Pinksteren

Pinksteren. Feest van de goddelijke geest. De geest die in ons allen woont, maar die we soms geen ruimte laten. Voor wie we geen ruimte hebben, omdat we te gevuld zijn van andere dingen. De geest die geen ruimte opeist, maar leegte vult die in harmonie is. Feest dus van je leeg leren maken om vol te kunnen worden. Van geest.

Wat vanzelfsprekend is voor de een, is dat niet voor de ander. Wat als je niet in harmonie geboren bent? Als je geen innerlijke harmonie ontwikkelen kon? Bijvoorbeeld omdat je werd opgejaagd in struggle for life? Of eenvoudigweg omdat de combinatie van je chromosomenparen dat niet toeliet?

Ik ben opgegroeid met veel religieuze zekerheden die ik allemaal ook weer moest kwijtraken. Ook dat kan het gevolg zijn van een gen op één van de chromosomen van moeders of vaders kant. Of van de eigen ontwikkelingsgang, de weg met hobbels en gaten in de weg. Ik wilde goed, maar ontdekte ook het kwaad in mezelf. Ik zocht licht en vond vaak duisternis. Ik geloofde in de alom tegenwoordige God en meende dat die mannelijke godheid mij nodig had in zijn rijk. Ik was eenzaam en voelde vooral gemis en leegte. Dan is geloven ook een soort verliefdheid, waarin het kan lijken dat die ander je leegte zal kunnen vullen en zin zal geven aan je bestaan. Als je niet belangrijk bent voor jezelf, wordt de noodzaak dat je belangrijk bent voor een ander, god of mens, des te dwingender.

Wat heb ik de dingen van het geloof precies geweten. En ik dacht dat ik zekerheid had. Maar diep weg knaagde dat ene gen, het gen van twijfel. In termen van toen zou dat gen zomaar duivel kunnen heten. Ik was actief in de kerk, evangeliseerde en meende dat anderen moesten leren geloven wat ik geloofde. Hoe heilloos. Een laag dieper borrelde verzet op, meende ik te ontdekken hoe de kinderdoop niet bijbels is. Ik kan het me niet meer voorstellen, maar ik streed voor zingen van gezangen en voor ritmisch gezongen psalmen, voor nieuwere of andere bijbelvertalingen en voor één dienst per zondag voor en door de jeugd. Dat alles ging aan mijn twijfelen aan de kern van het christendom vooraf. De dominee kwam praten omdat mijn ouders geen raad meer wisten met mijn ideeën. Er werd een vervolgafspraak in de pastorie voor mij gemaakt. Toch deed ik in die tijd ook belijdeniscatechisatie en geloofsbelijdenis. En hoe gaat dat als je jong bent. Ik verlangde naar een meisje, een mens van vlees en bloed voor wie ik belangrijk zou zijn. Het 'andere', het mysterie intrigeerde me. Ik vond haar lange tijd niet. Vanzelfsprekend ook omdat ik er te krampachtig mee bezig was. Verwrongen. Want wat er fout ging, was dat ik het kwaad in mezelf niet tot eenheid wist te brengen, maar het afsplitste als niet bij mij behorend. Voor mij was het een lange weg om te leren hoe goed en kwaad een eenheid zijn waarvan elke pool bestaat bij de gratie van de andere. Dat houdt toch in dat ieder mens kwaad moet doen om de mogelijkheid te verwerven te leren kiezen voor het goede. Zo is toch het principe.

Mijn beroepskeuze, richting psychiatrie, hing samen met mijn verlangen mezelf te leren begrijpen. Ik ontdekte daar dat het een normaal patroon is om in het leren begrijpen van anderen ook tot groeiende zelfacceptatie te komen. De vastigheid van het geloof verloor terrein aan het langzaam groeiende besef zelf verantwoordelijk te zijn. En toen ging het als in een dominospel. De eerste steen die viel nam steeds meer stenen mee. Ik verdiepte me opnieuw in de grotere wereldreligies en vond houvasten in het boeddhisme door de kringloop van alle dingen die ik rondom ook zag. Ik werd bestreden door christenen, van wie ik vroeg ten minste respect voor mijn denkbeelden te hebben. Mijn moeder zei me dat ik moest oppassen niet met een ingebeelde hemel ter helle te varen en ik voelde me steeds meer alleen staan. Lang ben ik kerkelijk actief gebleven, te actief misschien. Jarenlang was ik eindredacteur van het kerkblad en interviewde ik elke maand een kerklid uitgebreid betreffende zijn of haar geloofsbeleving. Toen werd de tijd rijp om me geen christen meer te kunnen noemen. Ik ervoer aan het christendom te veel onvrijheid en met dat keurslijf kon ik geen kant meer op. Ik voelde het woord christen ook als een mede-verantwoordelijkheid, die ik niet meer kon dragen. Ik wilde christenen niet kwetsen zoals ik me soms door hen gekwetst voelde. Ik leerde me stil te houden over mijn ideeën. Ik schreef erover op mijn website, ook om mijn gedachten en gevoelens ruimte voor ontwikkeling te geven. Dat was een plek die gemakkelijk door christenen en anderen die mijn gedachtegoed beangstigend vonden, gemeden kon worden.

En nu spreek ik van 'God', wie of wat dan ook. God die alles omvat wat wij niet bevatten kunnen. God die onder andere de mens geschapen heeft. God niet als persoon, meer als geest, goddelijke geest. Geest van het goede en het kwaad. Want ik ben me ervan bewust dat alle goed kwaad uitlokt en andersom. Dat is onvermijdelijk, want zo zit de schepping in nu eenmaal elkaar. Ik kan me niet voorstellen dat alles hier, wat we zien en voelen kunnen, toevallig is ontstaan. Ik moet wel geloven in een hoger iets, dat ik niet meer durf definiëren, in het besef dat het ook zo is dat de mens God geschapen heeft. Daarom kan ik me van het goddelijke geen beelden meer maken, ook al kan ik het wel voelen. Mijn geloven is nu meer een vermoeden. Ik vermoed dat ik, net als elk ander, bij het goddelijke behoor en dat ik uiteindelijk in die bron zal terugkeren. Met hemel en hel kan ik niet meer overweg. Wel hier en nu, niet voor na dit leven. Daar kon hel wel eens hemel uitlokken, en andersom. En hier en nu: rampen zijn verschrikkelijk, maar lokken ook het goede uit. Net zoals goede krachten zomaar het kwaad oproepen. Bijzonder: het oude bijbelverhaal van goed en kwaad blijkt de motor van alles wat is en zich ontwikkelt. Zoals ook mijn eigen neuroses mij hielpen en helpen te worden tot wie ik in mijn goddelijke kern ben.

Pagina gemaakt 14-5-2016, laatst bijgewerkt 16-5-2016