Fotograferen en instellingen

We kennen diverse cameratypes.
- De (geavanceerde) compactcamera's hebben doorgaans wat minder zoombereik, maar een betere fotokwaliteit.
- De travelzoomcamera is compact en heeft meer zoombereik.
- De superzoomcamera heeft meer dan 20x zoom en is wat groter.
- De outdoorcamera, sterk in opkomst, is stof- en waterdicht en kan tegen een stootje.
- De systeemcamera of spiegelreflexcamera, vooral geschikt voor de gevorderde fotograaf.
- De kleine systeemcamera.

Een aantal begrippen is bij fotografie belangrijk:
1. Het diafragma (de lensopening, F-number, vergelijk met de pupil van het oog, de lichtsterkte van de lens): Gebruikelijke diafragmawaarden of diafragmagetallen, ook wel F-getallen of F-waardes genoemd, zijn 1,4 - 2 - 2,8 - 4 - 5,6 - 8 - 11 - 16 en 22. De stappen tussen deze waarden worden ook wel stops, klikken, standen of exposure value (EV) genoemd. Iedere stop komt overeen met een factor 2 qua oppervlakte van de diafragmaopening, en dus met de helft of het dubbele van de doorgelaten hoeveelheid licht. Hoe lager het getal, hoe groter de lensopening. Een hoge diafragmawaarde impliceert dus een kleine lensopening. (Het diafragmagetal van een lens is gelijk aan de brandpuntsafstand (f) gedeeld door de diameter van de diafragmaopening.)

2. De sluitertijd (exposure time): De tijd in seconden dat de lens licht doorlaat om de foto te maken. Gebruikelijk is tussen 1/25ste en 1/200ste seconde, in de sportfotografie nog korter. Een verdubbelde sluitertijd (van bijvoorbeeld 1/200ste naar 1/100ste seconde) laat dus dubbel zoveel licht door. Een volgende (oplopende) stap in de diafragmawaarden (bij punt 1) halveert de binnenkomende hoeveelheid licht bij dezelfde sluitertijd.

3. De lichtgevoeligheid (de ISO-waarde, speed ratings, in het filmtijdperk ook wel ASA-waarde genoemd): De gebruikelijke ISO-waarden zijn 50 - 100 - 200 - 400 - 800 - 1600 en 3200. Een stap naar rechts betekent steeds een halvering van de hoeveelheid benodigd licht, waardoor bij een stap naar rechts de sluitertijd (punt 2) kan halveren of de lensopening (punt 1) één waarde hoger kan worden ingesteld. Duidelijk zal zijn dat een juiste belichting wordt verkregen door een goed samenspel van deze drie waardes.

4. De brandpuntsafstand van een lens is de afstand in millimeters tussen het midden van de de lens en het punt waar invallende lichtstralen samenkomen na door de lens gebroken te zijn. Het beeld dat door de lens komt, wordt uiteindelijk opgevangen door een beeldchip. Tussen lens en beeldchip ligt het brandpunt (of de focus) van de lens. De brandpuntsafstand wordt aangegeven door de letter f. Een korte brandpuntsafstand (bijvoorbeeld 24 mm.) geeft een grote beeldhoek, dus 'breedbeeld'. Een lange brandpuntsafstand (bijvoorbeeld 240 mm.) geeft een (in dit geval precies tienmaal) ingezoomd beeld.

5. De scherptediepte is de diepte van de strook die de camera scherp kan afbeelden. Een korte brandpuntsafstand geeft een grotere scherptediepte dan een lange brandpuntsafstand. Hoe kleiner de diafragmaopening die gebruikt wordt (dat is hoe hoger het F-getal), hoe groter de scherptediepte.

Wat betekenen nu de cijfers bij de lens van een moderne compactcamera? Ik heb hier bijvoorbeeld een camera met de volgende aanduiding: 3,5-4,4/6,3-63. De eerste twee waardes zijn F-waardes. De digitale fotografie kent vele tussenliggende F-waardes. Bij in- en uitzoomen verandert die waarde voortdurend enigszins. De twee F-waardes 3,5-4,4/ geven aan dat bij de kleinste brandpuntafstand (de camera is dan geheel uitgezoomd) de opening van het diafragma maximaal 3,5 is en bij de grootste (de camera is dan geheel ingezoomd) maximaal 4,4. Een grotere lensopening kan deze camera niet bieden, een kleinere uiteraard wel. Bij de moderne camera's is de brandpuntsafstand bij de lens aangeven achter de / (bijvoorbeeld 3,5-4,4/6,3-63). In dit voorbeeld gaat het om een toestel met 10-maal zoom. Er is echter nog een probleem. Bij de brandpuntsafstand wordt uitgegaan van die van een (ouderwetse) camera met een 35 mm. film (135 film, dus met beelden van 24x36 mm.) en een 50 mm. normaallens erin. De waarde op de lens moet met een verlengingsfactor omgerekend worden om hiermee te kunnen vergelijken (cropfactor, field of view crop factor, FOVCF). Dit heeft te maken met het gegeven dat de beeldchip in de moderne camera vaak (veel) kleiner is dan 24x36 mm. De werkelijke brandpunten van de genoemde camera, dus afgemeten aan die ouderwetse camera, liggen in dit geval tussen 38 en 380 mm. Deze waardes worden meestal niet op het toestel, maar wel in de technische details vermeld.

Een compactcamera doet het meeste werk automatisch, zeker in de auto- of easystand. Toch zijn de verschillende waardes anders in te stellen of te manipuleren, belangrijk om juist die specifieke foto te kunnen maken. Experimenteren is dan onontbeerlijk.

Aankooptips:
1. Zoomlens minimaal brandpuntsafstand 28 mm. groothoek, liever nog 24 mm. Hoe kleiner de brandpuntsafstand hoe dichter je bijvoorbeeld bij een te fotograferen gebouw kunt komen (groothoeklens), hoe groter de brandpuntsafstand, hoe verder je in kunt zoomen (telelens).
2. Een hoog aantal megapixels is bij goedkopere compactcamera's vaak meer een nadeel dan een voordeel, omdat de (te kleine) beeldchip de hoeveelheid beeldpunten niet netjes weet te verwerken.
3. Houd de op het toestel vermelde F-waardes laag, maximaal F4.0 bijvoorbeeld.
4. Kies altijd voor optische zoom boven digitale zoom.
5. Een beeldstabilisatie helpt onscherpe foto's (met name telefoto's) tegen te gaan.
6. Een grotere beeldchip is duurder, maar heeft zeker de voorkeur.
7. Sommige toestellen hebben een High Dynamic Range optie (HDR). Er worden heel snel verschillende foto's met steeds verschillende belichting (liefst met een tussenruimte van 2 stops, dus bij drie opnames: 0, -2 en +2) na elkaar genomen en vervolgens 'over elkaar heen gelegd'. Alleen: toestellen die dit over elkaar heen leggen zelf doen, zijn er nog niet veel. In een bewerkingsprogramma dat daarvoor geschikt is, kun je zelf de foto uit de verschillende opnames 'componeren'. HDR doet 't goed bij natuurfotografie met contrasten, waarbij ook luchten betrokken zijn. Het onderwerp mag niet of nauwelijks bewegen.

Zie ook Fototips.