Het totaal van goddelijke vonkjes

Ik heb de vogelbroedhuisjes schoongemaakt. In één trof ik een compleet nestje met vijf uitgedroogde jonge vogeltjes. Drie snaveltjes waren omhoog gericht, wachtend op een oudervogel met voedsel. Zo gingen ze dood door verhongering omdat er geen oudervogel meer kwam, verongelukt, of slachtoffer geworden van een kat of een roofvogel.

Ik was er stil van: te zien hoeveel energie er gestoken is in het bouwen van een volmaakt veilig nestje, te zien hoe het broedsel tot vijf jongen leidde en te moeten constateren dat die vijf geen leven beschoren was. Ik herinner me het beginnende leven in dit voorjaar wel gehoord te hebben en ik herinner me ook dat ik me realiseerde dat alles stil geworden was. Ik vroeg me toen verwonderd af of de jongen al uitgevlogen konden zijn en vergat vervolgens. Maar uiteindelijk kom ik niet om de waarheid heen.

De hele natuur is zeer overdadig in al z'n facetten, het leven gewoon incluis. Er is zoveel van alles dat het geen kwaad kan dat er een groot deel niet tot z'n bestemming komt en gewoon verloren gaat. Wat ik tegenkom in die dode vogeltjes, is natuurlijk en als er een God is - ik geloof dat - heeft die dat zo bedoeld. Zo zit Gods schepping in elkaar en dat geldt voor vogeltjes en voor mensen. Alles ontwikkelt zich in zo'n overvloed dat een groot deel verloren mag en misschien wel moet gaan. Het ene vogelnestje levert vijf gezonde, sterke jonge vogels, het andere slechts een 'veilig' binnen de beslotenheid van het zorgvuldig opgebouwde nestje door uitblijvend voedsel doodgegaan wezengezinnetje. De smart, de doodsstrijd is nog uit de opgerichte snaveltjes af te lezen.

Dat alles zou een straf zijn voor de zonde van de mens, voor de ongehoorzaamheid aan God? Ik geloof dat verhaal allang niet meer. Net zo min geloof ik dat het zo is dat het aan God te danken is als je een lang en goed leven te leven krijgt. Zo'n geloof zou impliceren dat God kiest voor de één en tegen de ander. Je komt die gedachte in de Bijbel vanaf het begin tegen. Twee mensen hebben kanker en allebei bidden ze vanuit hun diepste kern om genezing. Eén haalt het, de ander sterft een verschrikkelijke dood. Wie durft te zeggen dat degeen die genas door God genezen is of van God genezen mocht? Wie dat durft, zegt ook dat het God was die weigerde de gebeden van degeen die stierf te verhoren. Nee, ik geloof niet dat God, die ik zie als het totaal van alle goddelijke vonkjes in onze wereld, zich met zulke beslissingen en keuzes bezighoudt. Op een of andere manier moet het in die mens die het redt vanaf het begin zijn ingeschapen of zijn ingeprogrammeerd dat hij of zij het overleven zal en net zo is die andere goddelijk vonk zo geprogrammeerd dat hij of zij het niet kan redden, welke keuzes er ook gemaakt, welke behandelingen er ook ondergaan en welke gebeden er ook gebeden zijn. Waarschijnlijker dan dat God de hand in het inslaan van de weg richting leven of richting dood zou hebben, is voor mij dat vanaf het begin de mens zelf een levensscript ingeprogrammeerd gekregen heeft met kansen, risico's en een slotakkoord. Hoe dat bij vogels is, weet ik niet. Ik durf er nauwelijks op door te denken. Maar ligt het niet voor de hand dat dezelfde mechanismen in het spel moeten zijn? Leven is leven, alleen de soort van leven verschilt. Net zoals leven doodgaan is en ook alleen de weg van doodgaan verschilt.

Wie is God dan? Wat is er met God, Wie of Wat dan ook, gebeurd bij de schepping of de evolutie? Ik kan slechts proberen woorden aan mijn eigen beelden te geven. Heeft God, het Licht, zich niet gesplitst in miljarden vonkjes Licht? Mag niet elke mens en wellicht evenzo elk dier zich een van die vonkjes weten? Als dat zo is, kan God niet gezien worden. ZHij is te groot, te divers, te wonderlijk voor mensenogen. En wat doen mensen? Ze kijven over het gelijk van hun eigen godsbeeld en vooral over het ongelijk van dat van de ander. Maar niemand kan God kennen! Aan ieder is het vergund in zichzelf en in alles om hem of haar heen iets van God te kunnen zien, af en toe. Dat is de beperking van iedere goddelijke vonk. Totdat hzij uiteindelijk in God terug zal keren.

Wat is het doel van al die vonkjes? Uiteindelijk keren ze in hun oorspronkelijke bron, in God, terug. Het doel van elke vonk moet, zo meen ik, zijn er te zijn, te leven, zichzelf en misschien nog ietsje meer van het totaal - God - te leren kennen en terug te keren tot de bron. Dat is alles en dat is meer dan genoeg.

Heb ik dan geen idee over het waarom van het leven, van de kringloop van het bestaan? Als ik probeer erop door te denken, kom ik voor mezelf tot de conclusie dat God evolueert. God evolueert in en door de schepping, in en door alle goddelijke vonkjes bij elkaar. Dat evolueren gaat schoksgewijs, drie stappen vooruit en twee achteruit. Als dan onze hele wereld 'god' is, moet het erom gaan tot een goddelijke wereld op een (wat) hoger plan te geraken. Mocht dat ooit helemaal lukken - ik verwacht dat niet binnen enkele eeuwen - dan is onze wereld voorbij, want eenpolig, dus neutraal, zonder het levensnoodzakelijke spanningsveld tussen licht en donker, goed en kwaad. Door de goddelijke transformatie naar miljarden goddelijke vonkjes lijkt God, Wie of Wat dan ook, zich een soort evolutionaire bezigheidstherapie geschapen te hebben en wij zitten daar met z'n allen middenin. >p> Er is nog iets anders. Ik geloof namelijk dat mensen, net als alle leven in de hele natuur, aan een cyclisch systeem onderworpen zijn. De bomen worden in de herfst kaal, maar tegelijk ontwikkelen ze knoppen voor een nieuwe levenscyclus. De mens sterft, maar in dat sterven ligt alweer de bron voor een nieuwe geboorte. Ja, ik bedoel dat de mens opnieuw geboren wordt, gewoon letterlijk, opnieuw als een baby. Altijd een nieuw leven met nieuwe kansen, met nieuwe risico's, totdat de hele cirkelgang is voltooid en de goddelijke vonk terugkeert in de grotere God. Dat zal, zo vermoed ik, zijn als in die mens het goede krachtig de overhand gekregen heeft op het kwaad. Waarom zou het niet waar kunnen zijn, zoals geschreven wordt, dat de mens in steeds opeenvolgende levens altijd opnieuw dezelfde medevonkjes (medemensen) tegenkomt, totdat goed en kwaad in elke intermenselijke relatie zijn geneutraliseerd? Als alles nul is, is het klaar en is zo'n vonk op de basis terug.

Dat is iets van mijn beeld van het goddelijke. Maar het is zo ongrijpbaar, zo onzeker, dat ik me niet op mijn gelijk durf te laten voorstaan. Ik zocht mijn eigen beeld, gewoon omdat ik een beeld als vastigheid nodig heb. Ik durf te zeggen dat dit beeld mij het meest waarschijnlijk voorkomt, maar ik weet dat het mijn beeld is en niet meer dan een beeld. Elk ander beeld kan dichter bij de realiteit liggen. De bijbel, de koran en welk ander boek van God dan ook geven ieder voor zich een eigen beeld van God. Er is niets op tegen zo'n oud beeld aan te hangen als het 'passend' is, als het aansluit op de eigen behoefte aan vastigheid en zekerheid en op de eigen belevingswereld. Het risico van elk in woorden vervat beeld van God is dat het zal worden omarmd door mensen bij wie het niet echt past en dan wordt zo'n omarming een wurgende, waarbij het omarmde beeld uiteindelijk te gronde zal gaan als een redder aan wie zich een wanhopige drenkeling vastklemt.

Ik ontmoette God, op en naast mijn fiets, in de stille natuur. Een enkele andere vonk van God trof ik daar en die stilte was een vonkje God op zichzelf. Dan en daar komt God zelf, spreekt God in mij, precies zoals we dat in de oude bijbelboeken lezen. Mits ik maar niet te vol ben van eigen wensen, eigen voelen, vertelt God me hoe ik verder moet, wat belangrijk is, wat onbelangrijk. Mijn gedachten, mijn geest, mijn energie gaan uit naar wie me lief zijn en naar met wie ik het moeilijk heb en had. Soms kan ik bijna aan die andere vonkjes raken, want afstand speelt niet meer als God zo nabij is. Dan wordt alles even Al, even Eén.

Pagina laatst bijgewerkt augustus 2008.