd me om te kopen, vooral als er een oefening al dan niet in het buitenland op til was, maar daaraan heb ik nooit toegegeven. Ik temperatuurde, voelde polsen, deelde zuigtabletten voor de keel uit en slijmoplossende middelen en verwees naar het doktersspreekuur. Toen ik tegen achten een jongeman zag die crepeerde onder vermoedelijk niersteenkolieken en er geen arts op de kazerne bereikbaar bleek, heb ik hem door de burgerambulance laten halen en werd hij daarop aansluitend in een burgerziekenhuis geopereerd. Tegenover de legerartsen stak ik het niet onder stoelen of banken en ik wees hen op de noodzaak van een dienstenrooster, zodat altijd een arts beschikbaar zou zijn. Dat is er toen overigens niet gekomen. Na mijn ochtendronde langs de verschillende onderdelen belde ik de sergeanten van de dag om te melden wie van de ziekmelders er ziek was en vooral wie dus niet. Ik ben nooit met een misser geconfronteerd. Uiteraard wel met allerlei verhalen die mij hadden moeten overtuigen.

Het was vaak hard werken. We waren met vier of vijf collega's, maar de anderen gingen wel op appèl en ook veel vaker met meerdaagse oefeningen mee dan ik. Mijn compagnie kwam er bekaaid vanaf, maar leek me niet te missen. Toen er een alarmoefening kwam midden in een nacht, ben ik opgestaan, naar de geneeskundige post waar ik werkte gegaan en heb ik daar op een onderzoeksbank verder geslapen. Ik was er nooit bij, was mijn redenering, het zou te zeer opvallen als ik er nu wel was. Ik zou op dat moment bovendien al niet meer geweten hebben wat de handelingsvolgorde bij zo'n oefening moest zijn. De artsen met wie ik samenwerkte, hebben me na een poosje voorgedragen voor bevordering tot soldaat 1ste klas. Dat ben ik ook geworden, maar het maakte me naast de paar gulden per maand meer soldij oprecht niets uit.

Doktersspreekuren bijwonen, brieven schrijven, pillen meegeven, rugklachten masseren en onder de rode lamp zetten, wonden behandelen en verbinden, drukverbanden over verstuikte gewrichten, verwijzingen naar de oogarts, dienstbrillen opsturen voor reparatie, administratieve taken, noem maar op. Als er nieuwe lichtingen waren, was het vaak ook vaccineren. We vaccineerden als aan de lopende band, tot honderden mannen op rij. Ik bleek het best in de BCG, die intracutaan gespoten moest worden, een mooi bobbeltje tussen de verschillende huidlagen. Heel snel zag ik dat als er één jongen flauwviel en meer gingen volgen. Dat werkte zeer vertragend. Dus werkten we met schermen, zodat flauwvallen niet gezien werd en flauwvallers achter een ander scherm evenmin. Dat werkte veel beter. Ik werkte relatief veel samen met een dienstplichtig arts die geïnteresseerd was in psychiatrie. Hij wakkerde mijn interesse voor die tak van sport alleen maar aan. Later ben ik hem inderdaad bij opnamevragen buiten de eigen werkregio als psychiater tegengekomen.

Toen mijn compagnie een meerweekse oefening op diverse plaatsen in Duitsland had, kreeg de organisatie het idee dat het goed zou zijn als ik daar bij was. Ik had een eigen rodekruisauto met vier ligplaatsen, compleet met chauffeur, een ehbo-tas, medicijnen, wat thermometers en een bloeddrukmeter ter beschikking en wellicht ben ik dan nog wel wat vergeten. Ik had een eigen tentje om de spullen in op te slaan en soort van spreekuur te houden. Gelukkig ben ik nooit voor ernstige zaken komen te staan. Ook niet toen ik van een cafébezoek waaraan ik me niet wist te onttrekken terugkeerde in de jeep van een werkelijk stomdronken chauffeur die levensgevaarlijk reed. Ik had mijn burgerrijbewijs en op open terrein ook wel eens in zo'n jeep gereden. Maar mijn voorstel dat ik zou rijden, vond geen gehoor omdat mijn militaire rijbewijs ontbrak. Ach ja. Terug van die oefening ben ik met de DKW van mijn ouders, die bij wijze van uitzondering bij de kazerne stond - ik was op dat moment nog de enige thuis die een rijbewijs had - al voor de kazernepoort uitgestapt, heb m'n plunjebaal in de DKW gestouwd en ben voor de week vakantie die volgde naar huis gereden. De plunjebaal heb ik op zolder gelegd. Dat ook mijn pistool (geen patronen!) daar gewoon nog in zat, heeft niemand ooit gemerkt. Ik wist dat het niet klopte. Maar het was zo.

Pagina gemaakt 24-6-2017.