Geloof van ouders en kinderen

Als er één gebied is, waar sprake kan zijn van een generatiekloof, is dat wel het vlak van geloof en geloofsbeleving. Ik haal die twee uit elkaar, omdat er ook veel geloof zonder beleving is. Heel wat gelovigen is geleerd dat gevoel gevaarlijk is en dat geloven zeker weten behoort te zijn. Bij zeker weten hoort geen gevoel.

Veel gelovigen zijn meelopers die in de eerste plaats hun ouders niet willen of durven teleurstellen. Maar als ze zich het geloof van hun ouders niet eigen maakten, spelen ze een toneelspel, is hun geloof waardeloos en dient het slechts een relationele mythe. Mensen willen er nu eenmaal bij horen, zijn bang uit de familieboot te vallen en willen verzekerd zijn van zo nodig door hun ouders en andere naaste verwanten opgevangen te zullen worden. Daarvoor leveren ze vaak graag de eigen identiteits- en geloofsontwikkeling in. Een veeg teken in dezen is het wegvallen van discussies over verschillen in geloof en ziens- en zijnswijzen. Als het onderlinge contact zich beperkt tot een elkaar bevestigend samenzijn waarin verschillen niet aan de orde komen, wordt er niet meer aan elkaar geleerd en is de mogelijkheid je aan elkaar te scherpen verloren gegaan.

Kinderen, ook kinderen die nu ouderen zijn, zijn dikwijls de natuurlijke en groei bevorderende generatiekloof met de bijbehorende conflicten niet aangegaan. Ze ontwikkelden in het verlengde daarvan vermijdende persoonlijkheden en leerden om elk meningsverschil het liefst uit de weg te gaan. Ze pasten zich aan en offerden zichzelf. Helaas zijn er nog altijd ouders die zulke mensenoffers op prijs stellen of soms zelfs afdwingen. Evenzo zijn er nog altijd jongeren die onvoldoende geest in zich hebben om de strijd aan te gaan en respect voor de eigen identiteit te veroveren. Daarbij geef ik wel aan niet lichtvaardig te willen oordelen. Ik weet heel goed dat jongeren zich dikwijls bijna dood hebben gevochten op de onwrikbare muur van hun ouders, voordat ze besloten dat verdergaan slechts mogelijk kon zijn door zich aan te passen, zichzelf te negeren en acteur te worden.

Het is een verdrietig gegeven dat zoveel ouders de ruimte niet hebben om hun kinderen te kunnen leren kennen zoals ze zijn. Alles wat nieuw is, wordt dan afgekeurd, doodgezwegen, miskend. Niet alleen ouders schieten in hun innerlijke ruimte tekort, ook bij kinderen kan dat gebeuren. Het is jammer dat het zo moeilijk blijkt om onder alle afkeuring en miskenning de angst te zien die daarvan de bron is en die veelal toch gebaseerd is op verlangen naar het goede voor het kind.

Ouders kunnen sterven zonder hun kind echt gekend te hebben en zo gebeurt het ook vaak. Ze hebben zichzelf tekortgedaan door te verlangen dat hun kind zou leven volgens hun (voor)beeld. Hun kinderen hebben omgekeerd hen, en vooral zichzelf, tekort gedaan in het tegemoetkomen aan dat verlangen. Ook na de dood van hun ouders kunnen kinderen zich gebonden blijven voelen aan wat hun ouders hen voorschreven. Het verdriet dat dit niet gekend zijn in de ziel teweegbrengt, is niet in woorden te vatten. Het is soms te groot om ernaar te kunnen kijken, om het te durven of te kunnen doorvoelen. Na het verlies van de ouders rest dikwijls slechts de hoop dat de gestorvenen na hun overlijden meer ruimte zullen hebben en alsnog begrip en respect zullen kunnen voelen. Maar ... elkaar tijdens het leven niet gekend te hebben ...

Wat dan als kinderen een geheel andere geloofsrichting inslaan? Wat als zo'n keuze wordt voorafgegaan door een zich afzetten tegen het geloof van de ouders? Ik denk dat er geen andere weg is dan het kind ruimte te geven en te accepteren in zijn of haar zoektocht. Ik zou maar blij zijn áls het kind op zoek gaat; het getuigt van persoonlijkheid! En als het kind richting kiest die niet die van de ouders is, wees gelukkig met de moed die het kind blijkt te hebben en stimuleer die. Misschien komt het kind uiteindelijk op de weg van de ouders terug, maar dan vanuit eigen ervaring en beleving, vanuit eigen keuze. Misschien gebeurt dat pas na de dood van de ouders. Levend geloof werkt nu eenmaal alleen op die manier.

Natuurlijk, het gebeurt ook dat het geloof van ouders aansluit bij het wezen van hun kind, dat het kind zich hetzelfde geloof kan eigen maken. Daar is niets op tegen en niets mee mis. Ik heb het voorgaande willen schrijven omdat het zo dikwijls anders is en om het verdriet van al die kinderen die nooit gekend werden. Ik weet niet veel van God, maar in mijn gevoel kan dat Gods wil niet zijn.

En daar ben ik bij het volgende punt, de vraag Wie God is en wat God wil. Volgens mij is Gods 'wet' de mens in het hart gelegd. En er zijn geschriften en boeken van mensen die gepoogd hebben iets over die God te zeggen. Zolang we ons maar niet aanmatigen te weten wat daarin wel of niet van God komt. Slechts voor mezelf mag ik dat weten, maar nóóit voor mijn kind of voor wie anders dan ook. Geloof kan niet opgelegd of voorgeschreven worden. Dan wordt het niets, zoals het niets werd bij de velen waar ik hierboven over schreef. Geloof kan slechts groeien uit een eigen voelen en ervaren van de goddelijke Stroom in een staan in het goddelijke Licht. Misschien is God, zo gezien, voor niemand dezelfde. Misschien wordt God wel gedoofd in de mens die slechts kiest voor wat de ander aan God ervaren kon, zonder daar zelf aan toe te durven komen. We hebben een wereld gebouwd vol vluchtwegen die het heel goed mogelijk maken alle goddelijks langdurig uit de weg te gaan. Slechts stil worden en naar binnen kijken, slechts het zien van de innerlijke goddelijke Weg en het horen van de goddelijke Stem openen een dimensie die in de wegen van onze wereld ontbreekt.

Gert Hardeman

Pagina laatst bijgewerkt 28 april 2002.