Riagg

Ik heb in mijn leven één sollicitatiebrief geschreven, in de bibliotheek in Arnhem, toen ik daar toch wat tijd moest doorbrengen. Toen ik na die brief voor een eerste gesprek op de S.P.D. (sociaal psychiatrische dienst, later Riagg) was geweest, kwam het team waar ik mijn stage had gelopen voltallig bij ons op de koffie. Ze kwamen om te vragen of ik een nieuwe vacature in hun team wilde opvullen. Zo werd het toch nog even moeilijk. Na een paar dagen wist ik dat ik mijn eigen keus wilde volgen en dus kwam ik waar ik gesolliciteerd had op tweede ronde. En toen had ik een baan die ik tot mijn pensionering zou houden. Zodoende heb ik nooit een cv gemaakt.

Ik rolde soepel mijn nieuwe baan in en was gelukkig met de verworven zelfstandigheid qua werk. Natuurlijk was het als met het rijbewijs: je kunt het wel, maar je moet het meeste nog leren. Ik leerde gemakkelijk, ook waar het gaat om inschatten van suïciderisico. Het werd één van mijn specialismen en soms vroegen collega's mij om mee te kijken. Wel heb ik in mijn loopbaan 21 van mijn cliënten aan suïcide verloren en een veelvoud mislukte pogingen gezien. Altijd is er na zo'n incident de rapportage voor directie en inspectie over wat gedaan en niet gedaan is wat betreft hulp en nooit heb ik het gevoel gehad te zijn tekortgeschoten of is me iets in die zin aangewreven. Natuurlijk ken ik zelf wel een aantal situaties waarvan ik achteraf wenste het anders gedaan te hebben en zelfs waarover ik schuldgevoel heb, maar gelukkig nooit in relatie tot suïcide. Ik wilde ook graag verder en vroeg al na mijn eerste jaar om de kaderopleiding te mogen doen, een tweejarige parttime opleiding, naast het werk dus. En na nog een paar jaar, toen ik al jaren met groepsbehandelingen werkte, mocht ik de opleiding voor groepspsychotherapie van de NVGP doen. Ook die heb ik zonder problemen voltooid, onder andere in het Academisch Ziekenhuis Groningen.

Ik heb op de Riagg goede, maar ook minder goede tijden gekend. Tot in de negentiger jaren, zeg de eerste 20 jaar daar, liep het allemaal wel. De laatste vijf jaren van die periode was ik teamcoördinator van een groot team van ruwweg tien hulpverleners. Dat was zwaar, maar gaf gezien de waardering ook voldoening. Het werk was drukker aan het worden, of misschien werd ik ouder. Een teamleider verdiende in die jaren niet wat extra's. Maar dat veranderde: de cao stond op een bepaald moment een extra beloning van maximaal 150 gulden per maand toe en mijn directeur besloot dat de teamleiders de helft daarvan, dus 75 gulden zouden krijgen. De schellen vielen van mijn ogen, want het coördinatorschap vroeg heel wat van me. Dat heb ik, op dat moment uitgaande van het geld als teken van waardering, toen dus beëindigd. Ik had bij mijn werkgever toen al in vier verschillende regio's gewerkt, dus een vijfde kon ook nog wel. Zo werd ik weer gewoon hulpverlener.

Toen werden er steeds meer eisen gesteld aan rapportage en dossiervorming. Ik was daar op zich goed in. Misschien was ik wel degene die het meest trouw verslagbrieven insprak voor de verwijzers. Maar ook de hoeveelheid cliënten nam toe. Steeds vaker kwam het voor dat ik met een volle agenda naar het werk ging en na de dag moest constateren dat er nog eens net zo'n hoeveelheid werk was bij gekomen die dag. Werkstress begon normaal te worden. Maar ik wende er niet aan.

In 1998 kregen we te maken met een productieverhoging, vreselijke term natuurlijk bij het werken met mensen in nood. Vijftien procent meer cliëntcontacten moesten er geproduceerd worden, terwijl de werkweek in die tijd omlaag ging van 38 naar 36 uur per week. Ik werkte al een poos wat minder, omdat vijf dagen werken me te zwaar geworden was. Ik voelde gewoon dat het werk niet meer goed voor me was. Daarom was ik parttimer geworden en werkte ik nog vier dagen per week. Op woensdag was ik vrij. In april had ik een gesprek met mijn directeur, omdat ik de productiecijfers niet haalde en vond dat ik mijn werk wel goed moest blijven doen. 'Dit is niet goed voor mijn mensen en ook niet voor mezelf', zo meldde ik. Maar de directeur had geen oplossing. Vanaf dat moment heb ik de cijfers wel gehaald, omdat het moest. Maar mezelf raakte ik kwijt in het werk. Omdat ik merkte dat die dag midden in de week en de weekenden, als ik geen crisisdienst had, onvoldoende waren om de accu goed op te laden, wilde ik van nog een dag af. Ik wilde naar een driedaagse werkweek, bijvoorbeeld van dinsdag tot en met donderdag. Zo heb ik het ook geregeld. Natuurlijk: het zou consequenties hebben voor mijn inkomen en pensioen, maar ik had het gevoel niet anders te kunnen om te overleven. Mijn driedaagse werkweek zou op 1 januari 1999 ingaan. Toen, op 20 augustus, kreeg ik op het werk een herseninfarct, zo rond een uur of één in de middag. Op dat moment was het alsof er iets in een ader gespoten werd dat zich in een seconde door mijn hele lichaam verspreidde. Toen ik me herstelde, merkte ik dat ik mijn pen niet meer kon oppakken doordat alle gevoel uit mijn hand weg was. Even heb ik gedacht aan een cva. Ik ben gaan staan en heb geprobeerd of mijn rechter been wilde functioneren. Dat wilde het. Daarop heb ik de volgende cliënt uit de wachtkamer gehaald en gewoon de dag vol gewerkt. Ik schreef de eerste uren links, totdat rechts begon terug te komen. Om vier uur werd ik gebeld door een teampsychiater die mij meldde dat een cliënte van me, waar ik een week eerder voor het laatst was geweest, voor de trein gelopen was. Als in een roes had ik het gevoel dat het er nog wel bij kon. Ook de vrijdag daarna heb ik gewoon mijn werk gedaan. En toen was alle energie op. Ik kon in het weekend nergens meer toe komen. Ik zat daar maar, vooral in de tuin, en verder niets. Maandagmorgen vertelde ik mijn huisarts dat er vermoedelijk een zenuw in mijn arm in de knel had gezeten. Ik zie hem nog naar me kijken toen hij zei: 'Geloof je dat nou zelf?' Enfin, zo viel ik uit het werk. De neuroloog adviseerde om dit werk niet meer te hervatten vanwege de stress. Hij vroeg me daarover na te denken. Maar ik wist het beter en was daar kennelijk niet aan toe. Toen hij na een week of wat vroeg hoe ik erover dacht, kon ik melden dat ik het werk voor twee dagdelen per week hervat had en dat ik er graag nog een derde dagdeel bij zou doen. 'Maar geen stress meer en geen crisisdienst', bezwoer hij me. Zo heb ik nog acht jaar gewerkt op maandag, woensdag en vrijdag van elf uur tot een uur of vier. Geen crisisdienst meer en dat beviel me heel goed. En 's middags lunchte ik in de kantine, nadat een collega bij me was gekomen en me gewezen had op hoe slecht ik eigenlijk voor mezelf zorgde.

Pagina gemaakt 28-6-2017.