Als een terriër!

Af en toe ga ik een dagje op pad, op zoek naar naamgenoten, om kennis te maken en gegevens en foto's te verzamelen voor de stamboom, die ik on line op internet bijhoud. Zo ook deze dag. Ik heb gekozen voor O., een prachtig in de bosrijke natuur van de Utrechtse heuvelrug liggend dorpje, vlakbij mijn eigen geboorteplaats. In de nabijheid van het dorp stap ik een paar keer uit om foto's te maken van stukjes natuur vol herfstpracht. Dan kom ik, het is een uur of een, langs het eerste adres dat ik op mijn lijstje heb en daar klop ik aan. Eerst lijkt er niemand thuis, maar als ik het huis rondom loop, tref ik toch mijn naamgenote, op een paar dagen na even oud als ik ben. Ik stel dat wat verwonderd vast, maar haar geheugen is beter. 'We hebben op de Lagere School bij elkaar in de klas gezeten', stelt ze nuchter vast. Maar verder heeft ze geen belangstelling voor haar stamboom, evenmin als voor mij, ze houdt niet van dat soort dingen. Ze wil al helemaal niet op de foto en bovendien gaat ze nu pannenkoeken bakken. Ik voel me nadrukkelijk overtollig en neem dus afscheid.

Dit eerste contact blijkt de toon te hebben gezet voor mijn volgende pogingen om contact met naamgenoten te maken. Argwanend word ik bekeken en nergens word ik hier, zoals ik daar op mijn zoektochten tot nu toe overal aan gewend ben geraakt, binnen genodigd. Even twijfel ik aan mezelf en in mijn autospiegeltje probeer ik na te gaan of er ergens misschien iets helemaal niet in orde is met me. Als ook de jonge vrouw, bij wie ik daarna aanbel, stambomen 'maar niets' vind, vraag ik of dat misschien iets te maken kan hebben met religieuze achtergrond, omdat wat me in dit dorp vandaag gebeurt, me nergens eerder is overkomen. Ze ontkent: dat is het niet, het is gewoon dat het 'van geen nut' is.

Ik zoek nummer 21. Ik vind 21a en -b en -c en -d en -6, maar 21 zonder toevoeging vind ik niet. Daarom bel ik aan bij een van die nummers met toevoeging, waar ik iemand in huis zie. Een middelbare vrouw doet me open. Ik noem m'n naam en zeg dat ik op zoek ben naar nummer 21-gewoon, waar immers een naamgenoot van me moet wonen. De vrouw herkent me, was vroeger een buurmeisje van mijn opa, vindt dat ik op m'n vader lijk, nodigt me binnen en gaat koffie zetten. Al heel snel blijkt dat ze alles in haar leven doet uit liefde voor Jezus. Haar ruime tafel, ze heeft vijf prachtige kinderen naar de foto's aan de muur te oordelen en twee van haar dochters zie ik even voorbijkomen, ligt vol met alles wat ze nog doen moet, onder andere voor de zending. Ik ben hier niet toevallig, zo begrijp ik van haar. Al heel snel ontlokt ze me dat ik over geloofszaken heel anders voel en denk dan zij dat doet, al zeg ik er eerst wel steeds bij dat ik het prachtig vind hoezeer zij in haar christendom opgaat. Maar ík zit ernaast, zo wordt me onder de koffie door haar voort denderende verhalentrein ingepeperd. Ik zit op de brede weg en ik moet naar de smalle! Zoals ik God zie, zo is Hij niet en er is echt maar één Weg, door Jezus' bloed, en anders ben ik voor eeuwig verloren. Mijn gevoel? Gevoel is gevaarlijk! Nee, ze weet het zéker: ik ben hier niet toevallig. Waarschijnlijk, zegt ze, zal ze nog wel eens voor mij moeten bidden, waarvan ik maar zeg dat ik dat erg lief van haar vind.

Ik vind het wel jammer dat ze geen enkele ruimte heeft te luisteren. Het is vermoeiend, ik eet bij de koffie mijn meegebrachte boterham, om steeds meer van hetzelfde aangereikt te krijgen met zo'n ongelooflijke, theatrale overtuigingskracht dat het onmogelijk is je daarvoor ook maar een ogenblik af te sluiten. Ik herken in haar manier van doen af en toe iets van mijn moeder, maar deze vrouw is nog jong en zo verschrikkelijk vol van energie! Als een terriër heeft ze zich nu aan mij vastgebeten en het lukt me niet, ik heb allang geen inbreng meer in haar monologen, om haar tot bedaren te brengen en samen misschien een beetje rust te vinden. Ik betreur dat. Ik had haar graag ontmoet, wat uitgewisseld, wat van haarzelf en van haar leven gehoord, maar Jezus staat werkelijk zo gigantisch in de weg dat van dit alles helemaal niets mogelijk wordt, en dat spijt me erg. Opgelucht haal ik dan ook adem als ik weer in de auto zit, nu bekend met waar nummer 21 is!

Dan gaat er toch nóg een deur voor me open. Ze woont in het boerderijtje midden in dit nieuwbouwwijkje, mijn naamgenote. Ze is bijna 90. Ze heeft niets met stambomen, ook geen interesse, maar ik kan wel een kom thee krijgen. Als ík dat op prijs stel, wil ze ook nog wel voor een fotootje in de stamboom poseren. En zie: toch nog een plek waar wel rust is, acceptatie en er mogen zijn zoals ik ben. Langzaam drijft het gevoel van totaal niet te deugen, met spoed bekeerd te moeten worden, egoïstisch en godvergeten te zijn van me weg. Pas in de nacht zal het bij me terugkeren. In de nacht komen dit soort drukke mensen, die zelfs als ze me op de koffie nodigen geen ruimte voor me hebben, altíjd bij me terug. Ik begin mijn boosheid te voelen, dat wat ik had willen zeggen, maar waarvoor ik geen ruimte vond. Ja, in het begin van het contact deed ik een zwakke poging: 'Een beetje minder bekeringsdwang en een beetje meer respect' vroeg ik. Maar ik denk dat wat ik zei of vroeg niet door haar is gehoord. Jammer van mijn nacht, jammer van haar energie. En toch: ik had het niet willen missen, deze absurdistische ontmoeting. Ik weet weer heel precies waarmee ik niet van doen wil hebben!

Gert Hardeman

Pagina laatst bijgewerkt 12 november 2003.