Autosomale overerving, dominant en recessief

Autosomale overerving vindt plaats via een gen op een chromosoom, niet zijnde een geslachtschromosoom. Dat houdt in dat jongens en meisjes evenveel kans op de overerving hebben.

Bij autosomaal dominante overerving hoeft maar één van de ouders zo'n gengebonden eigenschap of kwaal te hebben om ieder kind dat uit hen geboren wordt 50 procent kans te geven de eigenschap of kwaal te erven. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om aandoeningen die zich pas op latere leeftijd openbaren.

Autosomaal recessieve overerving kan ook van ouders komen die zelf geen aandoening hebben, maar wel drager zijn, d.w.z. wel een gemuteerd gen in zich dragen, soms dus zonder dat zelf te weten. Op hetzelfde chromosoom ligt immers ook het gezonde gen, dat in dit geval dominant is. Als echter beide ouders het gemuteerde recessieve gen hebben en een kind krijgen, kan het kind dit gen van beide ouders erven. De kans hierop is 25 procent. Het kind heeft de aandoening dan geërfd, ook als de ouders die zelf niet hebben (maar slechts drager zijn). Als het kind van de ene ouder een gezond en van de andere een ziek gen erft, de kans daarop is 50 procent, dan wordt het daarmee zelf drager van de aandoening, zonder zelf ziek te worden. Erft het kind van beide ouders het gezonde gen, kans 25 procent, dan heeft het de aandoening niet en is evenmin drager.

Zie ook hier

Pagina geschreven 28-9-2012.

trefw. erfelijkheid