27-10-2008

Weblog wordt gemist

Vorige week kreeg ik vrijwel gelijktijdig een paar mailtjes van mensen die aangaven mijn weblogstukjes te missen. Ook al zijn mensen het niet met mij eens, toch kunnen zij het op prijs stellen mijn stukjes te lezen, zo begreep ik.

Tja, het klopt dat mijn weblog stil geworden is. Ik heb het allemaal zelfs in archief gezet, samen met veel andere pagina's die meestal over mijn geloofsvisie gaan. Als de neurose z'n evenwicht gevonden heeft, komt alles (of veel) tot rust. Ik denk dat dat een deel is van wat er speelt. In de hulpverlening wisten we: als je iemand zijn neuroses afneemt, heeft dat consequenties voor de drift tot actie. Mensen die veel tot stand brengen, verliezen dikwijls hun prestatiedrang na succesvolle psychotherapie. Neurose is een zeer sterke motivator.

En dan: ik ben meer met andere dingen bezig momenteel, m'n foto's (gedrukte fotoboeken) en meer samen met Trix, mijn vrouw. Ik ben met heel veel bezig. En ik wacht op eventuele inspiratie om 'iets nieuws' te beginnen op mijn site. Kennelijk moet ik me daarvoor eerst wat leger maken.

Het is goed. Dat vind ik belangrijk! Ik heb veel geschreven over geloofs'zaken'. Ik ben er klaar mee. Wie in redelijk evenwicht kan zijn met geloven op welke andere manier dan ook dan ik doe, moet dat vooral zo vasthouden. Het is niet belangrijk meer dat mijn manier van geloven erkenning vindt. Die heeft zich voldoende aan me 'bewezen'. Aan vermoeden heb ik genoeg en verder laat ik het graag los en zie ik het wel. Ik zal het zien! Wat maak ik me druk als er wellicht meerdere waarheden tegelijk kunnen en mogen bestaan?

Dat allemaal houdt niet in dat alles vanzelf gaat en dat er geen problemen/probleempjes zijn. Hobbels horen bij het leven en zijn er om sterker van te worden en te groeien. Ze houden het leven gaande.

13-8-2008

Toevalligheden?

Ermelo, 13 augustus 2008

Sjabbe is begraven. In 1972 kreeg hij als eenentwintigjarige levensavonturier een motorongeluk waarbij hij ernstig invalide werd. Dat was twee weken voor hij had zullen trouwen. Zijn meisje zag al snel van verdere relatie af. Dat was begrijpelijk, maar toch ook weer niet gemakkelijk. Normaal contact met hem was vanaf toen toenemend niet meer mogelijk. Zijn leven was een jarenlang lijden, zo begrijp ik van zijn zussen. Ze ervaren zijn dood dan ook als een opluchting die hem eindelijk heeft vrij gemaakt.

Wat is het goed een predikant te horen die bij zo'n gelegenheid niet de eigen geloofsbeelden etaleert, maar schuchter spreekt van bijnadoodervaringen die verhalen van het zien van Licht, zich daarbij hardop afvragend welke beelden de toehoorders hebben bij de overgang van leven naar dood. Wat een ruimte ervaar ik bij deze predikante, ruimte die ik zo node mis in de traditionele kerken. Hier tel ook ik mee.

Na de begrafenis is er een koffietafel met broodjes. We schuiven aan bij een middelbare vrouw met wie we pas later in gesprek komen. Sjabbe was haar eerste vriendje. Maar hij wilde meer of anders en koos voor het huwelijk met die ander. Veel later, in zijn rolstoel, heeft hij haar alsnog ten huwelijk gevraagd, maar toen sloot zijn wens niet meer bij de hare aan. De vrouw is open over zichzelf, zo open dat ik haar durf vragen naar haar levenslessen. Die staan vooral in het kader van loslaten, begrijp ik, van verliezen. Haar moeder die overleed toen ze anderhalf was, een echtscheiding en het nog recente sterven aan een hartstilstand van haar laatste vriend zijn maar een paar van de verliezen die ze zomaar opsomt. Ik kan in haar verhaal het verdriet uit haar levenslessen meevoelen.

Op een of andere manier voelt deze vrouw me als een zielsverwant. Dat kun je soms zomaar hebben. Ik ben verbaasd hoe ik op de begrafenis van een neef van mijn vrouw, die ik niet gekend heb, zomaar oog in oog met haar ben. Het valt me toe, zo voel ik dat. Ook zij lijkt zoiets te voelen. We praten nog even door over hoe in het leven dingen soms zomaar samenkomen en op hun plek vallen. Ik ken dat en zij kent het. Dan vertel ik haar een ander verhaal vol toeval, dat van Churchill en Fleming. Ik hoorde het verhaal van mijn broer, maar zie nu op internet dat het niet met de feiten overeenkomt. Ik ken dat wel, hoe verhalen altijd maar mooier en fantastischer worden. In het verhaal redt de jonge student Fleming, die graag medicijnen wil studeren, het kind Churchill van de verdrinkingsdood. Vader Churchill wil hem hiervoor belonen en bekostigt zijn studie tot arts. Fleming vindt de penicilline uit. Dan, drie jaar voor het uitbreken van de oorlog, overleeft Churchill een ernstige longontsteking door die penicilline. Zo redt Fleming Churchill's leven voor de tweede maal.

15-7-2008

Het menselijke beest

Voorbije zaterdag vond ik in de Volkskrant een interview met Ingrid Betancourt, onlangs bevrijd na bijna zeven jaar gevangenschap in de jungle.

Wahlwiller, 5 juli 2008

Betancourt vertelt dat ze vaak vastgeketend en fysiek gemarteld en vernederd werd. Ze vermijdt details, maar beschrijft het gedrag van de gewapende en boze mannen met wie zij leven moest als 'zo monsterlijk dat ik denk dat ook zij van zichzelf walgden.' Ze wil vergeven, lees ik verder en ze denkt te moeten vergeten om de zielenrust te vinden van waaruit vergiffenis schenken mogelijk wordt.

Betancourt heeft de wreedheid van het 'menselijke beest' gezien. En ze denkt dat ieder mens dat beest in zich heeft. Ze vertelt nu te kunnen begrijpen hoe het kon gebeuren dat de nazi's zoveel leed berokkenden. 'De mens heeft een donkere kant', vervolgt ze, 'en een lichte.'

Zes dagen voor het interview zat ze nog vastgeketend aan een boom. Nu bereidt ze zich voor op het 'zwarte gat', waar ze vreest in te zullen vallen.

Intussen geeft ze vanuit haar eigen ervaring als onderdrukte haar visie op de mens, die kwaad in zich heeft en goed, en keuzevrijheid om te kiezen voor of donker, of licht.

Vaak denk ik dat wij, door onze levens heen, dat alles moeten doormaken. Dat we de rol spelen van onderdrukker, en van onderdrukte. Dat we gedreven worden vanuit haat, of vanuit liefde. Pas als de menselijke mogelijkheden tot in de diepste verten zijn verkend en doorleefd, is er echte keuzevrijheid. Het is een levenskunst de eigen donkerte te onderzoeken en door te werken, zonder daarin anderen of zichzelf onnodige schade toe te brengen. Dat het zo eenvoudig zou kunnen zijn dat het eigen kwaad slechts onderdrukt behoeft te worden, geloof ik niet. Alles wat onderdrukt wordt, keert zich uiteindelijk tegen je en wordt je de baas. Juist dan word je een menselijk beest. Om een menselijke engel te worden is het nodig de confrontatie met de eigen donkerte niet uit de weg te gaan, maar daar doorheen te leven, met alle moeite en pijn die daaraan vastzitten.

1-7-2008

Buiten roken

Het was warm op onze fietstocht vandaag. Zo kwamen we met een ijsje terecht op het tweetafeltjesterras bij een snackbar in een naburige plaats. Eerst zaten we daar alleen, maar al snel werden de resterende stoelen in gebruik genomen door het personeel van de bar en twee jonge, voor de hitte naar beneden gevluchte dakdekkers. Eén van hen kwam vlak naast me zitten, laat ik zeggen op tien centimeter afstand.

'Buiten roken hè', zei de zongebruinde man. In zijn hand hield hij een pakje Brandaris shag. In een flits zag ik dat ook de drie anderen hun shag in gereedheid brachten. 'Onzin eigenlijk hè', vervolgde de man naast me. 'Wat heeft dat nou voor zin, dat je niet meer binnen mag roken! Vindt u ook niet?' Na zijn retorisch bedoelde vraag vond ik ruimte mijn mening te berde te brengen. 'Ik ben er blij mee', zei ik. 'Sinds een jaar of dertig heb ik een tabaksrookallergie die na een paar jaar intensief antihistaminicagebruik niet meer te onderdrukken bleek. Zo ben ik veel dagen ziek geweest door gedwongen meeroken. Tien jaar geleden kreeg ik een herseninfarct en de neuroloog zei me na uitgebreid vaatonderzoek dat ik veel te veel gerookt had. Toen ik hem zei dat ik nog nooit gerookt had, reageerde hij met te melden dat ik dan veel te veel meegerookt had, met hetzelfde gevolg volgens hem.'

Inmiddels zat ik in de tabaksrook van de drie anderen en de jongeman naast me concludeerde dat hij z'n stoel naar de andere kant moest verplaatsen. Noodgedwongen stonden we op om het terras te verlaten.

P.S. 14 juli 2008: In de voorbije twee weken aten we tweemaal in een restaurant. Beide keren werd ik binnen toch geplaagd door sigarettenrook, eenmaal van vlak bij de deur rokend personeel en eenmaal door een net om de hoek van de deur rokende klant. In beide gevallen trok de rook naar binnen. Jammer!
P.S.(2) 10 oktober 2008: De voorbije zomer heb ik bij horecabezoek de maaltijd verder uitsluitend buiten gebruikt. Het gedwongen meeroken op terrassen is wat mij betreft een punt apart. Vaak is het echter mogelijk zo nodig naar een andere plaats te verhuizen of de eigen tafel en stoelen te verplaatsen. Vandaag aten we voor het eerst weer in een restaurant ('De A.' te Z.) binnen. Ik moest tot mijn grote spijt constateren dat er door rokers gewoon werd opgestoken en dat daar niets van gezegd werd. Er was ook geen nietrokershoek of -ruimte meer. Gezien mijn ervaringen neem ik de overheidsmaatregelen in dezen maar niet meer te serieus. Dat betreur ik zeer.

21-6-2008

foto 3-9-2007

Dat wie achterblijft, verder zal kunnen

Hij is even oud als ik. Door zijn Alzheimer woont hij in het verpleeghuis. Hij praat allang niet meer. Bij tijden lukte het slikken niet en het lopen werd steeds moeizamer en gevaarlijker. Alweer geruime tijd herkent hij mij niet meer. Misschien herkent hij niemand meer. Soms denk je heel even dat hij je ziet, maar als je je wat verplaatst, gaan zijn ogen niet mee.

Vanmiddag waren we bij hem. Het ging minder met hem, hadden we van zijn vrouw gehoord en toen zijn we meteen gegaan. Hij had een longontsteking opgelopen door het zich verslikken in zijn eigen slijm. Hij slikte nu helemaal niet meer, droogde uit. In het verpleeghuis konden ze hem geen infuus geven, omdat er daar niet continu een verpleegkundige beschikbaar is. Ik keek daar van op. Het huis is prima, daarop lijken kosten noch moeite gespaard. Maar dat er dan zo op personeel bezuinigd moet worden, dat lijkt me niet goed.

Mijn vrouw weet van me dat ik, mocht ik ooit in een situatie als die van hem komen en dan ook nog in een gezondheidscrisis zoals hij die nu doormaakt, dat ik dan niet behandeld zou willen worden. Van hem is niet bekend hoe hij dat zag toen hij nog gezond was. En toen de Alzheimer-diagnose eindelijk gesteld werd, was hij te ver heen om daarover nog te kunnen beginnen. Zijn vrouw houdt van hem, kan hem nog niet missen misschien. Ze verzorgt hem, als ze bij hem is, met bewonderenswaardige toewijding op een wijze waaraan de liefde af te lezen is.

De beslissing om hem naar het ziekenhuis te sturen, een voor hem vreemde omgeving, kon ze nog niet nemen. De beslissing om hem niet te behandelen evenmin. Als ik haar spreek, kan ik haar dilemma meevoelen. Ik moet denken aan mijn vader, die, toen mijn moeders lichaam na een hersenbloeding door een val een paar dagen lang de doodsstrijd streed en ik wenste dat we haar zouden kunnen verlossen, vond dat het goed was zo, omdat hij deze dagen nodig had om in vrede haar sterven te kunnen accepteren. En nu: Hij krijgt antibioticum en de koorts gaat over. Hij krijg een hypo. Ik dacht dat die wijze van vochttoediening in onbruik was geraakt. Maar als je als groot verpleeghuis niet continu over een verpleegkundige kunt beschikken, liggen de kaarten ineens weer geheel anders. Dat begrijp ik ook wel. Zal hij opknappen nu hij vocht binnenkrijgt? Zal hij weer voedsel kunnen slikken?

Met onbeantwoorde vragen in het gemoed lopen we naar onze auto terug. De tijd, is het niet de tijd die ons verder zal moeten helpen? Wil ik te veel, zoals ik altijd te veel heb gewild? Mijn oude vader wilde wachten, gewoon wachten. En dat was goed. Zo vond hij de kracht om verder te kunnen. Daar gaat het toch ook om, om dat wie achterblijft, verder zal kunnen?

18-6-2008

Bolsward, fietsen door de Broerekerk, 18-5-2008

Hoop voor de kerk?

Alhoewel ikzelf al in 1973 mijn kerklidmaatschap beëindigde, ben ik toch nog immer op de kerk betrokken. Wie in de kerk opgroeide, raakt daarvan nooit helemaal vrij.

Bij mij persoonlijk is de kerk in mijn ontwikkeling, zo tot een jaar of 21, een bron van houvast geweest. Daarna heeft zij deze functie snel en steeds meer verloren. Met een groep jonge mensen hebben we in 1973 in een gesprek met de kerkenraad van de kerk in de plaats waar we toen woonden, voorstellen gedaan om één van de twee zondagse vieringen nieuw leven in te blazen, maar de voorstellen werden al ter vergadering slechts gebruikt om plannen van de predikant er bij de kerkenraad door te drukken. Een maand daarna, nadat de acute frustratie wat had kunnen bekoelen, ben ik met onze frustraties daarover naar dominee toegegaan en hebben we ons uit laten schrijven. 'Onttrokken aan de gemeenschap der kerk', heette dat toen.

Het is duidelijk dat de kerk op haar retour is, ook al zijn er nog immer (nieuwe) kerken die veel jongeren weten te trekken en te binden, wellicht omdat zij mensen die extern houvast behoeven, nog wel weten aan te spreken. Maar wie in de straat weet bijvoorbeeld nog waar het op Palmpasen of met Pinksteren om gaat? Dit verlies aan kennis en cultureel besef betreur ik. Velen vonden niets echt bruikbaars terug voor het houvast dat ze aan de kerk verloren. Dat levert bij menigeen leegte op, doelloosheid en soms zelfs liederlijkheid. Tallozen hebben toch houvast van buiten nodig en daarin voorzag de kerk op geheel eigen wijze. Ik vraag me wel eens af of de in mijn ogen toenemende hang naar alcohol en andere bedwelmende of verdovende producten in de plaats kan treden voor een houvast aan geestelijk waarden.

Hoorn, Grote Kerk, foto 12-6-2008

Al tien jaar geleden vierden we een bruiloft in een mooie oude kerk in een verstilde omgeving, die verhuurd werd voor feestjes, partijen, concerten en wat niet al. Ik heb me toen laten vertellen dat er ook nog af en toe een kerkelijke viering werd gehouden. Andere kerken vergaat het anders. In Bolsward fietsten we onlangs door de kerk. Er was een prachtig licht, met glas overdekt soort marktplein van de kerk gemaakt. In Hoorn trof ik dezer dagen de Grote Kerk, waarin winkels hun intrek hadden genomen. Het valt niet te ontkennen: de kerken, uitzonderingen daargelaten, verliezen hun leden.

Wat is het probleem waaruit de teloorgang van de kerk voortkomt? Ik spreek slechts voor mezelf. De kerk luistert niet, met name niet naar de jongeren waar logischerwijs haar toekomst moet liggen. Zij houdt te onvoorwaardelijk vast aan voor velen achterhaalde en niet meer mee te beleven dogmata. Er is geen ruimte voor uitwisseling en gesprek. Wat individuen persoonlijk aan het goddelijke ervaren, wordt als niet relevant afgedaan. Jezusverering zowel als bijbelverering staan rotsvast. De vieringen worden geleid door de professional, die als regisseur veel te weinig uit handen durft te geven. Inderdaad, met dit alles houdt de kerk haar vaste, maar uitstervende kern wel binnen, terwijl ze de jeugd en daarmee de eigen toekomst verliest. Dat is pijnlijk en verdrietig. Want het is niet nodig. Het is duidelijk hoezeer heel veel mensen naar vastigheid en levensdoel zoeken. Slecht ophouden met hen allen in een verouderd keurslijf te willen persen en ruimte bieden aan henzelf, zouden volstaan om de neergang te stoppen en een nieuwe groei in te zetten. Er is dus hoop, natuurlijk! In mijn visie zie ik nieuwe kerken zich ontwikkelen, kerken waarin de nieuwe tijd zich weerspiegelt en waarin nieuwe mensen zichzelf (h)erkennen en doel en zin vinden.

18-5-2008

Geloof en geloof is één

Vanmorgen zag ik op EO-tv de zeeman Michel die later regeltechnicus werd bij de Gasunie. Hij werd geïnterviewd door dominee Arie van der Veer. Michel was een losgeslagen zeeman die alles deed wat God verboden heeft, maar die een kapitein trof, Bart, uit Meppel, die zijn bijbel op de brug had liggen en die op Michels vragen over het leven inging. Toen hij zijn werkplek verliet, kreeg Michel van Bart een eigen bijbel mee. Zo raakte hij, om kort te gaan, bekeerd, of liever: zo kwam hij op het punt dat hij zich bekeerde.

Het interview ontroerde me. Dat kwam omdat Michel in staat is zo heel puur in het gods- en geloofsbeeld van de christelijke kerk te staan. Soms kan ik daar jaloers op zijn, op de zekerheid en het houvast dat zo'n geloof geven kan. Maar ik heb het achter me gelaten; dit geloof past niet meer bij mij. Ik moest leren geloven met minder zekerheden, ik moest het goddelijke leren te vinden buiten de kerk. Ook daar zijn wegen die naar wat we God noemen terugvoeren.

Het christendom predikt de ene en enige Weg. Ik geloof dat iedere en ieders Weg uiteindelijk, in het huidige of in een volgend leven, in het goddelijke terugkeert. Maar ik geloof ook dat het niet verkeerd is te geloven wat christenen geloven, dat ook hun Weg een goddelijke is.

We zijn allemaal van goddelijke komaf, koningskinderen zou je kunnen zeggen. Misschien is dat bij u of bij mij wat overdekt geraakt door wereldse beslommeringen of door de geldgod, die in onze op economie georiënteerde wereld de grote hoofdrol lijkt te spelen. Uiteindelijk echter zullen we allemaal naar het goddelijke teruggroeien en daarmee tot eenheid geraken. Ik gun de christenen van harte deze ruimere kijk, die vooralsnog kennelijk voor velen te angstverwekkend en te structuurloos is.

Punt is natuurlijk dat christenen menen dat de bijbel het Woord van God bij uitstek is, terwijl ik niet meer geloven kan dat wat Athanasius, de aartsbisschop van Alexandrië, in de vierde eeuw van onze jaartelling tot Woord van God verhief, het enige en voor alle tijden geldende goddelijke Woord is. Veeleer denk ik dat de goddelijke openbaring in die vierde eeuw niet is gestopt, maar doorgaat tot vandaag. Overal worden woorden van God geschreven, gesproken en gehoord en misschien is er goddelijke Geest voor nodig om te onderscheiden wat goddelijk is en wat niet.

Wat ik belangrijk vind, is hoe we met elkaar omgaan, hoe we elkaar vertrouwen of wantrouwen, hoe we erop uit zijn onze medemensen te respecteren en gevoel van eigenwaarde te laten, hoe we pogen elkander niet nodeloos te frustreren met regeltjes en bureaucratie, maar daarentegen bereid zijn in te spelen op elkaars wensen en verlangens, zonder overigens de eigen grenzen uit het oog te verliezen.

28-4-2008

Bedreigt hiphop-christendom de kerk?

Volgens 'de Volkskrant' van vandaag (artikel van Anja Sligter) zou 'de Doorbrekers' in Barneveld de snelst groeiende kerkgemeente van Nederland zijn. Het is een gemeente van vrijheid, blijheid met een multimediale aanpak en een rockband ter ere van God.

De gemeente bestond onlangs één jaar. Dat wil zeggen dat ze sedert een jaar bijeenkomt in 'de Veluwehal' (2100 zitplaatsen), want al in 2005 namen voorganger Peter Paauwe en zijn vrouw Ilona het initiatief en vanaf dat moment is de gemeente elk jaar verdubbeld qua ledental. De gemeente begon in 2005 met 40 volwassenen. Inmiddels zijn er 600 leden. Volgens Paauwe komt de grootste zondagse toeloop echter uit de andere kerken.

Het gaat in 'de Doorbrekers' om 'de orthodoxe leer in een eigentijdse jas'. Bert Hiemstra zegt: 'Buiten heerst de 21ste eeuw, binnen ook!' Volgens pastoraal medewerker Cees van der Hout ligt het succes van 'de Doorbrekers' in dat de mensen geen (oudtestamentische) regels worden opgelegd. Met doet bijvoorbeeld niet aan zondagsrust, maar is zeven dagen per week christen. Het voorgangersechtpaar gruwelt van de starre rituelen van de traditionele kerken.

Paauwe heeft oog voor de toekomst. Wellicht zit er een eigen gebouw in. 'Voor tien-, twintig- of veertigduizend mensen. Waarom niet?'

Mooi, zo'n nieuwe stroming met een eigen, net iets ander beeld van God binnen christelijk Nederland. De meeste mensen scheppen zich beelden van God, of van het mysterie, zoals anderen het goddelijke omschrijven. Dat lijkt mensen ingeschapen te zijn en daar is niets op tegen. Zolang we andere godsbeelden maar niet verketteren en blijven beseffen dat alle wegen uiteindelijk naar het goddelijke terugvoeren. Helaas wringt juist daar soms de schoen, waar mensen menen dat er maar één Weg is en dat andere wegen dwaalwegen moeten zijn. Ik gun 'de Doorbrekers' dat ze zich daar verre van zullen houden. Want er is plaats voor iedereen, ook voor de al eeuwenlang bestaande kerken, ook voor wie geloven buiten welke kerk dan ook om.

26-4-2008

Talking to heaven

Deze dubbel-dvd bevat de miniserie 'Talking to heaven'. James van Praagh is helderziende en ziet overledenen. Hij raakt bij een politieonderzoek betrokken, waarin het gaat om een aantal vermiste jongens. Ze zijn allemaal op één na overleden. De overleden jongens en degene die nog gevangen gehouden wordt, kruisen steeds opnieuw zijn pad. Veel van het gebeurde van de laatste decennia speelt zich opnieuw af voor zijn geestesoog. Uiteindelijk wordt duidelijk hoe een ongeluk leidt tot een reeks gruwelijke moorden en wordt ook de dader op heterdaad betrapt.

Het verhaal heet waargebeurd te zijn. James ziet het gebeurde in steeds nieuwe flarden haarscherp voor zich. Ook de geesten zelf manifesteren zich haarscherp. Of de geestenwereld zo omlijnd en duidelijk valt waar te nemen, vraag ik me af. Er moet wel een heel open geest voor nodig zijn, zo lijkt me.

De film is voor vanaf 12 jaar. Ik vind hem voor die leeftijd te schokkend en te bloedstollend.

23-4-2008

Moet de Nederlandse patiënt patient zijn?

In mijn Engelse woordenboek wordt het woord patient vertaald door geduldig, of lijdzaam. Het Nederlandse patiënt staat volgens van Dale voor iemand die lichamelijk of geestelijk lijden te verduren heeft. Als synoniem wordt 'lijder' gegeven.

Ik moest vanmorgen in de wachtkamer van het ziekenhuis in Ede aan dat Engelse woord denken toen ik de lijdzaamheid en het geduld van andere patiënten daar observeerde. Ik begeleidde mijn bejaarde en bijna blinde vader op een controle na een operatie. Zoals zo vaak in ziekenhuizen en andere plaatsen in de gezondheidszorg verstreek een kwartier na de tijd van onze afspraak, zonder dat ons iets van vertraging werd gemeld. Zoals ik gewend ben, ging ik na dat kwartier poolshoogte nemen. De specialist waarmee de afspraak was, was zoek, begreep ik, weggelopen. Hij had voor het gemak zijn telefoon maar achtergelaten. Niemand wist waar hij was. Ik vroeg de secretaresse mij op de hoogte te houden, ook al omdat ik nog andere afspraken met mijn vader had. Dat deed ze ook. Na een kwartiertje kwam ze melden dat we bijna aan de beurt waren. Met ruim een halfuur vertraging werd mijn vader onderzocht. Het onderzoek duurde hoogstens twee minuten en het totale contact hoogstens vijf. Niemand die excuus maakte voor de vertraging. Het leek vanzelfsprekend dat we gewoon patient zouden zijn.

Bij een vorig specialistenbezoek met mijn vader, overigens in een ander ziekenhuis, heb ik een klacht tegen de afdeling ingediend vanwege de onheuse bejegening en de onverschilligheid waarmee de secretaresse met mijn probleem van het uur vertraging dat we daar opliepen omging. Er zouden veel meer klachten ingediend moeten worden. De Nederlandse gezondheidszorgconsument is veel te patient en roept met die houding verdere verloedering van het gezondheidszorgsysteem over zich af. Net als toen, bij de oogarts, was ik ook vandaag de enige die in actie kwam, er wat van zei. Ik roep anderen op mijn voorbeeld te volgen, in het belang van onze gezondheidszorg en daarmee in het belang van onszelf. Als we lijdzaam blijven, kan de zorg alleen maar achteruit hollen, aangezien de werkers te zeer zijn en worden leeggezogen om zich nog bewust te kunnen worden van hoe belachelijk patiëntonvriendelijk en gedesorganiseerd ze bezig zijn.

22-4-2008

Juf Janneke is overleden

Kyra kan niet slapen. Juf Janneke, van de andere groep 3, is dit weekend overleden. Toen ze maandag niet op school kwam, heeft de politie haar in haar huis gevonden. 'De lampen brandden nog', zei Kyra later.

Toen we haar gistermiddag uit school haalden, was het het eerste wat ze zei: 'Er is iets verdrietigs gebeurd. Juf Janneke is overleden.' En later die middag, toen ze haar nieuwe schoenen aanhad: 'Nu vind ik het niet meer erg van juf Janneke, want nu heb ik hele andere dingen in m'n hoofd.'

Maar vanavond kan ze niet slapen. Voor de tweede keer komt ze uit bed, nadat ze de eerste keer al een glas warme melk heeft gedronken. Haar gezicht staat zorgelijk. Ze zegt dat ze niet weet wat er in haar hoofd zit, niet weet waar ze over piekert. Het is te groot kennelijk. Maar ze wil wel met mama bellen. Dat doet ze dan ook uitgebreid. En dan komt het toch weer op juf Janneke. Vandaag heeft ze bij haar foto in een stiltehoekje 'Dag juf' opgeschreven. Ze moest een beetje huilen, vertelt ze nu. Ze realiseert zich dat ze juf Janneke nooit meer kan zien. En dat voelt niet goed in haar buik.

Haar mama vertelt haar dat ze de foto in het hoekje ook gezien heeft en dat zij ook tranen in de ogen kreeg. Ze vertelt dat het helemaal niet gek is als je verdriet hebt als je naar een foto kijkt van iemand die je gekend hebt en die je nooit meer kunt zien.

Als het telefoongesprek is afgelopen, praat ze nog wat door over het verdriet en over doodgaan. 'Juf Janneke's hart is gestopt, denken ze. En toen is ze gevallen. En misschien heeft ze wel pijn gehad.' We leggen uit dat het ook kan dat je geen pijn meer voelt als je hart zo ineens stopt. 'Ze was pas 60', zegt ze dan, 'en jullie zijn ook 60.' Ze lijkt er mee te kunnen leven als we zeggen dat zoiets maar heel weinig gebeurt.

Het gesprek zal er nog wel eens op terugkomen, op onze leeftijd en op doodgaan. Een juf die je zelf ook voor de klas hebt gehad, ook al is het niet vaak, komt wel erg dichtbij. En dood betekent dat je iemand nooit meer kunt zien.

Ik heb dit stukje bijna af en loop nog even naar haar bed. Nu slaapt ze lekker. Maar klaar is ze er nog niet mee.

16-4-2008

Biobrandstof: volle tank, lege maag?

Een paar jaar geleden zag ik het gebeuren: een diesel werd met zonnebloemolie van de Aldi volgetankt. Nog eerder, in 1991, kwam ik het in Brazilië tegen: auto's met een grote brandstoftank voor alcohol, en daarnaast een klein tweelitertankje voor benzine. De benzine werd daar toen al in veel auto's alleen nog maar gebruikt om de motor te starten.

Inmiddels bouwt onze wereld in gestaag tempo aan het biobrandstofproject, brandstof bijvoorbeeld uit maïs. Als ik de ontwikkelingen, zoals die in het nieuws zijn, goed begrijp, worden er zelfs oerbossen gekapt om landbouwgronden te winnen. Een nieuwe industrie wordt bijna wereldwijd uit de grond gestampt. Je moet wat over hebben voor een volle tank, nietwaar?

Ik hoor geluiden als zou die volle tank belangrijker zijn dan de wereldwijde honger. Onze volle tank zou elders een lege maag impliceren. Laten we eerlijk zijn: Als we zouden willen, zouden we de honger de wereld uit kunnen helpen en nog op korte termijn ook. Maar we willen het niet, want onze prioriteiten liggen anders. We voelen ons kennelijk niet verantwoordelijk voor hen die sterven van de honger. Ieder voor zich dus, en God voor ons allen. In dat plaatje past het helemaal: een volle tank is belangrijker dan een lege maag.

Maar ergens knaagt het in me en heb ik het gevoel dat onze keuzes vroeger of later als een boemerang naar ons zullen terugkomen.

13-4-2008

Schizofrenie en softdrugs

Dezer dagen was ik in een gezelschap waar het in het gesprek plotseling over schizofrenie ging. Dat is een chronische psychotische stoornis met veelal een soort knik in de levenslijn, denkstoornissen, wanen en/of hallucinaties, verlies van gevoelscontact, vervlakking en dikwijls afnemende zelfverzorging. De ziekte wordt gekenmerkt door zogenaamde Schubs, periodes waarin de klachten plotseling met hernieuwde heftigheid de kop opsteken. Deze Schubs komen tegenwoordig bij patiënten (veel) minder frequent voor dan vroeger, omdat de huidige medicatie het oplaaien van de ziekte dikwijls behoorlijk weet in te perken. Dat is maar goed ook, want bij veel patiënten leidt zo'n nieuwe ziekte-episode tot een stukje blijvende terugval van het functioneren.

Over de aan schizofrenie verwante kwalen, die vaak minder verstrekkende gevolgen hebben, wil ik hier niet uitweiden.

Mijn werkzame leven heb ik als Riagg-hulpverlener in de psychiatrie doorgebracht. Ik heb heel wat cliënten met schizofrenie vaak langdurig en herhaald begeleid. Al heel snel is mij daarbij het risico van softdrugs opgevallen, van hasj met name. Ik was altijd verbaasd dat voor die risico's, die ik keer op keer bewaarheid zag worden, in bijvoorbeeld de media geen aandacht was. Pas de laatste reeks jaren is daarin enige verandering gekomen. Wat ik zag was hoe met name tieners, jongens en meisjes, na softdrugsgebruik terecht kwamen in zo'n eerste schizofrene Schub. Als je dat een aantal keren op rij gezien hebt, ga je vanzelf een link leggen. Mijn interpretatie is dan ook dat schizofrenie, als het al niet kan ontstaan door gebruik van softdrugs, in elk geval door dat gebruik kan worden uitgelokt. Ik bedoel daarmee dat er een erfelijke factor aanwezig kan zijn die extra gevoelig maakt voor het tot ontwikkeling komen van deze ziekte, zonder de noodzaak dat de ziekte ooit tot een uitbraak komt. Het leek en lijkt mij dat softdrugs, zelfs al het allereerste gebruik, die gevoeligheid in de genen kan aangrijpen om zo'n sluimerende kwaal acuut tot leven te wekken.

In het gesprek in ons gezelschap bracht iemand mijn ervaringen hiermee ter sprake. En opnieuw bleek dat men oprecht verbaasd reageerde op deze onvermoede risico's van softdrugs. 'Dan zou daar toch veel meer bekendheid aan gegeven moeten worden?', zei een van de aanwezigen. Op dat moment heb ik mijn agenda gepakt om aan te tekenen dat ik dit stukje wilde schrijven.

29-3-2008

La stanza del figlio

Ik zag 'La stanza del figlio' (de kamer van de zoon) van Nanni Moretti, die zelf de hoofdrol speelt als psychotherapeut Giovanni en vader in een gezin met twee tienerkinderen. Op een dag gaat hij op weg naar een spoedgeval en de zoon, Andrea, besluit om te gaan duiken nu het samen met vader joggen niet door kan gaan. Hij overlijdt door complicaties bij dat duiken. De film focust op de verwerking, op hoe ieder van de gezinsleden zijn of haar Trauerarbeit doorworstelt en laat zien hoe eenzaam en afgeschermd verwerking kan zijn. Dan komt er een brief van een onbekend vakantievriendinnetje van Andrea. Eerst wil ze geen contact als ze hoort dat haar geliefde dood is, maar later staat ze toch ineens op de stoep, samen met haar nieuwe liefde. Ze zijn op pad voor vakantie en willen liften naar Frankrijk. Het gezin helpt ze op weg.

Aanbevolen!

22-3-2008 (2)

Not without my daughter

Gisteren zag ik deze verfilming uit 1990 (regie Brian Gilbert) van het gelijknamige autobiografische boek van Betty Mahmoody (1986). Het boek is in Nederland uitgekomen onder de titel 'In een sluier gevangen'.

We zien een gezinnetje in Amerika, vader (Moody), moeder (Betty) en dochter van vijf, later zes (Mahtob). Alleen vader is van Iraanse komaf, maar studeerde in Amerika en werkt daar als ziekenhuisarts. Hij voelt zich door collega's gediscrimineerd en wordt uiteindelijk, naar zijn zeggen, ook ontslagen. In 1984, tegen dat ontslag aanhangend, haalt hij zijn vrouw over tot een familiebezoek in Iran, maar is in feite van plan met zijn gezin samen daar definitief terug te keren. Hij liegt haar daarover voor, zwerend op de koran. Eenmaal onder invloed van zijn familie en cultuur ontpopt hij zich als een tiran, voor wie slechts het geloof, de cultuur en de verwachtingen van de familie gelden en hij eist van Betty en Mahtob dat ze zich aanpassen, waarbij hij niet schroomt mentaal en fysiek geweld te gebruiken. Religieuze en/of politieke belangen prevaleren hierin systematisch boven het persoonlijke belang van vrouw en dochter. Hij neemt haar haar paspoort af en gijzelt haar daarmee in Iran. Als ze terug zou willen, zou dat, ook al gezien de Iraanse wetgeving, zonder hun dochter moeten. Na een lijdensweg van gevangenschap en mishandeling van anderhalf jaar weten Betty en Mahtob uiteindelijk naar Turkije te vluchten. In het eindshot van de film komen ze aan bij de Amerikaanse ambassade daar.

'Not without mij daughter' is een indrukwekkende verfilming van een helaas waar gebeurd verhaal. Het is het verhaal van één kant. Ik kan niet beoordelen in hoeverre het geloof (de islam) verantwoordelijk gesteld kan worden voor het wangedrag van Moody. Wat in de film naar voren komt, lijkt eigenlijk niet op geloof, maar heeft meer met politiek van doen, met een politiek van enerzijds schone schijn en goede bedoelingen en anderzijds repressie en mishandeling. Heel scherp komt de onderdrukking van de vrouw in deze cultuur naar voren. Ik las ergens dat Moody een paar jaar na het uitkomen van Betty's boek een documentaire maakte, waarin hij zijn verhaal doet. Ik zou dat verhaal graag ook horen.

22-3-2008

Zuid Afrika, vier jaar later

In 'Zuid-Afrika, tien jaar democratie' schreef ik over mijn ervaringen in dit land van vier jaar geleden. Inmiddels waren we terug en deden we nieuwe ervaringen op. Ditmaal maakten we een rondreis van zo'n 3000 kilometer door het noordoosten van het land, waren we vier nachten in het Krügerpark en ten slotte nog vier nachten bij onze familie daar.

Wat een mooi land is Zuid-Afrika, wat een ruimte en wat een licht! En die blauwe luchten met soms prachtige stapelwolken. Ook ditmaal viel de vriendelijkheid van de mensen op en dat ze tijd hebben. Ook nu draaide het allemaal om geld. Maar wat wil je? Ik hoor het verhaal van een zwarte beveiligingsbeambte die van 19 tot 07 uur dienst doet bij het appartementencomplex waar we een paar nachten verblijven. Hij klaagt dat hij niet verder komt, dat hij zich 'er' niet bovenuit weet te werken. Zevenentwintig is-ie en hij heeft een vrouw en twee kinderen. Het bedrijf betaalt hem als vakantiewerker, ook al is hij al veel langer in dienst. Zo houdt het bedrijf z'n kosten laag. Hij verdient 1200 rand per maand, zo'n 100 euro dus, en daarvoor werkt hij 25 nachten van 12 uur. Het is februari als we hem treffen. Deze maand heeft hij vier nachten vrijaf. Hij heeft idealen, deze vriendelijke jongeman. Hij zou willen studeren, chemie. Maar hij weet zich er dus niet bovenuit te werken. En wat wil je ook, want wat moet je in je mars hebben om je hieruit los te kunnen werken? Het is me zwaar te moede: is dit dan geen slavernij?

Het dagelijkse levensonderhoud kost hier voor ons, West-Europeanen, gemiddeld misschien de helft van wat we gewend zijn, in de horeca veelal minder. Om dan met een gezin van 100 euro een maand lang te moeten rondkomen ... Het voelt beschamend om hier als westerling geld uit de muur te trekken en uit te geven. Terug in Nederland zit ik met nog een paar duizend randen in m'n portemonnee. Ik vind iemand die binnenkort naar Zuid-Afrika gaat, naar familie die daar in de hulpverlening zit, en ik geef het mee voor zo iemand als de nachtwaker die we spraken. Maar of het helpt het schuldgevoel de baas te worden? Wat is een druppel op een gloeiende plaat? 'Dat mag geen argument zijn om iets niet te doen', zei een jonge vrouw die ik vanavond sprak. Hoe afgestompt ben ik?

Een dominee is na zijn pensionering een soort hotelletje begonnen. 'Ik geloof dat we hier een opdracht hebben', vertrouwt hij me toe. En hij vertelt hoe veel meer mensen hier na hun pensionering een andere job beginnen, iets voor zichzelf. Ik interpreteer dat het pensioen kennelijk niet toereikend is, maar check mijn invulling niet. De volgende morgen is de man van streek. Hij heeft net bericht van overlijden van een familielid gehad. Hij is gevraagd voor de begrafenis. Hij en zijn vrouw zijn hartelijke mensen. Je voelt de liefde waarmee ze hun ding doen, zoals dat tegenwoordig heet. Mooi is dat. Als we afscheid nemen, omarmen ze elkaar. Samen zwaaien ze ons uit.

In Bundu Lodge in het Panoramagebied worden we een uur na aankomst spontaan door de beheerder uitgenodigd voor een drive in zijn open Landrover door de aan het park grenzende particuliere wildtuin. Ik voel me ontroerd door de vanzelfsprekendheid waarmee hij zonder tegenprestatie te vragen ons minstens een uur rondrijdt en vertelt over de natuur en de dieren in deze tuin. Bestaat belangeloosheid? Gaat het om het promoten van het park? Is hij uit op een fooi? Als we die de volgende morgen geven, neemt hij die toch aan, terwijl mijn gevoel me zegt dat wat hij ons gaf en hoe hij dat deed, onbetaalbaar is. En is het niet zo dat alles wat van echte waarde is, om niet gegeven wordt? Hij voelt het anders dan ik, die denk dat een fooi als een belediging zou kunnen worden opgevat.

In het Krügerpark hebben we het aan de stok met bavianen, die uit zijn op ons voedsel. Na een zogenaamde Game Drive, een tour door het park in de vroege morgen rond zonsopkomst, blijken ze in onze uit tentdoek opgetrokken huisjes te hebben ingebroken. In elk huisje is één insectenwerend 'venster' dat met klittenband te openen is. Ze weten kennelijk exact waar ze naar binnen kunnen. Ze zijn uit geweest op voedsel, dat ze veelal ter plekke genuttigd hebben. Ook van dropjes zijn ze, zo te zien, niet vies. In één van de douches treffen we een cobra en we zijn getuige van hoe parkpersoneel probeert het dier te vangen. Het verschuilt zich en wordt uiteindelijk niet gevonden. De volgende morgen kunnen we getuige zijn van het binnenvallen van de bavianen. Een grote met een kleintje op de rug komt naar ons huisje toe. Ze tilt de deksel van de vuilnisbak op en constateert dat die ditmaal is leeggebleven. Schijnbaar trekt ze daaruit de conclusie dat in dit huisje niets te halen valt. Op het dak van een ander huisje vliegen een aantal apen heen en weer.

Op onze laatste dag doen we 'toeristisch Soweto' en het Apartheidsmuseum. Het museum maakt diepe indruk op me. De één krijgt een kaartje als blanke, de andere als zwarte. De ingangen zijn gescheiden. Zo was het en zo is het hier even opnieuw en als zwarte kom je de ingang voor blanken niet in! En binnen: hoe erg het is geweest! Sommige beelden benemen me de adem en doen me de tranen over de wangen rollen. Wat een onrecht! Sinds veertien jaar is er democratie in dit land. Blanken vinden dat zwarten worden voorgetrokken als het gaat om de toedeling van banen en dergelijke. Sommige zwarten zijn gewelddadig crimineel. Maar is dat vreemd in een land met deze geschiedenis? En nog: is het niet even erg als apartheid als een 27-jarige huisvader klaagt dat hij 'er' zich niet bovenuit kan werken? Als één ding duidelijk is, is dat dat dit land nog een lange weg te gaan heeft, een weg waarop miljoenen mensen hun lessen zullen moeten leren. En dan ineens, als je er zo tegenaan kijkt, is er nauwelijks verschil. Ook hier, in eigen land, liggen de lessen voor het oprapen. Ook hier liggen de verhoudingen scheef. Ook hier deugt de verdeling niet. En te midden van dit alles bloeit er, zowel daar als hier, af en toe iets goeds op en is er ontwikkeling en groei naar een wereld zoals die bedoeld is.

16-2-2008

School afgebrand (3)

We zijn nu vier weken na de brand. De kinderen hebben alweer bijna twee weken les gehad in de inderhaast opgebouwde noodschool. Onze kleindochters zijn er dik tevreden mee, alhoewel de oudste, Kyra, die slechthorend is, meer mist doordat het gebouw nogal weerklinkt. Eigenlijk zou ze niet in een noodgebouw moeten zitten. Het audiologisch centrum heeft inmiddels contact met de school om te bezien of een microfoontje op de juf en een daarop aangesloten ringleiding haar wat helpen kan.

Vandaag waren we een dagje uit en de jongste kleindochter, Naomi, van vijf, was met ons mee. Vroeg in de avond reden we naar huis terug. Het avondrood na deze lichte dag kleurde de hemel. Langdurig babbelde ze over de brand en de gebeurtenissen daarna. Ook over de vermoedelijke daders, die nog vast zitten, vier zeventienjarige knapen. De politie meldde overigens te verwachten nog meer aanhoudingen te zullen verrichten. Ze meende dat ze allemaal wel een uur de gevangenis in zouden moeten en, toen haar dat kennelijk toch wat te kort leek, maakte ze er maar een jaar van. Ze projecteerde waarschijnlijk haar eigen gevoelens op de juffen en meester toen ze opsomde welke vier juffen en welke meester ze allemaal had zien huilen. De verloren gegane werkjes kwamen aan de orde en hoe ze had gezien dat werkmannen heel voorzichtig de muren van de school onderuit haalden. En ook dat het buitenspeelgoed, dat in een apart gebouwtje zou hebben gestaan, nu bij de noodschool gewoon weer in gebruik was genomen en weer een eigen gebouwtje gekregen had. Dat haar eigen klas helemaal was uitgebrand, dat er niets meer over was, dat het dak weg was en alles zwart geblakerd. Hardop vroeg ze zich af hoe die jongens de brand toch aan hadden kunnen krijgen. Ze dacht dat ze wel een lucifer op het dak gegooid zouden hebben. En ze meende dat er nu dag en nacht nog een politieman was om goed op te letten en dat hij alleen om eten te gaan kopen soms heel even weg was, maar dat er dan wel andere mannen op zouden letten. Nee, onze meiden zijn de angst, met name als het bedtijd wordt, nog niet te boven. Sinds de brand slapen ze de nachten die ze bij ons logeren als hun moeder werkt, samen op één kamer en ze zijn er nog helemaal niet aan toe om daarmee te stoppen.

Ik heb in de weken dat de noodschool werd opgebouwd daar geregeld eens om de hoek gekeken. Soms sprongen me de tranen in de ogen als ik zag hoeveel mannen daarbij betrokken waren en hoeveel manuren daarmee gemoeid. Het prikte me om na het vorige weekend te zien dat waarschijnlijk onder invloed verkerende jeugd ter plekke alweer vernielingen had aangericht. Goede krachten lokken kwade krachten uit en andersom. Ze horen bij elkaar. Zo werkt het nu eenmaal.

10-2-2008

Claudia Schreiber en de stalkende God

Op uitzendinggemist.nl zag ik het eerder vandaag uitgezonden programma 'Het Vermoeden' met als gast Claudia Schreiber (1958). Claudia schreef het autobiografische 'Haar vaste begeleider', waarmee ze God bedoelt. Het boek doet denken aan Jan Siebelinks 'Knielen op een bed violen'. Claudia beschrijft verschillende episodes uit haar leven, met Johanna in de hoofdrol.

Daar is de stalkende God, die alles controleert en beoordeelt, van wie haar vriendje niet aan haar mag komen, die haar geen privacy laat en een soort verlengde arm is van het ouderlijke toezicht. Johanna vermoordt deze God uiteindelijk om aan zijn gretige blikken te ontkomen.

Vanaf dan leeft ze met vragen. Ze stelt zich een God voor voor wie onze wereld moeilijk is, die pijn in de rug krijgt van alle problemen die wij maken. Ze masseert die rug om de pijn te verlichten. Zo komt ze tot een soort omgekeerd 'Onze Vader':

Mijn mens, die je bent op de aarde
iedereen van jullie is Mij heilig.
Jouw hemel moge ontstaan,
jouw wil geschiede
tijdens je leven op aarde.
Zorg zelf voor je dagelijks brood
en bescherm het brood van je naaste in alle
rechtvaardigheid, samen lukt het jullie wel.
Schenk elkaar vergiffenis.
Schuif je verantwoordelijkheid niet af op een ander,
want je hebt kracht genoeg om goed te zijn.
Mens, wees eindelijk blij met wat je hebt
en wees voortreffelijk in alle eeuwigheid.
Zo moet het zijn.

Voor Claudia geeft God de verantwoordelijkheid dus terug, ook al weet ze niet of Hij bestaat. Ze ziet haar hele verhaal als een liefde, haar liefdesgeschiedenis met God, die uiteindelijk op een scheiding moet uitlopen. Daarin overwint ze haar angsten en vindt ze vrijheid. Daar hoort zegen bij:

Ik zegen je,
maar ik behoed je niet meer.
Ik laat mijn aangezicht op je lichten,
maar van nu af aan ben je jezelf genadig.
Ik verhef mijn aangezicht over je
en schenk je vrede.

3-2-2008

Het wilsbesluit

Ik las het verhaal 'De man die op één been stond'. Mijn werkzame leven lang ben ik hulpverlener geweest. Al in mijn opleidingstijd werd me te verstaan gegeven dat ik te zeer oplossingsgericht probeerde te zijn en wellicht heb ook ik af en toe veel te ingewikkeld gedacht. De boerin in het verhaal had haar leven lang vooral geluisterd naar de liefdevolle lessen van moeder Aarde. Zij voelde feilloos aan wat er niet mét, maar ín de man gebeuren moest.

Stufkens betoogt dat dat ene been, het standbeen, het ego is, star en bang voor verandering. Het ego dat ons op onze plaats houdt en dat anderen mobiliseert in dienst van onze obsessies te treden, waarmee we zelf het middelpunt van de wereld worden. Velen zitten in zo'n egokramp gevangen. Het gaan gebruiken van het tweede been is in Stufkens betoog de stap van egocentriciteit naar liefde.

Als ik het verhaal op me in laat werken, komen me mensen voor de geest met wat heet een persoonlijkheidsstoornis, afhankelijk en narcistisch. Stufkens gaat vooral door op het narcistische, ik zie vooral de elementen van afhankelijkheid. Een afhankelijke structuur leidt gemakkelijk tot verslavingsproblemen. De keuze om slechts op één been te kunnen, te willen staan, kan een gewoonte zijn die tot verslaving werd en gemakkelijk voortkomen uit afhankelijkheid. Als mens zijn we allen in afhankelijkheid geboren en opgegroeid en niet elke ouder beschikt over de pedagogische kwaliteiten die nodig zijn om een kind te helpen z'n afhankelijkheid op te geven en het tweede been onder het eigen leven te zetten. In hun opvoeding hebben velen geleerd dat wat uit henzelf voortkomt, elk eigen initiatief, het (grote) risico loopt afgekeurd en afgewezen te worden. Dat kan zomaar geleid hebben tot een basisgevoel van 'niet te deugen'. Je kunt te ambivalent aan je ouders of aan één van hen gebonden zijn en in die tegenstrijdige gevoelens verzanden. Je kunt je richten op het altijd maar weer aan verwachtingen willen voldoen en jezelf daarin verstikken en uiteindelijk elimineren.

In het verhaal heeft iedereen wat te bieden, maar alleen de boerin spreekt de man aan vanuit haar hart. Als je leeft vanuit je hart, liggen antwoorden en kansen voor het oprapen, maar als je je hart blokkeert, ben je levend dood en verlies je zowel jezelf als de ander uit zicht. In die situatie is er maar één weg die tot een oplossing leiden kan, die van het wilsbesluit. Uiteindelijk kan ieder mens, hoe ver het ook gekomen is, tot een besluit komen, een wilsbesluit. Dan gaat het tweede been eronder, dan houdt de pas op de plaats op en komt er beweging in de richting van het hart. Zo'n boerin, gewend om het hart te volgen, kan niet meer dan een wegwijzer zijn in de richting van zo'n wilsbesluit.

24-1-2008

School afgebrand (2)

We zijn een dag of vijf verder. Ik pas op voor mijn dochter. Aan haar eettafel lees ik de krant. Ik denk dat de meiden diep in slaap zijn. Maar dan ineens gaat de deur open en staat Kyra, de oudste, voor m'n neus. 'Mijn ogen zijn wijd open', zegt ze. 'Ik ben veel te fit en daarom kan ik niet slapen.' Ik vraag haar haar sloffen aan te trekken, zodat ze geen koude voeten zal krijgen. Maar die zijn zoek, zo begrijp ik. Omdat ze last heeft van de ene voet, trekt ze alleen aan de ander een schoen aan. Ze gaat zitten waar ik zat en ik maak een halve beker melk voor haar warm. Ik ga tegenover haar zitten en kijk naar haar. Ze zegt dat ik de krant maar andersom moet leggen en dat doe ik. Wat zijn de zeven jaar sinds ze geboren werd snel gegaan!

Ik voel het komen: ze begint over de school die momenteel afgebroken wordt. Ze vindt dat het voor juf nog veel verdrietiger is dat de school is afgebrand dan voor de kinderen, want juf is een heel bureau met allemaal pennen en schriften en papieren en stickers kwijt. Maar een brandweerman heeft haar fotoboek nog voor haar gered, zo begrijp ik. Dat is beter dan het plakboek van Naomi, haar zusje van vijf. Dat is verbrand. Hoe dat nou moet, vraagt ze zich af. Want zelf heeft ze wel haar plakboek van de kleutergroepen, maar Naomi is het nu dus kwijt. Ze vertelt over de klas waar ze vandaag voor het eerst is geweest, na drie onverwachte vrije dagen. Over wat daar is en wat er allemaal ontbreekt. Ze schrijven met een potlood, begrijp ik, op vellen papier. Ze begint over de oude school en dat ze vanachter de hekken heeft gezien hoe alles wordt opgeruimd en hoe de muren omlaag gehaald worden. Ze babbelt maar door, maar allemaal over de brand die is geweest en de gevolgen.

Ze zit nu in de school die naast haar eigen school staat, de openbare. Na volgende week verhuizen ze weer, naar een nog te bouwen noodschool op een veldje verderop. Voor de rest van het schooljaar is de eigen school helemaal buiten gebruik. Over hoe groot of hoe klein de kans is dat de school waar ze nu in zit ook zal afbranden, heeft ze het. En dat haar mama heeft gezegd dat die kans maar heel klein is. Ze maakt er een gebaar met twee vingers bij, waartussen maar een heel klein beetje ruimte. Het is duidelijk waarom ze de slaap niet kan vatten.

Een halfuur babbelt ze door, alsmaar over de brand en daarna. Pas dan is er genoeg gezegd en begint ze een paar woorden uit de krant te lezen. Die ligt voor haar ondersteboven. 'School moet ...' leest ze. Maar het volgende woord, leerling, is kennelijk nog net te moeilijk. 'School moet leerling met taalgebruik confronteren', staat er en op de foto leest premier Balkenende voor op het kinderdagverblijf Kapoentje. Dat is in het kader van het nationaal voorleesontbijt, zo zie ik. Gek dat ik daar nooit van gehoord heb. Ze vraagt of ze bij me op schoot mag zitten en ze kruipt lekker tegen me aan. Dan breng ik haar weer naar boven en ditmaal valt ze vlot in slaap.

21-1-2008

Être et avoir

Être et avoir (Zijn en hebben) is een film van Nicolas Philibert met in de hoofdrol Georges Lopez. Gedurende het laatste halfjaar voor zijn pensionering worden de dorpsonderwijzer (op het Franse platteland) en zijn leerlingen gevolgd. Ik vind het een film met een ijzersterke pedagogische les. De onderwijzer valt nooit uit, gaat in elke situatie rustig het contact met de kinderen aan en munt uit in geduld in en liefde voor zijn werk. Tijdens het kijken naar de film, moest ik denken aan de kleuterjuf van mijn zoon, die begon te fluisteren zodra er oplettendheid van de kinderen werd verwacht. Ook dat werkte! Ik was op sommige momenten tot tranen toe geroerd door deze film. Wat mij betreft een aanrader!

19-1-2008

School afgebrand

Vannacht was dus inderdaad de school van mijn kleindochters aan de beurt. Mijn dochter had het al gevreesd, omdat er een soort containerlokaal vlak tegen de school aan geplaatst is. De voorbije weken is hier ter plaatse al viermaal brand uitgebroken in speelzalen en scholen. Al bijtijds vanmorgen las mijn vrouw van deze jongste brand op teletekst van SBS6, dat altijd verzot is op branden. Ik heb me meteen aangekleed om te gaan kijken. Ik kom daar regelmatig om de meiden van school te halen of ernaartoe te brengen. Ze gingen met veel plezier altijd en ik was daar gelukkig mee.

Triest was toen de aanblik. Als leek zou ik inderdaad zeggen dat de brand in of aan het containerlokaal begonnen is. De hal waar onze kleinkinderen naar binnen gingen, bleek verloren, evenals het lokaal van onze jongste kleindochter. Ik schatte dat misschien wel de helft van de school voorlopig aan het gebruik onttrokken zal zijn.

Hoe vertel je het je kinderen? De school is voor hen toch een soort tweede thuishaven en behoort als zodanig een veilige plek te zijn. Je kunt er dus van uitgaan dat zo'n brand iets met hun basisvertrouwen zal doen. In elk geval van onze jongste zijn persoonlijke bezittingen verloren gegaan. De verhalen van de eerdere branden zijn onze kleindochters ook al niet ontgaan. Ze waren wellicht daardoor de laatste tijd ineens bang voor inbrekers. Op het plaatselijke tv-kanaal vertelde een moeder dat de speelzaal van haar jongste onlangs is uitgebrand en nu dus ook de school van de oudste. Onze oudste kleindochter moest huilen toen ze het nieuws hoorde, de jongste hield zich maar vast aan wat haar moeder erbij vertelde, dat de lokalen wel weer opgebouwd zouden worden en dat er weer nieuwe stoeltjes zouden komen.

De brand is dus wellicht aangestoken. Pyromanie komt vooral bij mannen voor. Het is een ziekelijke impulscontrolestoornis met sterke lustgevoelens met eventueel ook bevrediging tijdens het stichten van de brand of het kijken ernaar. Als er eenmaal brand is gesticht, komen de daaropvolgende branden veelal op dwangmatige wijze tot stand. Pyromanen zijn op een bepaalde wijze ziek en hebben behandeling nodig. Dat is wat anders dan veroordeling. En veroordelingen vind ik genoeg in de reacties op de site van de plaatselijke krant en in mindere mate ook die van de school zelf. Dat is jammer.

Er is nog iets. Zoiets donkers als een wellicht aangestoken brand roept van alles op, bij iedereen die erbij betrokken is. Er gebeurt wat als er wat gebeurt. Ik wil hopen dat er veel goede dingen zullen gebeuren de komende tijd. Dat gun ik mijn kleindochters en al die kinderen en hun juffen en meesters.

14-1-2008

Bestaat belangeloosheid wel?

Wat voor werk kiezen we en welke liefhebberijen? Welk werk ís liefhebberij? En als we iets kiezen waarmee we medemensen dienen, is dat dan voor de ander of kiezen we in zulke situaties ook voor onszelf? Hoe zit het met mensen die een roeping hebben en die het ontwikkelingswerk, de missie, de hulpverlening of het onderwijs in gaan? Hoe zit het met mantelzorgers en anderen die hun energie en capaciteiten gemakkelijk buiten zichzelf ten goede doen komen? Hoe zat en zit het met mezelf?

In mijn eigen omgeving ken ik meerdere mensen die aan geloofszending doen. Dat is een vorm van hulpverlening die in kerkelijke kring veelvuldig voorkomt en waarnaar in mijn tienerjaren en iets later ook mijn hart wel is uitgegaan. Velen voelen of weten zich tot dit soort taken geroepen. Vaak wordt hun zending, of 'bediening', zoals het ook wel wordt genoemd, gecombineerd met andere, praktische hulpverlening. Deze andere taken zijn dan veelal primair, de geloofszending secundair. Overigens: doe ikzelf op eigen wijze niet ook aan geloofszending?

Waarom kiezen mensen zo'n dienende levensinvulling of welke levensinvulling dan ook? Is dat omdat ze alleen maar te geven hebben? Is het dus belangeloos? Die vraag kan natuurlijk dan pas beantwoord worden als we zouden weten wat de betrokkenen zouden doen als ze zouden kiezen voor zichzelf. Dit soort keuzes om energie en capaciteiten op anderen te richten, komen echter meestal in min of meer onbewuste intrapsychische processen tot stand. Elk antwoord zal dus gewogen moeten worden op de schaal van bewustzijn en bewustwording wat betreft de persoonlijke drijfveren. Overigens denk ik dat mensen doorgaans primair kiezen vanuit en voor zichzelf en in dat geval de anderen, degenen op wie hun bediening is gericht, dus óók gebruiken om eigen doelen te verwezenlijken. In die visie ga ik misschien vooral uit van mijn persoonlijke ervaringen en mijn eigen interpretaties van wat ik waarneem bij 'soortgenoten'. Ieder mens heeft verlangens en behoeften en van nature zoeken we allemaal naar een invulling daarvoor, ook in werk en liefhebberij. Ik sluit mezelf daarvan dus niet uit. Als Riagg-hulpverlener ben ook ik jarenlang op zoek geweest mezelf te leren helpen, had ik het nodig om belangrijk te zijn, had ook ik m'n reddersfantasieën. Ik had mijn beroepskeuze dus nodig. Bij mezelf naar binnen kijkend herken ik veel als het gaat om de onmogelijkheid van belangeloosheid. Natuurlijk heb ik mensen geholpen, soms nog heel goed ook! Natuurlijk heb ik van mezelf aan 'mijn' mensen gegeven, soms ook nog meer dan van me verwacht of gevraagd werd. Natuurlijk wilde ik graag van wezenlijke waarde voor mijn cliënten zijn. Maar was het niet ook omdat ik niet zo'n erg hoge dunk had van mezelf dat ik dit beroep koos? Ontleende ik aan de waardering van mijn cliënten en collega's niet ook een stuk zelfwaardering waar ik zo dringend naar op zoek was? Koos ik mijn werk primair om van mezelf te geven of omdat ik vooral te geven had? Nee, als ik terugkijk was mijn oorspronkelijke keuze gericht op mezelf, op het verwerven van gevoel van eigenwaarde, op het mezelf leren begrijpen en accepteren. Dat lukte me nu eenmaal beter in het waarderen, begrijpen en accepteren van de anderen. Daarom koos ik die weg. Ik ben voor eerlijkheid. Was mijn hulpverlening belangeloos? Nee, want ik diende daarin naast het belang van anderen ook en in beginsel misschien zelfs vooral mijn eigen belang.

Natuurlijk kan het zo zijn dat anderen minder aan zichzelf te sleutelen hebben dan ik had en heb, dat ze vanuit oorsprong en opvoeding of misschien gewoon van nature gemakkelijker harmonie vinden in zichzelf. Toch merk ik dat ik blijf denken dat ook anderen, ook zij met een roeping in zending, missie of ontwikkelingshulp, hun werk niet zonder eigenbelang doen. Vorige week werd me gevraagd naar wat ik dan dacht te kunnen met een antwoord op de vraag of belangeloosheid al dan niet bestaat en werd me geadviseerd het maar bij mezelf te houden. Een ander met wie ik erover in gesprek ging, had over de narcistische krenking die het vragen naar de wezenlijk motivatie bij velen, met name met reddersfantasieën, zou kunnen teweegbrengen. Het is een gevoelig onderwerp kennelijk.

Ik moet denken aan begin zeventiger jaren toen ik als verpleegkundige op een psychiatrische afdeling werkte. Ik had net Foudraine's 'Wie is van hout' gelezen. In de kring aan de koffie wierp ik deze zelfde vraag naar wiens belang we daar nu eigenlijk aan het dienen waren bij mijn collega's op. Zoeken we misschien niet vooral onszelf te helpen, zo vroeg ik me hardop af. Er zat een psychiater naast me. Hij boog zich naar me toe, legde een wijsvinger over z'n lippen, maakte een sissend geluid en fluisterde: 'Dat doet er allemaal niet toe, als het maar werkt!'

Is het vreemd dat het zoeken naar een antwoord op zo'n vraag ook nu weer bij me terugkeert? Waarom doen mensen wat ze doen? Waarom, met welk wezenlijk oogmerk, doe ik mijn ding? Voor mij is het duidelijk: als ik uitspring, boven het maaiveld uitkom, actief word, me poneer en manifesteer, word ik door mijn neuroses gedreven en ben ik dus bezig aan verwerking en uitwerking van tekorten en verwrongenheden in mijn persoonlijkheid. Daar gaat het in de eerste plaats om, dat is mijn eerste belang, ook al wil ikzelf anders geloven. Laat ik het bij mezelf houden en niet wijzen naar degenen die mijn vragen naar hoe dat dan bij hen is, bij voorkeur negeren. Want is het niet dat ik (h)erkenning zoek bij anderen? Sst ... fluisterde een psychiater 35 jaar geleden naar me, 'als het maar werkt'. 'Houd het maar bij jezelf', werd me deze week gezegd. Het moeten wel mijn persoonlijke neuroses zijn die me doen zoeken naar antwoorden op vragen die vele anderen niet willen of kunnen kennen. Is het dat ik de motivatie van anderen wil doorprikken? Wat doe ik precies, als mijn vragen te berde breng? Is het dan waar dat we als mensen, als we onze neuroses een eind weegs hebben geneutraliseerd, improductief worden, dat alles wat tot stand wordt gebracht dat doet bij de gratie van persoonlijke tekorten en daaruit voortkomende drijfveren? Ik denk dat het zo is. En misschien ook weer niet dat alleen. Want er is ook nog iets als het op wezenlijke momenten, als het er op aan komt, kunnen uitstijgen boven jezelf en vervuld worden van energie en misschien wel liefde die het bevattingsvermogen te boven gaat. Ik heb dat gezien bij anderen en een enkele keer misschien ook bij mezelf.