Geloven, een tussentijdse plaatsbepaling

Tijd om pas op de plaats te maken, want, wat geloof ik eigenlijk? Geloof is altijd in ontwikkeling en dus in feite geen dag gelijk aan dat van gisteren. Zoals dat bij mij past, ben ik jarenlang bezig geweest mijn geloofsbeelden naar buiten te brengen door erover te schrijven en daarin tegelijk mijn geloven verder te ontwikkelen. Reacties brachten me tot nieuwe inzichten, boeken waar ik op werd geattendeerd hielpen me om dichter bij mezelf te geraken, maar ook de weerstanden die ik tegenkwam, droegen hun steentje aan mijn geloven bij. Want dat is toch wat ik het meest ontmoette: tegenstand, de overtuiging van derden dat het zo niet goed met mij zou kunnen komen en de energie die men goedbedoeld spendeerde om mij op andere gedachten te brengen. Echter, het geloof zoals dat mij was bijgebracht, het simpele 'Bid en gij zult ontvangen', was voor mij onwerkbaar gebleken. Ik deed er jaren over om tot die conclusie te komen, maar toen ik die eenmaal tot eenheid had weten te brengen met mezelf, was er voor mij vandaar geen weg meer terug. Dat heb ik altijd zo gevoeld. Met het verliezen van de oude geloofsinhoud, verloor ik echter niet mijn geloven. Voor mijn eigen beleving is dat zich toen pas echt gaan ontwikkelen en ben ik toen pas ook zelf God in mij en in mijn leven gaan ervaren. God, die ik niet anders kennen kan dan uit wat ik aan het goddelijke ervaar. Nee, voor mij blijkt het beeld van de bijbel als woord van God, om God daaruit te kennen, niet te werken. Ik breng het gewoon niet tot eenheid met mezelf, daar ben ik waarschijnlijk te individualistisch voor. Maar in de stilte, het alleen zijn, komt God zomaar naar me toe. Als mijn hart naar het goddelijke uitgaat, komt God mijn beleving bijna vanzelf binnen. Gek is dat, maar prachtig tegelijk. Het is het mooiste van mijn leven!

Niet dat ik de bijbel niet waardevol vind, niet dat die boeken voor mij geen woord van God zouden bevatten. Dat doen ze wel, zoals (bijna) al het geschrevene woorden van God in zich verbergt. Het probleem is dat de mensheid vanaf z'n begin behoefte heeft gehad aan vastheid en zekerheid en dat zij die dus zelf is gaan creëren door, tegen het bijbelse beeldverbod in, zich beelden van God te scheppen. Zo werd God gefixeerd in het joodse denken en later nog verder in het christelijke geloven. De eigen religieuze geschriften en beelden werden onfeilbaar verklaard en waren vanaf dat moment niet langer slechts van toepassing op de schrijvers ervan, maar, omdat die schrijvers God nu eenmaal in hun broekzak hadden, kregen hun woorden vanaf dan definitieve zeggingskracht voor alle andere mensen. Nu moet ik zeggen dat ik dat proces ook wel in mezelf herken: ook ik kende de gevoelens van 'zo het voor mij is, moet het ook maar voor de ander zijn'. Dat heeft met de eigen onzekerheid en eenzaamheid te maken. Vanuit angst wordt dat wat belangrijk lijkt, groter gemaakt om zekerder te zijn en dus meer houvast te vinden. Jarenlang deed ik hetzelfde als het christendom: vasthouden aan mijn eigen beelden en bestrijden van die van de anderen door de eigen waarheid te persevereren. Zoiets moet kennelijk gewoon uitwoeden, zoals ik wel meer in mijn leven en persoon ben tegengekomen dat niet echt bij te sturen is en gewoon z'n tijd moet hebben en plaats om (uit) te woeden. Ik merk nu dat mijn geloven meer ruimte vindt om onzekerder te worden, het minder te weten, meer open te laten en dat helpt me om met groeiend respect naar het geloven van anderen te kunnen kijken. Het wordt acceptabeler voor me dat er misschien maar één mens is die gelooft zoals ik geloof en dat ook ik God niet in m'n broekzak heb. Het is me duidelijker dat er geen goede reden is dat anderen zouden geloven zoals ik dat doe of God zouden kennen zoals ik het goddelijke ken. Het is go(e)d zoals een ieder gelooft. Daarbij hecht ik er nog altijd aan dat iemands geloof gebaseerd is op het eigen ervaren van God en niet primair op wat diegene is bijgebracht of aangeleerd. Maar misschien moet ik ook van die visie nog wel terugkomen.

God schiep hemel en aarde, licht en duister, goed en kwaad, schiep de mens naar het goddelijke beeld. In mezelf ervaar ik, naar Gods beeld dus, tegengestelde krachten, polariteiten, goed en kwaad beide. God is niet alleen het goede, God is ook het kwaad. Zo wordt alles één. Zoals licht slechts oplicht in de duisternis, zoals warmte pas warmte wordt als het koude verdrijft, zoals zomer pas zomer is als er ook winter was, zo bestaat goed bij de gratie van kwaad, net als andersom overigens. In mijn beleven horen ze bij elkaar, zijn ze deel van elkaar en komen ze voort uit de dezelfde (goddelijke) energie. Als het kwaad zou ophouden te bestaan, zou daarmee de aanzet en prikkel tot het goede sterven. Als er geen goed meer zou zijn, zou ook het kwaad zijn opgehouden te bestaan. Alles zou dan neutraal zijn, nul. Hetzelfde geldt voor het vrouwelijke en het mannelijke: elke eigenschap bestaat bij de gratie van z'n tegenhanger en elk mens moet een eigen weg vinden om dit alles in zichzelf tot keuze en eenheid te brengen, een weg waarvoor een leven lang de tijd is.

Jezus van de christenen, redder, verlosser. Dat is mooi, maar voor mij werkt het niet. 'Je hoeft het alleen maar aan te nemen', wordt me dan gezegd, 'het is voor je betaald.' Dat impliceert dat ik, beelddrager van God, zelf niet goed ben zoals ik ben. In mijn geloven ben ik dat wel. Volgens mij worden wij allen geroepen onszelf te worden, word ik geroepen om voluit Gert te worden, zoals Jezus geroepen was om Jezus te worden. Ik kan Jezus wel als voorbeeld zien, maar niet om alleen maar na te volgen: mij wordt niet gevraagd om Jezus te zijn. Gelukkig niet, zou ik haast zeggen. Als ik dan naar Gods beeld ben, wordt me soms gezegd, zou de zondeval aan me voorbij gegaan moeten zijn. Ik geloof niet in een zondeval. De eerste mensen moeten al heel snel ontdekt hebben dat ze zichzelf moesten worden, als beelddragers van God, en dat dat alleen maar kan door goed zowel als kwaad te onderzoeken en te doorleven en dat die keuzemogelijkheid door heel het leven heen de goddelijke uitdaging en roeping inhoudt om een eigen weg te vinden. Als ik me zou blindstaren op Jezus als het grote voorbeeld, zou ik niet aan mezelf toekomen. Jezus verschilde in te veel opzichten van de persoonlijkheid die ik ontwikkelde en meekreeg, van de (on)mogelijkheden en talenten waarmee ik mag werken. Ik heb niet meer het gevoel dat de Jezusverering samenhangt met wat Jezus zelf gewild heeft, meer dat het een (te) gemakkelijke vluchtweg is om niet toe te hoeven komen aan de werkelijke opdracht, namelijk om zichzelf te vinden en te worden. Ik ben hier op aarde om één of een paar levenslessen te leren en daarmee meer mezelf te worden en als dat klaar is of mislukt, wordt mijn leven van mij teruggevraagd.

Ik heb de indruk dat we als mensen, voor we aan een leven beginnen, met het oog op bepaalde levenslessen een soort van script schrijven, waarin de structuur van het komende leven min of meer wordt vastgelegd. Door meerdere levens heen leren we de noodzakelijke lessen om uiteindelijk te kunnen terugkeren in de goddelijke bron waaruit we zijn voortgekomen. Dit is mijn beeld van dit moment, maar ik heb geen enkel bewijs en ik zou de lezer niet durven aanraden mijn geloofsbeeld te kopiëren naar de eigen visie. Ik vind veeleer dat ieder mens voor zich tot een eigen levens- en godsbeeld moet komen om van daaruit zichzelf te worden. Dat ik mijn beelden nog altijd delen wil, heeft te maken met mijn overtuiging dat geloof zich ontwikkelt vanuit intermenselijke uitwisseling, waaronder ook die van ervaring, uitgangspunten en visie.

Gert Hardeman

Van ik naar wij

Geschreven 13 januari 2004.