Boezemfibrilleren (atriumfibrilleren)

Boezemfibrilleren (atriumfibrilleren, voorkamerfibrilleren) is een hartritmestoornis, waarbij de boezems (atria) van het hart niet meer normaal, maar te snel en/of onregelmatig samentrekken. Het hart blijft (in tegenstelling tot bij kamerfibrilleren) wel een groot deel van de vitale pompfunctie behouden. We zien een onregelmatige, meestal te snelle hartslag en een vermindering van de pompfunctie van 20 tot 30 procent, waardoor men eerder kortademig wordt. Bij snelle hartritmes kan ook angina pectoris als gevolg van zuurstoftekort in de hartspier ontstaan.

Oorzaken van boezemfibrilleren zijn een hoge bloeddruk, dysfunctie van een hartklep (kleplekkage) en een verminderde pompfunctie van het hart. Het onderliggende mechanisme berust waarschijnlijk op verwijding van de linker dan wel rechter hartboezem. Overigens is ook vaak geen oorzaak te vinden. Boezemfibrilleren is vooral een ouderdomsziekte. Met het stijgen van de leeftijd neemt de kans op boezemfibrilleren sterk toe. Onder de 65 jaar heeft slechts 1 à 2 procent van de mensen boezemfibrilleren. Bij 80 jaar of ouder loopt de incidentie op tot circa 20 procent (in totaal 15 procent van de Nederlanders ouder dan 65 jaar).

Omdat de kans op het ontstaan van stolsels in de hartboezems verhoogd is, worden vaak antistollingsmiddelen voorgeschreven om embolisatie van die stolsels te voorkomen. Door een embolie kan bijvoorbeeld een beroerte ontstaan.

Pagina geschreven 18 oktober 2010.