Dat heb ik gedaan

Ik stond er aardig buiten in mijn diensttijd, maar ik koos daar ook voor. Op den duur speelde ik ook een rol. Ik had allang geregeld dat ik na vijf uur 's middags van de kazerne mocht. Dat kon ik regelen omdat ik een cursus toegepaste psychologie volgde. Aan die cursus hing ik meer op dan terecht was.

Ik fietste soms op maandagmorgen naar de kazerne, waar ik dan voor zevenen binnen moest zijn en als er iets in de familie of de kerk was dezelfde avond nog een retour naar Veenendaal. Dat was meer dan honderd kilometer naast mijn gewone werk. Ik draaide mijn hand er niet voor om. Weer of wind heeft me nooit weerhouden in die tijd. Als ik tegen twaalf uur 's nachts bij de slaapzaal kwam en er was nog rumoer daar, dan ging ik naar mijn werkplek om een uur later nog maar eens te proberen. Of ik viel op een harde onderzoeksbank in slaap om pas diep in de nacht toch nog in mijn bed te belanden. Noch de humor, nog de leefstijl van mijn medesoldaten waren de mijne. Ik hoorde niet bij hen. Voor hen moet ik een soort schim geweest zijn, die ze tegen konden komen op de KZV-Hulppost (kazerneziekenverblijf). In mijn diensttijd heb ik redelijk geleerd aan mezelf alleen genoeg te hebben.

Ach, vriendjes was ik met de beheerders van het badhuis. Als het meeste werk er op zat of in een rustig uur fietste ik erheen om me te douchen. Op het kantoortje stond met grote letters: 'Eerst kloppen'. Ze wilden tijd hebben om de kranten die ze zaten te lezen of andere zaken op te ruimen alvorens ze 'Binnen!' riepen. Ik mocht zo doorlopen, want kende de situatie in detail. Een blok van twintig douches ging er voor me aan, want één enkele douche aanzetten kon daar niet. Ik heb er wel eens wat slijmoplossende tabletjes die naar gemalen drop smaakten voor teruggedaan, maar niet te vaak.

Snel kwam de tijd dat ik moest uitzien naar bezigheid voor na mijn diensttijd. Om te solliciteren kreeg je zomaar een dag vrijaf en ik heb daar herhaald gebruik van gemaakt. Ik zocht in de psychiatrie. Ik wilde ergens intern. Want één ding wilde ik niet: weer thuis wonen. Er lag te veel historie daar en erger: mijn moeder kon mij mijn laatste jaar op de kweekschool niet vergeven. Ze was begonnen haar eigen problemen en gezondheidsklachten er aan op te hangen, zodat ik het gevoel kreeg de schuld te zijn van haar zich niet gelukkig kunnen voelen. Helaas is dat tussen mijn moeder en mij nooit goed gekomen. Ik heb letterlijk gedroomd van er met haar over te kunnen praten en dat is ook wel eens gebeurd, maar nooit met ruimte voor mij. Bij haar zat ik in een klem waar niet aan te ontsnappen was.

Zo'n tien jaar later zou ze nog eens een brief schrijven, met potlood geschreven en anoniem, waarin ze me vroeg of het kon zijn dat je hele leven vergald werd als er in relatie tot je kind iets was gebeurd waarin je je ernstig bedrogen had gevoeld. Ach, aan het handschrift op de envelop zag ik al van wie de brief kwam en dezelfde avond ben ik naar Veenendaal gereden om te praten, hoe moeilijk dat ook was. Maar ze kon niet loslaten. Soms kreeg ik het gevoel dat haar gezondheidsproblemen de functie hadden om mij schuldgevoel aan te wrijven. Maar bewust zal dat niet zo zijn geweest.

Mijn moeder werd geboren nadat haar vader dodelijk was verongelukt en ze is zonder vader opgegroeid, in armoede. Het is niet aan mij om te oordelen over haar karakter. Het was wel aan mij om te bidden voor haar geluk en gezondheid. Dat heb ik gedaan.

Pagina gemaakt 25-6-2017.