Op bezoek bij ...

Tien bijgewoonde kerkdiensten, 1996-1997

Zondag 1
Als we naar het pastoraal centrum toelopen, luidt Chris de klok. Het ritme wisselt en af en toe moet hij z'n armen even laten rusten.
Binnenkomend worden we meteen verwelkomd door de voorgangster van deze dienst. Ook een paar bewoners komen spontaan kennis met ons maken, vragen onze namen en schudden onze handen of schouders. Het publiek stroomt al vroeg binnen. Men begroet elkaar luidruchtig en sommigen gaan van de een naar de ander. In het middenpad worden bewoners in rolstoelen op hun plaats gezet. De 'Singing Birds', een muzikale driegeneratiefamilie uit Appingedam, laten hun vrolijk overkomende zang al horen onder begeleiding van pianospel en dwarsfluit van vader en dochter Richters. Intussen gaan de begroetingen door. Men grijpt elkaar bij de schouders of het gezicht en hier en daar zijn er spontane omhelzingen. Wie hiervan niet gediend is, slaat gewoon afwerend van zich af ... De tien-, hooguit twaalfjarige fluitiste wordt lastiggevallen door een jonger broertje, draait zich al doorfluitend om haar as, reageert kort in een adempauze van haar spel en laat zich letterlijk niet van de wijs brengen. Zoals alles hier gaat, beweegt ook zij zich heel soepel en natuurlijk.
Als de kaarsen zijn aangestoken - er zijn nog een paar late binnenkomers compleet met begroetingen - worden de 'Singing Birds' voorgesteld en dan vooral de oudste en de jongste van hen: opa en kleindochter. Het leidt tot allerlei spontane reacties en gelach.
Al in het drempelgebed is duidelijk dat het hier vanmorgen niet echt stil zal kunnen worden: 'God, hier zijn we ...'
Dan wordt gememoreerd dat Chris de klokken heeft geluid en volgt het eerste lied: 'Hoor, de klokken luiden.' En 'Hier is iedereen in tel, bim bam bom, dat weet je wel. Niemand meer en niemand minder ... Bim bam bom, de kerk gaat aan.'
Voorafgaand aan het door de zangersfamilie gezongen smeekgebed wordt stilgestaan bij iedereen die het moeilijk heeft. Het woord 'moeilijk' roept volop instemming en bevestiging op. 'Onze Vader, Moeder, God van mensen, liefde is jouw naam ... Maak ons vrij, in liefdesnaam.' Een spontaan applaus voor de zanggroep en er wordt geroepen: 'Ja, heel mooi!'
Dan wordt alles weer blij. In het glorialied 'Komt, laat ons vrolijk zingen tot God die alles schiep ...' vervloeien de vele dissonanten tot een ontroerend en bezielend geheel.
De lezingen zijn heel eenvoudig. De herkomst wordt niet gemeld. Een paar bewoners maken van de gelegenheid gebruik om een ander plaatsje te zoeken of even naar het toilet(?) te gaan.
Het lied van de wijngaard: 'Heija, heija, heija, dans nu hand in hand, heerlijk zijn de vruchten van 't beloofde land.' Er wordt enthousiast meegeklapt.
Dan het lied 'Liefde is weer durven dromen van de warme zonneschijn, in een huis van samenwonen, veilig en gelukkig zijn. Als je trouw bent aan elkaar, leef je in de gloria.' Na het vierde couplet volgt het van het verjaardagsliedje bekende '... in de gloria, in de gloria. Hiep, hiep, hiep, hoera ...'
De preek heeft als thema 'Trouw aan God en trouw aan mensen'. 'Wanneer zijn mensen elkaar trouw?' vraagt de voorganger.
'Als je liefde hebt', wordt er geroepen. En een ander bevestigt: 'Prima Bert: als je liefde hebt!' Iedereen is zeer betrokken. Het verhaal gaat over Eduard en Elizabeth, die verliefd zijn op elkaar. Op een bepaald moment belooft Eduard Elizabeth voor eeuwig trouw. Ze kopen ringen. Maar Eduard raakt later ook verliefd op een ander en belooft ook haar voor eeuwig trouw ... 'Dat kan niet', wordt er geroepen, 'één meisje is genoeg!' En zo gaat het ook. Eduard blijft bij Elizabeth.
Pas als de preek vervolgt op een verhaal over Mozes en Jozua, valt de concentratie weg. Dit wordt kennelijk niet meer gevolgd ... Maar als er een kunststof steen, de steen als teken van trouw van God, wordt opgetild, is de aandacht weer terug. Een paar bewoners gaan naar voren en willen de steen zelf ook optillen en bevoelen.
Tijd voor de voorbeden. De meeste tijd is voor de bewoners, die massaal naar voren komen om via de microfoon - een enkeling via een gebaar - duidelijk te maken waarvoor er gebeden moet worden. Het wordt een hele schare daar op het podium. Iemand is tante geworden. Iemand moet dinsdag naar het ziekenhuis. Het is allemaal moeilijk verstaanbaar, maar de voorgangster weet goed te vertalen. Iemand wil dat gebeden wordt dat hij blij en gelukkig zal zijn, ook omdat hij nog verdriet heeft van dat z'n vader en moeder er niet meer zijn. Van een ander ligt een zusje in het ziekenhuis en ze zal niet meer beter worden ... Ook is iemand zaterdag aanstaande jarig. Eén bewoner is naar voren gekomen alleen om de voorgangster via de microfoon te groeten: 'Hallo Ina!' En Folkert zal zelf een nachtje in het ziekenhuis moeten blijven. Een medebewoonster reageert daarop met een luide vloek ... Ook zal er gebeden worden voor Siena, die twee weken geleden overleden is. Een bewoonster die dat kennelijk niet wist, reageert met: 'Nou ... o, wat jammer nou ...' Tijdens het gebed is het een drukte van belang. Ik interpreteer de geluiden vooral als blijken van herkenning en bevestiging. In mijn beleving komt het allemaal heel dicht bij God zelf ... Er lijkt hier een beeld te groeien van het gezicht van God ...
Dan de inzameling voor een kindertehuis in Chili. Tegelijk worden harten van snoepgoed rondgedeeld. Het hart van de liefde ...
De muziekgroep zingt een Noors bruiloftslied: 'Kom, speel viool en blaas de schalmei. Vier met muziek, de bruiloftspartij ...'
In het slotlied 'Grote God, wij loven u' laat bewoner Bert zich op het drumstel van z'n beste kant horen. Hij krijgt dan ook een spontaan applaus. Iedereen is er bij in dit lied: een ware lofzang ...
Onder de zegen heffen velen de armen vragend of juist zegenend omhoog ...
En dan is er koffie. Deze morgen: een wondere ervaring.

Zondag 2
Een wat nevelige zondagmorgen in augustus. Het heeft geregend en er vallen nog wat druppels na. We fietsen naar een hervormde kerk. Wat een rust in het Reestdal. Dichter bij de kerk ineens druk verkeer: het is hier kennelijk gebruik om met de auto naar de kerk te komen. De laatste kilometer regenen we toch nog wat nat.
Een mooie oude kerk. Plaats genoeg. We worden vriendelijk gegroet, maar daar blijft het bij. Een liturgie zoals we die wel kennen. Een ouderling doet de afkondigingen en verder is het een onemanshow hier.
Het gebed uit Jona 2 en verder Jezus' lopen over het water uit Mattheus 14. Twee zeeverhalen die allebei wat op de lachspieren werken, aldus dominee. Het gaat om het menselijke geklungel tegenover Gods trouw. Jona zakt weg en de Heilige lacht. En dan opeens dat gebed, mogelijk later tussengevoegd. Dit gebed is liturgie in de hoogste zin des woords: Je zit hier tussen schepping en wederkomst. Je grijpt vooruit op de uiteindelijke overwinning. Liturgie is dan dat je beseft dat je tekortgeschoten bent, dat je gezonken bent, maar dat toch intussen het verlossend woord gesproken is! Ik merk dat ik me afvraag of dit gebed uit Jona 2 nu bidden is, of mediteren. Is bidden niet communiceren met God buiten jezelf en mediteren communiceren met God in jezelf? Jona viert in de verlorenheid liturgie ...
Joden zijn minder individualistisch. Er is meer collectiefs. Liturgie is dat je op het nulpunt van de ballingschap de Heer gedenkt. En net als Jona in de vis leefde, leven wij in het ingewand van een verdorven samenleving. Zoals hij op het droge wordt gespuwd, worden wij uitgetild uit het absolute niets om beelddrager te worden, Ninevé tegemoet, als licht op de kandelaar. Om mens te zijn als Jezus: een zoutend zout.
Jezus zoekt de stilte om in het reine te komen met z'n eigen emoties. De weldaad van alleen zijn ... En dan gaat hij over het water. Herman Finkers zegt: 'Dat heeft die jongen toch niet nodig?' Dat hééft die jongen ook niet nodig. Joden hebben gevoel voor humor en daar mag je best om gniffelen. Die jongen heeft dat ook niet nodig, maar z'n leerlingen wel!
Jan Zwart zingt van het scheepje onder Jezus' hoede. Dat is de kerk, een speelbal van de elementen en de kwade machten. En Jezus komt zijn kerk tegemoet als de bewaarder van Israël.
Het water staat symbool voor de nacht van de duisternis, voor de satan, de tegenspeler. Maar Jezus loopt eroverheen; op hem hebben de machten geen vat. Wel op Petrus: hij zakt weg. En dan komt de hand van de Eeuwige. Als mensen het hebben gewaagd uit het schip te gaan en als ze dan dreigen te vergaan, trekt die hand ze op het droge. De machten zijn moordend, maar laat je niet imponeren, want er is een hogere werkelijkheid.
En al diegenen die niet omhooggetrokken werden? Die verloren gingen? We leven tussen belofte en inlossing: Terwijl we voor ons gevoel nooit meer het licht zullen zien, zijn we toch in de hand van de schepper.
Een pakkende preek, die bij mij vragen onbeantwoord laat. Wie is nu God? Wie is de hand van de Eeuwige? Zoeken we die buiten onszelf? Zijn we geheel afhankelijk? Of zijn we zelf de hand en de voet van de Eeuwige? Zo zie ik dat wel. Maar dan is er plotseling wel werk aan de winkel. Dan is God misschien wel van ons afhankelijk ...
Ruimschoots binnen het uur staan we buiten in de zon, die schijnt vanuit dreigende luchten. Mooi, zo'n kerk te midden van de graven van de gestorvenen ... Jammer dat het voorbij is, dat er geen koffie is, dat we door geen mens hier zijn gekend ...

Zondag 3
Een nazomerzondag in september: zon en wolken wisselen elkaar af. De dag begint, in tegenstelling tot de berichten, met volop zon. We gaan naar de katholieke kerk. Het is ziekenzondag. De liturgie kost twee kwartjes; dat valt wel even op.
Pas als het kinderkoor een lied inzet, verstomt geleidelijk het gebabbel rondom. In deze dienst wordt geen orgel gehoord; de piano begeleidt en opnieuw waardeer ik dit instrument.
'Weet dat u allen van harte welkom bent in de naam van de vader, de zoon en de heilige geest', begint de pastor. Er blijken liturgieën te weinig te zijn en ze moeten worden herverdeeld ... 'En weer geschiedt het wonder ...', merkt de pastor op als er overblijven.
We zingen 'Vergeef ons Heer' en 'Vergeef hen die niet meer hopen' en 'Vergeef hen die niets meer willen'. Daarna wordt gebeden of God ons wil leren luisteren, opdat we mens zullen worden aan elkaar. Ik vraag me af of we ons dat niet gewoon zelf moeten aanleren, dat luisteren, of dat niet gewoon onze eigen verantwoordelijkheid is. Ik geloof dat we veel te veel bidden om dingen niet zélf te hoeven veranderen ...
Twee verhalen vandaag: Als eerste lezing het verhaal 'De kleine dood'. Ook al valt het woord 'dood' nogal eens, het verhaal gaat over het leven. Als er maar iemand aan je denkt, als er maar iemand is die naar je luistert, dan verandert dood in leven en gaat dat nieuwe leven op zijn beurt ook weer 'kleine doden' opwekken. Mijn gedachten dwalen af naar eergisteren, toen ik met hulp van politie en burgemeester betrokken was bij opgelegde hulp aan een door totale radeloosheid en ontreddering bevangen man. Letterlijk dacht hij dat het leven hem ontglipte en zelfs dat de dood hem gevonden had. 'Ben ik dood?' vroeg hij steeds maar en hij stootte daarbij dierlijke geluiden van angst en wanhoop uit. Verander je zo'n 'dood' door aandacht ook in leven? Voor mezelf concludeer ik dat het antwoord waarschijnlijk bevestigend moet zijn. Maar wie brengt het op aandachtig om te gaan met wie niet eens aandacht heeft voor zichzelf, met wie ieder ander buitensluit? Is er echt altijd hoop?
We zingen 'Wat zou de wereld anders zijn, als er in plaats van leed en pijn geluk en vriendschap heersen zou ...'
De tweede lezing gaat over het dochtertje van Jaïrus. Jezus accepteert de dood niet. Ik denk aan het verhaal over de dood van Johannes de Doper, waar Jezus zich wél met pijn in het hart bij neerlegde. Er is dus verschil. En de kinderen die wij nu offeren aan ons moderne verkeer dan? In Jezus' geest zouden we die doden toch niet langer moeten accepteren?
De overweging: Het meisje gaat dood. Maar meisjes van twaalf horen niet te sterven. Toch gebeurt het wel, ook nu ... En we staan machteloos en niemand is niet bang. Velen komen niet meer volop tot leven, zijn levend dood, omdat ze geen aandacht krijgen. Dat hoort niet zo. Mensen horen te leven. Voor Jezus bestaat de dood niet; hij gelooft kennelijk alleen in het leven. Hij doet niets sensationeels, bidt geen lange gebeden, alleen een 'Meisje, ik zeg je: sta op!' En wíj kunnen elkaar het leven geven door naar elkaar te luisteren, door elkaar bij de hand te pakken en elkaar over drempels heen te helpen. M'n gedachten dwalen af naar die verstandelijk gehandicapte vrouw die door niemand meer bij de hand wordt gepakt, alleen al omdat iedereen bang voor haar is. Ik ken er zovelen ... De pastor vervolgt: 'Mensen over drempels helpen, kunnen we allemaal, want we dragen Gods geest in ons. Dáár geloof ik in!' Dan gaat het over privacy. Een collega-pastor heeft kanker en moet zes weken lang onderzoeken ondergaan. Iedereen stelt hem vragen, maar hij wil geen antwoord geven. Zijn geschiedenis is niet los verkrijgbaar voor iedereen die even langskomt ... Vragen stellen is een kunst. De kunst is de ander niet meer te laten zeggen dan hij of zij zeggen wil.
Communie. Voor de kleinsten zijn er druiven. 'Het lichaam van Christus' en de hostie ligt in mijn hand. Ik denk aan de lichamen van een paar vermoorde Belgische meisjes en nog dichterbij: aan het lichaam van dat meisje dat ik drie dagen geleden sprak en waar zich alle mogelijke seksuele geweld al aan voltrokken heeft. Ik denk aan het lichaam van die aan botkanker creperende man, die nog leven wil en niet toe is aan de dood van de morfine. Ik ervaar de eucharistie als een meditatief gebeuren en ik vermoed dat ieder bij 'het lichaam van Christus' zo z'n eigen beelden heeft.
De voorbeden worden gelezen door kinderen: Voor alle mensen die ziek zijn van eenzaamheid. Voor allen die in verpleegtehuizen hun privacy missen. En weer voel ik me opstandig worden: Mag dit wel? Mogen we er ons vanaf maken door het aan God terug te geven? Daar geloof ik nou geen barst van. Ik geloof dat we het gewoon zelf moeten doen!

Zondag 4
De remonstrantse kerk. De hervormde cantorij blijkt ook uitgenodigd. Het is een zonnige zondag; er is volop plek in de kerk.
De cantor begint de dienst om 10 uur met het tien minuten met de gemeente oefenen van te zingen liederen. De akoestiek van deze kerk is mooi, de cantorij zeer geoefend.
'Eer aan God de schepper', wordt gezongen, 'eer aan Jezus de Heer, eer aan de geest.' Dan gezang 61, over de pachters in de wijngaard. Dit lied zal gezongen worden in plaats van de lezing uit Mattheus 21 vs. 33-41.
Nu begint de viering. Het gebed gaat ook in op onze eigen verantwoordelijkheden in onze wereld. Dat verheugt me. Het wordt gevolgd door kyrie en gloria. Dan opnieuw gebed, nu bij de opening der schriften: 'Het Woord dat tot ons komt, door mensenmond gesproken.' De lezing uit Ezechiël 34 vs. 20-31: God zelf zal herder zijn van zijn volk. Daarna het dus gezongen verhaal van de onrechtvaardige pachters. Mooi klinkt dat; de inhoud van het lied dringt pas later tot me door. Mooi ... en tegelijk ervaar ik dat moois niet als de kern van waar het om gaat. Het is net alsof door dat moois de opdracht verloren gaat. Ik weet er niet goed raad mee ... Ook de derde lezing, de samenvatting van de wet, wordt vandaag gezongen in plaats van gezegd.
De preek. Het thema is: aanraking van het Woord. De (staten)bijbel dient in onze kerken als onderlegger voor de preek van de dominee. Er wordt weliswaar plastic op gelegd, maar dat voorkomt niet dat de bladen in het midden groezelig zijn geworden en dat er ezelsoren aan zijn gekomen. Als echter in de synagoge de thora voor de lezing uit de kast wordt gehaald, is dat een ceremonie. Vóór de kast is geschreven: 'Weet voor wie je staat.' De rol wordt uit de kast gehaald en gaat de hele synagoge door, eerbiedig. Men is gelukkig als het Woord rondgaat. Zo zouden wij, net als zij, gelukkig moeten zijn als Gods woord rondgaat. De waarde van het Woord is toch dat wij elkaar recht zullen doen, dat we wie andere opvattingen heeft, niet zullen verketteren en dat we het rechtspreken aan God zullen overlaten? Gezang 61 is ons eigen verhaal: de Heer is trouw, maar de pachters zijn kwaje rakkers! Hebben wij het Woord niet in een stolp gezet? Alleen de slaven uit de gelijkenis staan dichtbij dat Woord. Als het oogsttijd is, zal de hemel op aarde komen. Of zullen wij de zoon verwerpen, de Messias uitschakelen en gerechtigheid en vrede vernietigen? Maar de Heer zal niet opgeven: Hij blijft aanspraken maken. En wij worden opgeroepen als pachters te geloven in de oogst en de wijngaardenier te dienen. Dan gaat de preek door op Jezus, die God heeft liefgehad en die is uitgegaan tot de medemens. Hij heeft zijn leven gegeven om ons te redden: het grootst mogelijke wat je voor een ander kunt doen.
'Mooi gesproken', mompelt mijn zoon als de preek geweest is. Hij blijkt te doelen op de bezielende uitstraling van de predikante. Maar wat is de boodschap? En wie zijn wíj nu eigenlijk in het hele verhaal? Gedragen we ons niet als wijngaardenier? Zijn wij de pachters? Zijn wij de slaven?
Gebed: Vervul ons met uw Woord. Dat we elkaar zullen zeggen wat dat Woord ons doet. Dat we ervoor zullen uitkomen dat we geloven in dat Woord. Dan zal het in de wereld anders worden. Dan zullen we bewogen raken door onrecht, honger en dorst. Dat is de vreugde van het Woord. Is dit gebed niet net een samenvatting van de preek?
De zegen: Moge God u nieuwe wegen wijzen, Jezus Christus uw metgezel zijn en de heilige geest uw leven dragen.
Koffie. Zijn wij nu wijngaardenier, pachter of slaaf? Ik vraag het een aantal mensen. 'Wij zijn de pachters', zegt iemand, 'maar we maken elkaar tot slaven.' 'We zijn pachters, maar we hadden beter slaven kunnen zijn', zegt een ander. 'We moeten slaven worden', is een volgende reactie. 'We zijn beide, pachters en slaven', zegt iemand. 'We zijn pachters; we moeten slaven worden om de aarde goed te beheren', is een laatste reactie.
Waar gaat het nu om? Het gaat vandaag toch om de bijbel als het Woord van God? Volgens dat woord zouden we toch naar buiten moeten treden, zouden we toch pachters moeten zijn, verantwoordelijkheden moeten nemen? Is het daarbij eigenlijk belangrijk dat je gelooft in die hele speciale status die de meesten van ons de bijbel geven? Of mag je geloven dat het Woord overal is, in alle mensen, en dat het nog elke dag gesproken wordt? Mag je geloven dat God zelf in je medemensen naar je toe komt en om de pachtsom vraagt? Is dat waar het om gaat? Wat als je, zoals ik, niet meekunt in die driesplitsing: vader, zoon en geest? Maakt dát verschil? Het schrikt sommige gelovigen wel af, merk ik vaak, maar is het het godsbeeld waar het om gaat? Waar gaat het eigenlijk om?

Zondag 5
Een donkere, druilerige en winderige herfstzondagmorgen in november. We rijden naar een hervormde kerk. De oprijlaan is nog prachtig in herfsttooi. De parkeerplaats, verscholen tussen de bomen, is ruim. Bij binnenkomst wordt ons gewezen op het boekwerkje met liturgieën en we krijgen een exemplaar van het nieuwe kerkblad van de gemeente.
Om 10 uur komen er nog mensen binnen. Het orgel speelt de bekende melodie 'Uit diepten van ellende, roep ik met mond en hart ...' De viering begint te laat. De kerk is nog niet half vol. Het voorgaand gemeentelid heet welkom en doet mededelingen betreffende collectes en bloemen. Hij vergeet de kaars aan te steken en moet dus na een waarschuwing terug. We beginnen inderdaad met psalm 130.
Het drempelgebed: God, gij geest van waarheid en wijsheid, die wij zo moeilijk begrijpen. Wij bidden: raak ons hart aan ... Het gebed is compact, de woorden krachtig. Dit bidden spreekt mij aan.
Het tweede gebed: Heer, keer u niet van ons af als wij ons blindstaren op onze vermeende wijsheden ... als wij ons zo op het hart getrapt voelen dat wij harteloos omgaan met onze medemensen. Blijf ons nabij in onze zekerheid en eigenwijsheid ... in onze verbittering en vertwijfeling ... in onze wanhoop en ons ongeloof. Want wij zijn verloren als u zich niet over ons ontfermt. Met uw nabijheid staat of valt ons leven.
Dominee bestijgt nu de kansel. Dat opklimmen geeft me altijd het onbehaaglijke gevoel dat het symbolisch het woord van de prediker moet transformeren tot iets als van God zelf. Maar volgens mij wordt het Woord niet uit de hoogte, maar juist tussen mensen gesproken, op volslagen gelijk niveau.
Het derde gebed, een gebed van Augustinus: Voortaan, o God, wil ik u alleen volgen, dienen, omdat alleen gij met rechtvaardigheid regeert ...
De lijn van de preek is het thema 'wijsheid en dwaasheid'. De eerste lezing is uit Spreuken 9. Thuis zie ik dat Groot Nieuws-1996 gebruikt is, een mooie vertaling: De Wijsheid heeft haar huis gebouwd ... De tafel is gedekt ... Mijd het gezelschap van domme mensen, kies de weg van het inzicht, dan zul je leven! Wijs een spotter niet terecht, want hij gaat je haten; berisp een wijs man, die zal van je houden. Ik, de Wijsheid, voeg jaren aan je leven toe ...
Gezang 169 vers 2 eindigt met 'wij ... hebben onze dag verslapen.' De tweede lezing is uit Mattheus 25:1-13: de gelijkenis van de tien meisjes, de wijze en de dwaze.
De preek: De wijsheid nodigt je aan de maaltijd. In het joodse denken over wijsheid en dwaasheid gaat het om leven en dood. Dwaasheid is meer dan dom zijn, is dodelijk. Daarmee wordt niet een foute keuze bedoeld, maar een levenshouding. De vraag is of ik opensta voor de komst van de bruidegom en voor de maaltijd. Die meisjes zijn wij! Als je een groot popconcert per se wilt meemaken, ga je desnoods een dag tevoren in de rij staan. Je neemt eten, drinken en een slaapzak mee. - Ik kijk om me heen: de jongeren in de kerk zijn op de vingers van één hand te tellen ... - Als je dat niet meeneemt, ben je dom geweest. Als het koud wordt, kun je niet een anders slaapzak vragen. En later kun je een ander niet om zijn of haar kaartje vragen. Als je niet wijs bent, verknal je je kans, maar niet ál je kansen. Wijsheid is volgens Augustinus het contact met het eeuwige Licht. Als je gaat 'zweven', kom je er niet; je komt er alleen maar over de weg! Het hemelpoortidee is geen goede toepassing van de gelijkenis. Luister naar de gelijktijdigheid in de bede 'uw wil geschiede, in de hemel en op aarde'. Plaats de eeuwigheid niet ná de tijd, want daarmee schuif je God en het Koninkrijk nota bene op tot ná je dood! God houdt niet van doden, maar van mensen hier en nu. De eeuwigheid is er nu, door de tijd heen.
Dominee leest opnieuw een stuk uit Spreuken 9 voor en plaatst dat naast een stuk uit een interview met Herman Brood in 'Trouw' van gisteren: Majoor Bosshardt van het Leger des Heils heeft mij geholpen om enig inzicht te krijgen in wat God nou eigenlijk betekent. God is een levensbenadering. Zij heeft die haar hele leven in praktijk gebracht. Ze heeft gewoon haar leven in dienst gesteld van de mensen die dat nodig hadden en is altijd maagd gebleven. Zij komt heel geloofwaardig over. Alles draait in de wereld om religie. Nu besef ik dat ik in feite altijd al diep religieus was. Als je je dingen gaat afvragen, heb je geaccepteerd dat er meer moet zijn. De godsdienst met zijn kerken en pausen is totaal uit de hand gelopen. Wat Jezus bedoeld heeft, is dat je niet te snel moet oordelen. Dat je flexibel moet zijn en openstaan voor anderen. God betekent dat je blij bent met jezelf. Als je het eens bent met jezelf over hoe je leeft, dan krijg je zoveel kracht, dan kun je zoveel geven. Ik zou mensen uit hun oppervlakkigheid willen halen ... (einde citaat)
De parallel met Spreuken zit in het dienen, in het zorgen voor reserveolie (slaapzak) en in het gegeven dat alle licht met God te maken heeft.
Een wijze, pakkende preek. Een charismatisch prediker. Geen overtollige woorden. Prachtig!
Na de preek verlaat de prediker de kansel.
Het vierde gebed: Grote God, wij danken u voor díé mensen die wij mochten ontmoeten, die ons iets doorgaven van de wijsheid, van het omgaan met uw eeuwige grootheid, met uw grote eeuwigheid ... Wij bidden voor ieder die gevangen zit of wordt bedreigd om zijn of haar wijsheid, inzicht of geloof. Geef die gevangenen uw kracht. We bidden voor de honderdduizenden in Afrika die rennen voor hun leven als hazen voor de jager. Heer, geef uitzicht op een menswaardig bestaan. We bidden voor zieken en voor wie lijden onder de pijn van rouw en scheiding. We bidden voor onszelf, om wijsheid, volharding in het wachten, om wachten dat verwachting wordt.
Collecte. We zingen Grote God, wij loven u. De predikant is geen voorganger meer; hij heeft plaats gekozen in de gemeente.
Zegen: De vrede van God die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en gedachten bewaren, in Jezus Christus, onze Heer.

Zondag 6
Het is midden december. De lucht is donker en druilerig. Het is alsof de dag het niet durft winnen van de nacht. Ik fiets naar de stad, de christelijk-gereformeerde kerk. In deze kerk ben ik geboren, gedoopt, opgegroeid en heb ik belijdenis gedaan. En tegelijk: van deze kerk ben ik nu 27 jaar geen lid meer. Ik heb een soort van grijzemuisgevoel en ik vraag me af of ik dat gevoel herken van vroeger. Ik vind het antwoord niet. Emotioneel heb ik me op deze dienst voorbereid, merk ik. Oude gevoelens zijn bij mij bovengekomen. Hoeveel moeilijker nog dan nu was het vroeger voor mij dat goede gevoel vast te houden: het gevoel dat 't goed is, dat ik voor God mag zijn die ik ben, dat ik geaccepteerd ben. Deze week las ik van Nico ter Linden het verhaal 'Abram vecht'. Ook ik ken het vechten met God, het gevecht om een antwoord, om duidelijkheid, het proberen op te eisen wat lijkt te ontbreken. Ter Linden schrijft dat God pas in beweging komt als Abram uitgeput in slaap gevallen is ... Als kind ken ik het gevoel om uit een beangstigende, donkere wereld even op je plek te zijn, veilig in de kerk. Maar ik ken ook die droom, waarin ik in die - mijn - kerk terug was en waarin de vloer daar golfde en de muren wankelden en waarin ik me verbaasd realiseerde geen angst te voelen in dit instortende bouwwerk. Na die droom heb ik altijd beseft iets verloren te hebben, het bouwwerk kwijt te zijn. Ik vraag me - fietsend - af of het me zal lukken in deze kerk een glimp van de Eeuwige op te vangen.
Nog buiten hoor ik al het orgel. Uit mijn geheugen vul ik woorden in: een blij hosanna zingen, uw koning tegemoet. Bloemen voorin de kerk en ook een plantenbak, geholpen door assimilatielampen. De preekstoel is wel drie man breed ...
We beginnen met lied 24 uit het bundeltje Schriftberijmingen: Wij roepen koning Christus aan ... Gek: meteen op de kern van waar mijn geloof niet meer meekan. De prediker kenmerkt zich door z'n nadrukkelijke spraak, zonder dat het een echte preektoon wordt. De tien geboden lijken me te worden afgeraffeld ... Gebed: Here, deze morgen zijn we weer in uw huis ... Er wordt in dit gebed als het ware iets aan God uitgelegd over menselijk zoeken en ontwijken. Omdat een dienstplichtige uit Bosnië in de gemeente is teruggekeerd, wordt God ook iets uitgelegd over militaire orde en gezag. Deze manier van bidden is de mijne niet. Er wordt God uitgelegd - er is een kind geopereerd - dat een operatie aan de amandelen voor een kind geen eenvoudige zaak is. Het wordt een opsomming, te veel voor mijn gevoel. Maar ik voel me niet benauwd; 't is meer het gevoel dat het goed is zo, dat een andere manier van bidden ook mag. Ik voel er ruimte voor en dat lucht juist op.
De lezing is uit Lucas 1: de lofzang van Zacharias. De tekst staat in vers 74 tot 75: 'Dat Hij ons zou geven, zonder vreze, uit de hand der vijanden verlost, hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen.' De preek: Zacharias en Elizabeth zijn kinderloos. Ze hebben weet van teleurstellingen. Maar God komt op zíjn tijd. De lofzang is een profetie: profeteren is zeggen hoe God over de dingen denkt, wat zijn wil is. Het gaat om óns: de Here wil ons tot een dienst brengen, hij wil géven dat wij hem dienen! Wijzelf modderen maar wat rond, we stellen onze grenzen: van 8 tot 5 ben ik bezet en de vrije zaterdag heb ik nodig voor mijn eigen spulletjes. - De prediker lijkt niets op papier te hebben. Vrij associërend lijkt hij zijn boodschap aaneen te breien. - Vijandschap is alles wat ons afhoudt van de dienst aan God. Een arbeider in een worstfabriek werd na het weekend door z'n collega's geplaagd: jij bent zeker weer naar de kerk geweest? Maar deze man zong zijn psalm of gezang dwars tegen de plagerijen in. God strekt zijn handen uit in de volheid van de tijd. Híj moet ons leren hem te dienen. - Dominee kijkt omstandig op zijn polshorloge en ik merk dat ik me afvraag welke rekensom hij maakt ... - Heiligheid past niet in onze wereld, waarin satan de overste is. God zelf geeft de voorschriften voor zijn dienst. Vrijheid tot dienst betekent eerst bij de Sinaï langs voor de 10 geboden en dán op naar het beloofde land. En Gods heiligheid is in het nieuwe verbond voor geen cent minder geworden! Om dit te onderstrepen reciteert dominee het lied 'Heilig zijn o God uw wegen, niemand spreekt uw hoogheid tegen ...' Een KLM'er draagt het embleem van de KLM op z'n overall; zo zie je aan iemands heiligheid dat hij bij God hoort. Gerechtigheid, de tweede tafel van de 10 geboden, richt zich op de medemens. Met beide, heiligheid en gerechtigheid, moeten we voorzichtig omgaan. Als de Here ons daartoe brengt: de naam des Heren zij geprezen! Jezus Christus opent de deur tot het diensthuis, al de dagen van ons leven. God wil dat we hem dienen, álle dagen: geen kortverbanddienst, niet stoppen met 62. Maar als God ons niet helpt, komt er niets van terecht. Onze tijd is in zijn hand. En, vervolgt dominee, ik denk dat het in Filippenzen is, waar staat: 'Vertrouwende dat hij die in u een goed werk begonnen is, dit voleindigen zal.' Het tweede gebed is een voor mijn beleving afgeraffelde samenvatting van de preek. De tijd lijkt nu echt te dringen. 'Zie ons aan in uw gunst, vergeef ons onze zonden', neem ik nog mee.
Voorbij. Ik wacht wat om bij mijn jas achterin de kerkzaal te kunnen komen. Niemand die mij ziet ... Ja, toch: 'Te gast?' vraagt een vriendelijke man, 'buurten?'. Met hem wissel ik nog wat woorden. Goed, zo'n moment van ontmoeting. In plaats van koffie binnen zijn er sigaretten buiten. Een hele groep mensen ontmoet elkaar vlak buiten de kerkdeuren onder rookgenot ...
Een glimp van de Eeuwige? Zeker, ook hier! Een associërende preek op kernwoorden uit een tekstgedeelte doet daar niets vanaf. Het is puur allemaal, echt. Het heeft ook iets ontwijkends, maar dat ken ik wel ... Van God moet het komen; zoveel is wel duidelijk. En daar ligt ook meteen de kern van waar ik het net iets anders voel. Van mensen moet het immers komen, van mensen met iets van God in zich ...

Zondag 7
De lente lijkt zich af en toe al even aan te kondigen. Onze eerste fietstocht is gemaakt. Met verwondering heb ik deze week gekeken naar de knoppen in struiken en bomen. De kou heeft het nieuwe leven niet kunnen ophouden. Wat zit er een kracht achter de kringloop van het leven ...
Vandaag een viering van de basisgroep. Ik kom daar geregeld en voel me er aardig thuis. Het zijn met name het ontbreken van vaste liturgieën, het om beurten voorbereiden en leiden van een viering en de grote bescheidenheid in het aanroepen van de Eeuwige die me hier aanspreken.
Het thema is 'Sta eens even stil ...' De viering is ditmaal voorbereid door drie groepsleden. Er zitten zo'n 35 mensen in de kring, waaronder zeven of acht kinderen. Het is fijn zo in een kring te kunnen zitten: je houdt beter contact met elkaar en je kunt zo meer op elkaar betrokken 'samen vieren'.
Eerst worden de te zingen liederen geoefend. Voor de nakomers wordt er ondertussen nog wat geschoven met stoelen. Een kwartier na het formele aanvangstijdstip begint de viering met een welkom. Het moet een muzikale, vrolijke en hopelijk inspirerende viering worden. De paaskaars, gekregen van een oecumenische gemeenschap, wordt met vereende krachten aangestoken. Dan volgt het intochtslied: 'Vol van verwachting zijn wij gekomen, om weer te weten waartoe wij bestaan.' Na het lied zijn er een paar toelichtende woorden bij het thema van de viering. Ik mijmer even weg en mis enkele ogenblikken. 'Spiritualiteit, stilstaan en onthaasten' zijn woorden die in mijn mijmering tot me doordringen. En ook: 'Dat ene moment van genieten bepaalt soms de rest van je leven!'
We zingen 'Gegroet het lieve leven, al wat geboren is' van Jan van Opbergen. Dan wordt het gedicht 'Dat overkomt iedereen wel' van Willem Wilmink gedeclameerd. Ik kies hier de tweede strofe:
Je maakt een proefwerk op school, en je kijkt
zo nu en dan, eventjes maar,
naar het mooiste meisje, zoals ze daar zit,
met het licht van de zon in d'r haar,
dat is mooi.
Na een muzikaal intermezzo op de piano wordt dit keer een bijbeltekst gelezen: Mattheus 6 vers 25-27. Het gaat over het je geen zorgen maken en over letten op de vogels in de lucht, voor wie de hemelse Vader zorgt. Na de voorlezing volgt weer een muzikaal intermezzo. Daarna komen de kinderen op de kleine stoeltjes in een binnenkring om te luisteren naar het verhaal over Ome Arie en Anna Druk. Uiteindelijk rukt Anna de stekker van de strijkbout uit het stopcontact om naar buiten te gaan en samen met Arie aardbeien te planten. Uiteindelijk lijken haar ogen open te gaan voor het goede van het leven.
We zingen 'Kijk eens naar de vogels, zij leven van de wind', en 'Begin vandaag te leven, God zal je alles geven en morgen zie je dan wel weer.'
De kinderen gaan naar de plaktafel om een vrolijk plakwerk te maken en de groten spreken elkaar in vijf groepjes met de vragen: Wat inspireert jou? Wat zijn je geluksmomenten? en met de opdracht een couplet te maken op de melodie van 'Waar zou de stad van vrede zijn?' Ik zit in groepje 3: Geluksmomenten zijn kippenvelmomenten: het gevoel van 'dit is goed!' Iemand voelde dat zo bij de geboorte van haar kleindochter. Een ander voelt het in de vaste kringloop van de natuur. Hij zegt: 'Er is geen toeval. Alles is heel structureel. Alleen mensen maken, tegen beter weten in, chaos.' Het gesprek gaat door over de inspiratie die je nodig hebt om tegen de stroom in te kunnen gaan. Een leraar vertelt hoe inspirerend het voor hem is als het even klikt tussen hem en een leerling met problemen. De vogelaar in ons groepje vindt het onzin dat een vogel niet zou zorgen. Ook de vogel strijdt z'n struggle for life en het hoort er gewoon bij dat er slachtoffers vallen. Ik mijmer wat over hoe wíj onszélf bewust slachtoffer maken van onze agenda's en onze dadendrang. Dan gaat het over verliefdheid die je overkomt: een machtige inspirator. En over hoe geluksmomenten vaak juist na periodes van spanning komen. Het gaat over het inperkende van de eisen die verliefden al gauw gaan stellen aan welvaart en aan woongenot. En over hoe mensen steeds weer proberen de ander te boetseren in de vorm die aan de eigen verwachtingen tegemoetkomt en ook over hoe sommige proberen zichzelf met geweld te boetseren tot wie ze wíllen zijn, maar in werkelijkheid níét zijn.
Ons couplet:
Wat zou het zijn dat ons inspireert?
Is het de vogel die het ons leert?
Is het de zon in haar gouden gloed?
Of is het een woord van een mens dat het doet?
De kinderen gaan met hun plaksels rond en de vijf coupletten worden door de pianist van ritmetekens voorzien en daarna gezongen.
Tijd voor stilstaan bij (...) Dit is het moment waarop elke aanwezige aandacht kan vragen en een kaarsje kan ontsteken voor wie of wat dan ook. Voor het eerst maak ik mee dat het stil blijft en dat er geen enkel kaarsje ontstoken wordt.
De collecte is voor de Wilde Ganzen en met name voor een lepraproject in Brazilië.
Onder het hoofdje 'Actie en reactie' worden vrijwilligers gevraagd voor het sausen van de vergaderruimte van de Wereldwinkel.
Het slotlied wordt door sommigen swingend meegezongen:
Loof het onkruid, wilgenroos en vlinderstruik,
de wouw en de klauw, de brem, het slangekruid;
rode klaver, steppeheks, omringd door varkensgras,
de duizendknoop, de klis, de kleine herderstas.
Voorbij. De tijd is gevlogen. Iedereen blijft koffie, thee en limonade drinken. Er is cake. Sommigen schrijven de vijf zelfgemaakte coupletten over van het bord. En aan het hek moet, zoals gebruikelijk, een pasje aan de kinderen getoond worden om te mogen vertrekken. Maar wie geen pasje heeft, kan er een kopen. Voor een dubbeltje.

Zondag 8
Het is februari. De winter lijkt voorbij. We fietsen naar de kerk van het Apostolisch Genootschap. De zang blijkt hier vooral aan het koor voorbehouden. Dat omvat ongeveer de helft van de 100 à 150 aanwezigen en zingt al enthousiast uit de eigen bundel 'Teksten in het licht van deze tijd'. Het zijn Johannes de Heer-achtige liederen, maar net iets zwaarder getoonzet. We worden door een paar aanwezigen welkom geheten en onze handen worden geschud. Er zijn heel wat jongeren aanwezig, maar weinig kinderen. Mijn vrouw houdt me lied 47 voor: 'Leven is veranderen, herbezinnen telkens weer, wijzigen van eigen denken; wat eens was, dat is niet meer.'
De gemeente gaat staan als de kerkenraad binnenkomt. Een gastprediker gaat voor. Er is geen opening, geen zegen, geen bijbellezing: de viering is gewoon begonnen. Het thema is 'Op zoek naar geluk'. Duidelijk wordt dat dit thema door 'de apostel', ook wel 'de opziener' genoemd, in zijn weekbrief wordt aangereikt. Heel eenvoudig wordt er wat op het thema ingegaan en mensen reageren met bevestigende en versterkende woorden en geluiden, daartoe uitgelokt door een steeds terugkerend 'hè?' van de voorganger. Toch lijkt het allemaal heel echt.
De gedachtenis aan hen die zijn voorgegaan, is hier kennelijk heel belangrijk. Gistermiddag is een bejaard lid, nog vrij onverwachts, overleden en zijn vrouw zit voorin de kerk. Herhaaldelijk wordt door de preek heen het woord tot haar gericht.
De voorganger gaat er vanuit dat alle mensen gelukkig willen worden, omdat dat streven in de mens is ingebouwd. Zondags heb je soms het gevoel de hele wereld aan te kunnen, maar op een ander moment kan het geluksgevoel zomaar verdwenen zijn. Het leven zit vol tegenstrijdigheden.
Gaande de preek voel ik hoe dicht de voorganger bij het beleven van de mensen staat. Het gaat over materieel bezit. De voorganger is gelukkig met zijn auto en met dat hij op zo'n mooie wijze naar hier gereden is om de gemeente te verzorgen. En we zijn geïrriteerd als onze wasmachine kapot gaat, maar we vergeten dankbaar te zijn als de stofzuiger het nog doet. Dankbaarheid draagt echter bij aan ons geluk. Als we op vakantie aan de Rivièra een uur moeten zoeken naar een parkeerplek, zijn we dan nog zo gelukkig? Zo zijn we op zoek naar geluk. Duurzaam geluk heeft te maken met innerlijke harmonie. Het houdt meer verband met zijn, minder met hebben. Vanuit duurzaam geluk is verdriet bij een overlijden te dragen. Of ook het verdriet als je plotseling een goede baan verliest. Want het leven brengt ook lijden met zich mee, ook geestelijk lijden. Het is complex: soms voel je je gelukkig, soms zit je in een diep dal. Godsdiensten hebben gezocht naar verklaringen voor het lijden. Het zou een straf zijn voor onze zonden. Zo kent de voorganger een vrouw die vroeger met haar lichaam te koop heeft gelopen en die later twee kinderen verloor. Is dat dan straf voor de zonden van haar jeugd? Of het lijden zou zinvol zijn omdat het de verstoorde relatie met God zou herstellen en toegang zou geven tot eeuwige zaligheid. De prediker gelooft niet in deze theorieën. Het gaat niet om wat er in je leven gebeurt, maar om hoe je ermee in harmonie komt. Geluk heeft met alle dingen van het leven te maken. 'De apostel' geeft eigen verantwoordelijkheid over alles. Maar het kan moeilijk zijn om een ander om vergeving te vragen of om een glimlach op je gezicht te toveren. Dan is het belangrijk om elkaar te hebben, om raad te kunnen vragen. Om te ontdekken dat de moeilijke dingen van het leven niet te maken hebben met schuld en straf, maar dat het leven gewoon zo gebéúrt. Een lied zingt dat een man niet mag huilen, maar waarom niet? Waarom zou je elkaar je gevoelens niet tonen? Als een kind op school erbuiten staat, kun je daar toch ook op afgaan? We kunnen zóveel voor elkaar betekenen!
Even plotseling als de prediker begon, stopt hij. Het woord 'zangers' brengt het koor in actie. Het zingt: 'Ga niet voorbij aan de kleine dingen van het leven, die enkele momenten, waarin zo onverwachts, als in een flits, Gods goedheid licht.'
De voorganger hervat: In de Onafhankelijkheidsverklaring van de V.S. staat dat de mens het recht heeft om geluk na te streven. Dat is wat anders dan het recht op vervulling van al onze wensen. - Inmiddels blijkt de prediker de al genoemde weekbrief voor te lezen. - Soms is het hebben van een zaak het einde van het vermaak. Er is een spanning tussen het ervaren van geluk en het lijden. Jezus heeft ons geleerd dat in het lijden de goddelijke opdracht ligt er iets aan te doen. En al hebben we het materieel goed, de geestelijke nood is groot. We zijn een gemeenschap om onze gevoelens te kunnen delen, om raad te kunnen vragen bij problemen in huwelijk of andere relaties. Overal om ons heen zijn er mensen die behoefte hebben aan steun. Met die te geven, zetten we het werk voort van allen die zich hebben ingezet voor een leefbare nabijheid van God. Zo wil ik in het leven staan, meldt de prediker. Maar ik ben een impulsief mens. Daardoor bots ik veel. Je kunt botsingen maken die je van elkaar verwijderen. Dan moet je de moed hebben om terug te gaan, om vergeving te vragen en weer in harmonie te komen met elkaar. Om de minste te zijn. Nadat de vrouw van de gisteren overleden broeder gevraagd is iets te zeggen over haar huwelijk - ze is 56 jaar getrouwd geweest - vertelt de prediker over de talrijke botsingen in zijn eigen huwelijk. Toch kan er steeds weer één de minste zijn.
Nu is het tijd om een andere 'priester' naar voren te halen. Deze vat in eigen woorden het al gezegde samen. Opmerkelijk is dat hij het gegeven van de toenemende lichaamslengte van Nederlanders verbindt aan het opgroeien in zoveel vrijheid.
Als de voorganger terug is, vertelt hij bij de vorige spreker ineens te hebben moeten denken aan Chinese voetjes, gebonden in te kleine schoentjes. Zo kun je ook in het leven gebonden zitten ... En te lang zijn en overal bovenuit steken, is ook niet goed. Het moet een 'gewoon' zijn, een 'te midden van'.
Nu komen de herhalingen van de herhalingen: ik merk dat dit me wat te ver gaat.
Dan is er toch nog iets wat 'gebed' genoemd wordt. Het is een bidden, samenvatten van het gezegde en een heenzending in het perspectief van allen die zijn voorgegaan tegelijk.
Na een lied volgt dan nog de 'rondgang'. De collecte en het avondmaal zijn hierin samengevoegd. Wie zich kan vinden in het verlangen zijn of haar leven toe te wijden aan God, wordt uitgenodigd deel te nemen. Ik ga naar voren. De ouwel wordt door de ouderling met een soort pincet opgepakt en in de drank gedoopt. Daarna wordt hij op de rug van mijn hand gelegd en vandaar breng ik hem naar mijn mond. De formule die bij ieder gezegd wordt, is iets als 'Uw zielsaanbod is aanvaard en hierdoor opnieuw bevestigd'. Als ik weer zit en de formule wil opschrijven, hurkt de vrouw van de eigen voorganger van de gemeente naast me en vraagt of ik journalist ben. Ze nodigt me op de koffie met haar en haar man. Als ik aarzel, is ze alweer weg.
'We gaan naar huis hè?', zegt de voorganger. 'Ik heb 't gevoel dat het goed is zo.' Liefdesgroeten worden over en weer meegegeven.
Dan nogmaals gebed, samenvatting en heenzending, nu weer door de tweede 'priester' van vandaag.
'Maak er iets moois van samen', zegt de voorganger, 'ook bij de crematie van onze overleden broeder.'

Zondag 9
Het is maart. Het thema is al aangekondigd: 'Tussen de klippen door', naar aanleiding van Paulus, jood én Romeins burger, mens van twee culturen, die zich moet verdedigen voor de Raad. Ik heb het thema in verband gebracht met de publicaties van de laatste tijd over het boek 'Verzoening' van Den Heyer. Deze samenhang kan ik echter slechts vermoeden als we op deze prachtige lentemorgen naar de stad toe fietsen.
Al onderweg vinden we aansluiting bij bekenden: velen hebben vandaag de fiets gekozen. In de kerk zie ik volop bekende gezichten.
De ouderling van dienst heet welkom en doet de mededelingen. Prima om dat zo gescheiden te houden. Het voorgaand gemeentelid neemt over voor het drempelgebed. Na het zingen van psalm 122 volgt het gebed om ontferming. Voor mijn beleving zijn er te veel woorden en wordt het gebed half een preek.
Dan vermeldt de liturgie de 'dienst van Gods woord en van onze woorden'. Daarvoor wordt één niveau hoger geklommen, naar de daar staande katheder. Ik merk dat ik me afvraag of dit niveauverschil een betekenis heeft. Na de groet wordt het gebed bij de opening van de Schrift gezongen: voor mij liturgische overdaad - dit nu al zoveelste gebed - maar het koor zingt prachtig! Dan worden de kinderen naar voren geroepen; we zien veel kinderen uit onze eigen wijk. Met atlas en kompas zoekt Teun, het voorgaand gemeentelid, de richting waarin Paulus moest reizen van Jeruzalem naar Rome. Dan volgt een heel mooi moment: Teun wijst naar het noordwesten, de richting die Paulus moest gaan. Dan zie je dat hij zich iets realiseert ... 'Dat klopt ook', zegt hij dan, 'daar ergens ligt de katholieke kerk ...' Als de kinderen 'richting Rome' naar de nevendienst vertrokken zijn, leest Teun uit Handelingen 22 en 23: De commandant wil Paulus laten geselen, maar deze beroept zich op zijn Romeinse burgerschap. De volgende dag roept de commandant de Raad bijeen. Als Paulus dan vrijmoedig begint over zijn zuivere geweten, geeft de hogepriester opdracht hem op de mond te slaan. 'God zal ú slaan, gewitte wand!', is Paulus' reactie. Als hij begrijpt dat hij het tegen de hogepriester heeft, bindt hij in. Hij legt uit dat hij daar staat om zijn geloof dat doden opstaan. Uiteraard ontstaat daarop verdeeldheid tussen Farizeeërs en Sadduceeërs: de Sadduceeërs geloven immers niet in een opstanding ... De nacht daarop staat dan de Heer zelf bij Paulus om hem moed in te spreken en hem voor getuigenis naar Rome te sturen.
Een boeiende lezing. De opstanding uit de dood en de nachtelijke verschijning van de Heer zelf zijn thema's waar ik graag meer over zou horen, bijvoorbeeld van Teun. Wat weten wij eigenlijk van elkaars geloof?
In de tweede lezing gaat het over de vijf broden en de twee vissen, het thema 'eerlijk delen' dus, wat we in onze wereld volgens mij nog altijd niet echt geleerd hebben.
Dan de woorden van uitleg en geloof. Dominee klimt nu een heel stuk hoger ... Zeven boeken heeft ze daar, op de kansel, boeken die bij haar horen en haar vrienden, maar soms haar vijanden zijn. Eén van die boeken overigens is 'De Celestijnse belofte', de bekende bestseller. Deze week begint de boekenweek en boeken staan symbool voor onze cultuur. De grote verhalen en ideologieën hebben ons teleurgesteld. We hebben het communisme zien instorten, maar ook het christendom ... Toch gaan de best verkochte boeken van de laatste jaren over onze levensvragen. En dan is er ook dat andere boek - het achtste op de kansel - de bijbel, dat al tweeduizend jaar met mensen meegaat. Er is een kloof tussen die zeven en dat ene boek. Dan gaat het niet alleen om het oude geloof dat de aarde plat zou zijn, dan gaat het over waarden en normen, over het mensbeeld en over het spreken van God. Maar zowel in de bijbel als in onze boeken gaat het over een zoektocht. De antwoorden verschillen. In ónze boeken is God een ervaring ín onszelf; in de bijbel is God de stem van buitenaf, die ons roept. Dominee vertelt over haar jeugd: de veiligheid die mensen haar soms niet boden, vond ze bij God. De bijbel leert dat er brood is voor iedereen, als je maar deelt. In dat visioen heeft dominee geloofd, maar het is nu een aangevochten visioen, want nu kent ze die andere boeken ook. Boeken waarin God niet ingrijpt, waarin Hij de zwijgende is en niets doet ... Besta je nu wel of niet God? Dominee staat ertussenin: een tussenmens. Ook Paulus was een tussenmens, levend tussen twee culturen. Ook bij hem golden van huis uit onwrikbare zekerheden, en scheidsmuren waren voor hem heel gewoon. Hij had zijn godservaring; hij had 'de stem' gehoord. Hij is veranderd, durfde over de grenzen van z'n cultuur heen te stappen en werd apostel voor de heidenen. Maar hij bleef een tussenmens. En net als hij zijn wij op weg naar Pasen, tussen twee culturen, altijd op zoek, maar ook een volgeling van die ene mens.
Dominee daalt af. We zingen 'Gij zijt de zin van wat wij zijn ...' Dan volgt de dienst van de gebeden. We bidden voor Jeruzalem, waarheen we verheugd onderweg zijn. Dat in die stad altijd tussenmensen zullen zijn. Maar we zijn ook verheugd over zoveel goede schrijvers en dichters van onze eigen tijd. Omdat roze de kleur van deze zondag is, bidden we voor homoseksuelen. En omdat het gisteren vrouwendag was, bidden we voor vrouwen wereldwijd, want vrouwen staan voor zeventig procent van de arbeid tegenover minder dan tien procent van het kapitaal ... We bidden voor allen die op eigen wijze tussenmens zijn. Ik merk dat het me voor bidden te veel woorden worden: dit is mijn bidden niet. Ten slotte bidden we voor onszelf, tussenmensen die we zijn. Dat er vrede in ons moge groeien en samenhang tussen nu en toen ...
Na het prachtig zuiver door het koor gezongen 'Onze Vader verborgen' volgt de collecte. Alleen voor het derde zakje wordt een bestemming genoemd.
Het lied van de opstanding is het slotlied. Daarna nog wegzending en zegen. 'De genade van Jezus, onze broeder, als basis van ons leven', speelt me na afloop nog door het hoofd. Het zijn woorden die vandaag in de plaats moeten treden voor de vooraf door mij vermoede samenhang met een ander thema, woorden die hun boodschap vinden in wat niet gezegd wordt.

Zondag 10
Het is Witte Donderdagavond. We zijn in de schemering van een prachtige voorjaarsdag op weg naar de avondmis van de Sint-Martinusparochie in de hoogstgelegen kerk van Nederland. Vanuit ons vakantiehuisje van deze week hebben we steeds op de toren uit kunnen kijken en op onze tochten door de omgeving was de kerk steeds een belangrijk oriëntatiepunt. De klokken luiden nodigend als we om tien voor zeven de kerk binnengaan. Daar zitten dan al zo'n vijftig mensen; dat aantal zal nog oplopen tot ongeveer vijfenzeventig, verspreid over de verder lege banken. Jongeren zijn er niet. Voorin branden kaarsen en hoog tegen het flauwe licht dat nog door de glas-in-loodramen binnenvalt, hangt een kruis met een beeld van Jezus. Andere kruisbeelden zijn door paars doek afgedekt. Sommige binnenkomers maken naast de bank waarin ze plaatsnemen eerst een knielende beweging. Dan wordt het geleidelijkaan stil.
Met belgerinkel komen de voorganger in 't wit en vier kinderen - drie jongens en een meisje - in 't grijs binnen. De voorganger draagt een zilveren wierookvat, waarmee hij voorzichtig rond het altaar(?) heen en weer zwaait. De wierook geeft voorin een soort mist die alle scherpte tijdelijk uit het beeld wegneemt. Na een lied - de zang in deze viering is voor rekening van het koor, slechts een enkeling zingt verder mee - uit de bundel 'Liturgische gezangen voor de viering van de eucharistie' neemt de voorganger het woord. Hij memoreert dat we op Witte Donderdag herdenken dat God ons een groot geschenk heeft gegeven: de eucharistie. Na een gebed om vergeving zingt het koor een kyrie eleïson. Eén van de dienstdoende kinderen maakt achter het altaar een wierookwolk en de belletjes rinkelen ondertussen onafgebroken.
De lezing uit het Oude Testament gaat over het lam dat in de avondschemering geslacht moest worden en waarvan het bloed op de deurposten moest worden uitgestreken om het huis te beschermen tegen de dood. Het vlees moest met haast gegeten worden - samen met ongegist brood - en deze dag moest een gedenkdag worden.
Lied 66 wordt gezongen: Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn ... Na een groet: 'De Heer zij met u' volgt de lezing uit het heilig evangelie volgens Johannes over de voetwassing voor het laatste avondmaal.
De preek: We weten allemaal hoe het toen verder gegaan is. Voor de dood kunnen we slechts danken als die een levengevende betekenis heeft. Iets te mogen geven, is een genade. Zoals kinderen hun ouders dankbaar zijn voor alles wat zij geven en andersom ook ouders hun kinderen dankbaar zijn. Hier wordt het leven van Eén vermenigvuldigd voor velen. Loopt iemands bloed uit zijn lichaam, dan bloedt hij dood. Wie zijn bloed geeft, geeft zijn leven. Men drinkt het leven. De eucharistie is een verbondsmaal, waarin het oude verbond in het nieuwe wordt opgenomen. Christus' bloed is het verzoenende bloed van een zoenoffer. Als we in Jezus' geest eucharistie vieren, geven we ons leven en onze dood uit handen.
Een korte preek. De woorden klinken bekend en er wordt geen poging gedaan ze in samenhang te brengen met ons leven van vandaag.
De gebeden: Er wordt gebeden voor de kerk, voor de gewijde dienaren, voor de christelijke eenheid, voor zieken en hulpbehoevenden, voor hen die van God vervreemd zijn en voor een veilige thuiskomst voor onze overledenen, waarvan enkele met name worden genoemd.
Als het koor lied 84 zingt, 'Wie vriend van God wil wezen, die offert brood en wijn ...', gaat een collecteschaal rond. De diaken houdt persoonlijk ieder de schaal voor. Intussen wordt er bij het altaar weer gewierookt.
Er volgt een reeks van steeds nieuwe gebeden, die als vaste formules uitgesproken worden en misschien daardoor niet helemaal zijn te verstaan. De voorganger vraagt de broeders en zusters te bidden dat zijn en hun offer aanvaard zal kunnen worden. Er is dus naast de gave van Jezus - zo begrijp ik - ook een gave van de mensen hier. Het sanctus van lied 35 weerklinkt en de mensen knielen nu. In het gebed wordt de hele kerkelijke hiërarchie met namen en toenamen opgedragen. Opnieuw wordt gebeden dat onze gave zal worden aangenomen. Dan volgt het 'neem en eet, want dit is mijn lichaam', bekrachtigd door het 'klappen' van een houten instrument. Met de beker gaat het net zo. Opnieuw lange formulegebeden, waarin het 'amen' direct wordt gevolgd door een nieuw 'Laten we bidden'. Het koor zingt en de vier kinderen nemen plaats achter het altaar, de diaken(?) gaat naar voren om te assisteren bij de eucharistie die vlot en geordend verloopt. Ik doe niet mee. Ik heb het gevoel dat de betekenisgeving hier veel te ver van mij afstaat. Weer gebed: 'Schenk ons de genade dat we eens mogen genieten van het eeuwige vleesmaal ...' Een schok gaat door me heen: versta ik dit goed? Ik probeer het beeld dat bij me opkomt krampachtig van me af te zetten ...
Dan gaat het over 'het allerheiligste'. Dit zijn - zo vermoed ik - twee kruisjes met Jezusbeelden, geheel door witte doeken omhuld, met zilveren kruisjes bovenop die doeken. Ze hebben tijdens de viering steeds zo op het altaar gestaan en wellicht is de wierook hiervoor bedoeld geweest. De voorganger draagt dit allerheiligste - voorafgegaan door de kinderen, waarvan één op een steel waarschijnlijk ook een kruisbeeld, paars afgedekt, draagt - de hele kerk rond en dan wordt het op het zijaltaar gezet. Het zal daar nog vijfentwintig minuten, tot kwart over acht, blijven staan voor wie aanbidden willen.
De meeste mensen staan op en vertrekken. Wij blijven nog even zitten. Mijn vrouw fluistert dat ze er niet veel van begrijpt. Als we opstappen - door geen mens hier gekend; een tiental mensen blijft nog achter - staan groepjes mensen verstild op het prachtig om de hele kerk heen gelegen kerkhof bij de graven van hun geliefden.
In ons huisje terug zet mijn vrouw het journaal aan. Prompt gaat het over de zes Turkse doden, onder wie vijf kinderen, die vielen bij een brand in Den Haag, mogelijk een aanslag. Een paar minuten later is de begrafenis in beeld van de Ajax-supporter die zondag werd doodgeknuppeld door aanhang van de tegenpartij. Ik merk dat ik me afvraag of de wereld sinds Jezus van Nazareth veranderd is.
Als we even napraten, hebben we het gevoel onvoldoende in de katholieke gebruiken ingewijd te zijn om de mystieke omlijsting van deze viering goed te kunnen begrijpen. De uitgebreide formulegebeden riepen onze weerstand op, ook al omdat ze voor ons gevoel in zo'n hoog tempo afgeraffeld werden. Het ontbreken van een gevoel van aangeraakt te zijn, is het gemis dat overblijft ...

Gert Hardeman