14-4-2009: Dubbeldiagnosekinderen slecht herkend

In de Volkskrant van 11-4 een artikel van Malou van Hintum: Verslaafde kinderen met psychiatrische problemen staan gemakkelijk in de kou. Uit promotieonderzoek van Chrisje Couwenbergh blijkt dat vier procent van de 12 tot 23-jarigen stevig aan de drank, drugs of tabak is. Een groot deel van hen heeft ook psychische of psychiatrische problemen. Meisjes combineren middelengebruik vaak met depressie en zijn tegelijk dikwijls slachtoffer van seksueel misbruik. De problematiek van deze jongeren wordt vaak gemist. De omgeving heeft niet in de gaten waar en wanneer onaangepast gedrag overgaat in een stoornis. Ook Jeugdzorg mist zomaar een deel van de problematiek.

De helft van de jongeren in justitiële inrichtingen is verslaafd en driekwart heeft psychische problemen. Ze hebben behandeling nodig in plaats van detentie. Maar jongeren met een dubbeldiagnose worden nu te vaak tussen instellingen heen en weer geschoven, omdat ze niet in het behandelaanbod van de verschillende instellingen passen. Jongeren komen zo vaak pas daadwerkelijk in de hulpverlening terecht als ze suïcidaal geworden zijn of inmiddels bijvoorbeeld een borderline persoonlijkheidsstoornis ontwikkeld hebben.

16-4: Doden door maagverkleining (gastrectomie)

Vetzucht is een groeiend probleem. Maagverkleiningen (en de minder risicovolle maagbandjes) zijn populair als oplossingen voor wie het probleem zelf niet meer op kunnen lossen. Er zijn wachtlijsten. In Nederland zijn vorig jaar drieduizend maagverkleiningsoperaties gedaan. Er wordt dan een groot deel van de maag weggenomen. Soms wordt het gecombineerd met een darmomleiding. Een paar maal is er iets fout gegaan, in Emmen. Naar de oorzaak daarvan wordt onderzoek gedaan. Gedacht wordt aan de 'nietjes', die van een ander type zouden zijn dan in andere ziekenhuizen gebruikt worden. Daarbij komt dat het natuurlijk om een riskante operatie gaat bij een riskant probleem, waarbij dus hoe dan ook risico gelopen wordt. Het risico van complicaties met overlijden als gevolg wordt verschillend ingeschat: tussen de 2 en 0,1 procent.

Comazuipen door pubers neemt toe

Kinderartsen trekken aan de bel over het toenemend aantal kinderen dat door drankmisbruik in het ziekenhuis belandt. In Nederlandse ziekenhuizen worden nu per jaar tussen de 500 en 1.000 kinderen met een alcoholvergiftiging opgenomen. Kinderarts Nico van der Lely heeft in tien jaar tijds het aantal opnames zien verzestienvoudigen. Met name meisjes tussen 12 en 14 jaar drinken vaak 1 à 1,5 liter sterke drank binnen twee uur. Zoals algemeen bekend kan alcoholvergiftiging bij kinderen leiden tot blijvende hersenschade, ademstilstand en een fatale hartritmestoornis.

17-4: Veiligheid thuisbevalling

Nederland is het land van de thuisbevalling. Nederland staat ook in de top drie van de hoogste babysterfte in Europa. Is er verband? Onderzoek van TNO, het AMC en het MUMC (Maastricht Universitair Medisch Centrum) wijst volgens het artikel van Maud Effting in de Volkskrant van gisteren uit dat bevallen in het ziekenhuis of thuis voor de babysterfte geen verschil maakt. De helft van de vrouwen die hun eerste kind krijgen, komt overigens alsnog in het ziekenhuis terecht (en bij slechts bijna 5 procent van die doorverwijzingen is sprake van spoed). Van de onderzochte vrouwen koos 31 procent voor een ziekenhuisbevalling en 61 procent voor thuis bevallen. In de vijftiger jaren koos volgens het desbetreffende artikel in 'Trouw' nog 70 procent van de Nederlandse vrouwen voor thuis bevallen, nu zou dat nog maar 30 procent zijn. (Allochtone vrouwen zouden een sterke voorkeur voor het ziekenhuis hebben.) Ik zie een vreemde discrepantie in de 61 procent van de onderzochte vrouwen die voor thuis bevallen kiest en de 30 procent van de Nederlandse vrouwen die tegenwoordig volgens 'Trouw' die keuze maakt. En bovendien: is thuis of in het ziekenhuis bevallen sowieso een keuze van de vrouw?

Voor het onderzoek werden gegevens van 2000 tot 2006 van meer dan een half miljoen bevallende vrouwen bekeken. Vrouwen met verhoogdrisicofactoren werden uitgesloten. Van elke 10.000 baby's stierven er 7 vlak voor, tijdens of vlak na de geboorte en bij thuisbevallingen was het percentage hetzelfde.

De cijfers van dit onderzoek, 0,7 promille sterfte, wijken erg af van de bekende cijfers die een paar maanden geleden in het nieuws kwamen en waarvan de Volkskrant een grafiekje bij het artikel van gisteren plaatst, zonder aan te geven dat het om verschillende onderzoeken gaat. De Nederlandse sterfte is daarin 1 procent, Frankrijk scoort het slechtst met 1,1 procent en Zweden en Luxemburg het best met 0,5 procent sterfte (tussen de 22ste zwangerschapsweek en één week na de bevalling). Zit het verschil uitsluitend in de verhoogdrisicofactoren?

Opmerkelijke uitspraken van Gerard Visser, gynaecoloog en hoogleraar verloskunde UMC, in het eind van het artikel:
- Vrouwen die thuis bevallen zijn zekerder van zichzelf en wat dat betreft ook gezonder.
- De babysterfte in ziekenhuizen is 's nachts 30 procent hoger dan overdag. Dan gaan de lichten uit en mag de jongste bediende aan de slag. Maar die belt de gynaecoloog alleen als echt duidelijk is dat er problemen zijn. Dan loop je dus achter de feiten aan.

Zie ook hier.

18-4: Wie draait op voor te hoge hypotheek?

Jasper van de Kerkhof schrijft in DvhN van 17-4 dat volgens juridische experts woningbezitters die door een te hoge hypotheek in de problemen komen hun bank of tussenpersoon voor de rechter kunnen slepen. De zorgplicht van hypotheekverstrekkers vereist dat zij het belang van de klant voorop stellen. Een te hoge hypotheek is dus ook de bank aan te rekenen. Sinds 2007 geldt de vuistregel dat banken in beginsel niet meer dan 4,5 maal het bruto jaarinkomen van de klant mogen uitlenen. Bij overduidelijke overcreditering kan de gedupeerde de bank of de tussenpersoon aanspreken.

Ziekenhuizen smerig?

Het televisieprogramma Zembla toont aan dat (sommige?) ziekenhuizen smerig zijn omdat er geen aandacht is voor de taak van de schoonmakers. Met een verborgen camera heeft een verslaggever die een dienstverband als schoonmaker kreeg in twee verschillende ziekenhuizen de manco's expliciet gemaakt. Volgens arts-microbioloog prof. Jan Kluytmans zouden honderden doden per jaar kunnen worden voorkomen als de ziekenhuizen naar behoren zouden worden schoongehouden.

Het is duidelijk dat het in de gezondheidszorg steeds minder gaat om het belang van de patiënt. De papierwinkel en de 'voeding' van het computersysteem, daar gaat het tegenwoordig om. Uiteindelijk is het het geld, dat de hoofdrol speelt. Dat is betreurenswaardig.

Zorg om de zorg

In DvhN vandaag drie ingezonden brieven, alledrie over de zorg. De non-interesse van zorgverzekeraar en politie als de klant een onterechte declaratie meldt, voor een behandeling die nooit is gedaan. Ik ken dat. Ooit werd mijn zoon op vrijdagmorgen uit het ziekenhuis ontslagen en merkte ik dat voor de verzekering de maandag daarop als ontslagdatum was opgegeven. Ik heb daarover toen contact opgenomen, maar men meldde mij dat wat ik had opgemerkt normaal was.

De tweede brief gaat over het woord 'zorg', de zorg van de managers om zichzelf en elkaar bezig en belangrijk te houden en de zorg voor het blijven bestaan van hun functies en banen. Daardoor is er volgens de briefschrijver geen geld over voor zorg.

De derde briefschrijver betoogt dat de klant geen voordeel heeft van de marktwerking omdat de zorg nergens goedkoper of beter geworden is. De zorg heeft volgens hem door de schaalvergroting geen ankers meer in de samenleving en door de marktwerking ook niet meer in het openbaar bestuur. Overal waar marktwerking, liberalisering of privatisering is toegepast, zou er volgens hem sprake zijn van verslechtering en marktwerking zou leiden tot bureaucratisering, bonussen en hebzucht, lastenverzwaring voor de burger, versobering van de voorzieningen en zinloos gekrakeel in politiek Den Haag.

Zorg om de zorg, zullen we maar samenvatten.

19-4: Het onfatsoen van NS

Enige jaren reisde ik geregeld per trein vanuit het noorden naar een station in Midden-Nederland. Dezelfde reis maakte ik echter meestal per auto. Per auto vertrok ik om half tien en rond kwart voor elf was ik dan ter plaatse. Met de trein vertrok ik om kwart over negen vanaf het plaatselijke station en om half twaalf was ik dan op mijn bestemming. Van deur tot deur deed ik over de treinreis net tweemaal zo lang als over de autoreis. Maar de trein had ook voordelen, vond ik. Vandaar. Inmiddels is de dienstregeling een aantal keren aangepast. Mijn overstaptijd in Utrecht is sedert de laatste wijziging van de dienstregeling maar vijf minuten, maar dat is op zich voor mij ruim voldoende om van spoor 8 naar spoor 12b te komen. Echter: mijn trein stopte na de laatste dienstregelingwijziging geregeld in plaats van aan het perron van Utrecht-Centraal een paar honderd meter daarvoor, waarop de conducteur dan vrolijk rondriep dat we mooi op tijd waren, maar even moesten wachten op een vrije plek aan het perron. Daar verdeden we dan net mijn overstapminuten, zodat mijn reis nog een halfuur langer ging duren. Dat gebeurde aanvankelijk ongeveer de helft van de keren zo. Toen het driemaal achter elkaar op precies dezelfde manier verliep, besloot ik deze treinreis uit mijn opties te schrappen en voortaan alleen per auto te gaan. Voor het goede fatsoen wilde ik daarvan NS op de hoogte brengen, want mogelijk zouden ze immers belangstelling hebben voor klantreacties, zodat ze daarmee wat zouden kunnen doen? Ik vond echter op de site geen mailadres. Wel in mijn adresboek, omdat ik kennelijk eens eerder mailcontact met NS heb gehad. Nu echter werd mijn mail op dat adres geweigerd en kwam naar mij terug. Ik zocht eveneens tevergeefs op de site naar een faxadres, waarop ik mijn mail als brief naar NS verstuurde. Dat is nu vier weken geleden en NS neemt kennelijk niet de moeite te reageren. Inderdaad: klantreacties tellen niet. Dat is jammer, vooral voor NS.

Toen ik het verhaal aan mijn vrouw vertelde, meldde zij dat ze regelmatig reclamemails van NS ontvangt. Ze stelde me voor het afzenderadres daarvan te proberen om NS te bereiken. Dat heb ik zojuist gedaan. Mocht dat nog reactie opleveren, dan zal ik dat dadelijk als P.S. direct onder dit stukje vermelden.

Sterven op de IC

In de Volkskrant van gisteren twee artikelen van Ellen de Visser over het sterven op de intensive care. Het besluit dat (be)handelen medisch zinloos is, wordt door de artsen genomen. De familie heeft in feite niets in te brengen, al laat een aantal ziekenhuizen de familie nog meebeslissen. Jaarlijks overlijden 8.500 mensen op de intensive cares in Nederland. Meer dan 80 procent daarvan sterft na het staken van een behandeling, meestal na het uitschakelen van een beademingsmachine.

De Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC) heeft een landelijke richtlijn voor de artsen geschreven. Dat protocol is wereldwijd uniek, aldus Rik Gerritsen, intensivist in het Medisch Centrum Leeuwarden en voorzitter van de ethische commissie van de NVIC. Het staken van behandelingen gebeurt vaak heimelijk en zonder overleg. In het protocol is toestemming van de familie wenselijk, maar niet noodzakelijk. Tijd is een belangrijke factor, de familie heeft tijd nodig om te wennen aan het idee een dierbare te gaan verliezen. Zes uur voorbereidingstijd is daarom noodzakelijk en afspraken over welke rustgevende en pijnstillende medicatie gegeven zal worden in welke omstandigheden. Van belang is de morfine juist te doseren, dat wil zeggen niet te weinig te geven. Daarbij wordt benadrukt dat morfine op zich de dood niet bespoedigt.

De belangrijkste vraag, die wanneer behandeling zinloos is, blijft in z'n algemeenheid onbeantwoord en moet per patiënt beoordeeld worden. En daarin zal de familie dus nauwelijks inbreng hebben.

Ten slotte een citaat van Gerritsen: 'Er zijn ergere lotsbestemmingen dan overlijden.'

21-4: Werkdruk docenten te hoog?

Laatste zaterdag in de Volkskrant: 79 procent van de leraren in het basisonderwijs klaagt over de werkdruk. Thomas van Aalten en Ianthe Sahadat geven in het artikel aan dat de werkdruk het grootste probleem in het onderwijs is en het afgelopen jaar alleen maar is toegenomen volgens 68 procent van de docenten die meededen aan een onderzoek van bureau Newcom Research & Consultancy samen met 'VK Banen'. Als tweede grote probleemgebied worden het niveau en de kwaliteit van het onderwijs genoemd. Er deden 2.300 docenten mee, waarvan 38 procent uit het voortgezet onderwijs, 30 procent uit mbo, hbo en universitair onderwijs en 22 procent uit het basisonderwijs. Onderwijspsycholoog Rob Martens van de Open Universiteit stelt dat docenten vaker dan welke beroepsgroep dan ook lijden aan burn-out, ook al omdat de werkdruk hen zou belemmeren zich verder te ontwikkelen en omdat er relatief weinig carrièreperspectieven zijn. De werkdruk zou overigens niet in het aantal lesuren zitten, maar in de rompslomp daaromheen, reden waarom de vraag wordt gesteld of je onderwijs nog wel moet meten in lesuren. Van de ondervraagden oordeelt maar liefst 35 procent dat het management zich niet met vernieuwingen bezighoudt of luistert naar aanbevelingen van docenten. Ik zou het ten slotte interessant vinden meer te weten over of misschien ook de mentaliteit en/of de problemen van de leerlingen een rol spelen in de werkdruk van docenten. Daarover vind ik in het artikel niets terug. Dat dit in het onderwijs geen item zou zijn, waag ik te betwijfelen.

22-4: Malaria

Malaria (mala aira = slechte lucht) of moeraskoorts is een infectieziekte, veroorzaakt door de malariaparasiet die van mens op mens via een (vrouwelijke) muggenbeet wordt overgedragen. Malaria tropica is de meest voorkomende en tevens de meest ernstige vorm. Vanaf 10 tot 14 dagen na besmetting kunnen de eerste griepachtige klachten optreden, als koorts, koude rillingen, spierpijn en hoofdpijn. Soms echter duurt het maanden tot jaren voordat de in de lever verblijvende parasieten actief worden. De parasiet vermenigvuldigt zich daar in de lever en later in de rode bloedcellen. Wees na terugkeer uit een malariagebied in elk geval de eerste vier maanden bedacht op eventuele malaria. Elke griep zou in dat geval malaria kunnen zijn. Wereldwijd sterven jaarlijks een miljoen mensen aan malaria, meest in Afrika en meest jonge kinderen. (Nederland werd in 1970 malariavrij. Vlak na de Tweede Wereldoorlog kenden we hier nog 10.000 ziektegevallen per jaar.)

De malariamug is actief tussen zonsondergang en zonsopkomst. De laatste meters laten de muggen zich leiden door de geur van de bacteriën op de huid van de voet (zweetvoeten!). Zorg dus voor schone voeten. Draag in die uren beschermende kleding. Muggen houden niet van door een ventilator in beweging gehouden lucht, evenmin van airco. Gebruik een muskietennet en/of insectenwerende middelen met DEET (diethyl-meta-toluamide). Slik profylactisch of malarone (atovaquon, eenmaal daags van een dag voor aankomst in het malariagebied tot zeven dagen na vertrek, maar maximaal een maand achtereen) of lariam (mefloquine, eenmaal per week van een week voor aankomst tot vier weken na vertrek) of doxycycline (een antibioticum, dagelijks vanaf aankomst tot vier weken na vertrek). Malarone is tegenwoordig meestal de eerste keuze. Elk van de middelen kan vervelende bijwerkingen hebben en Lariam moet niet door psychiatrische patiënten, met name met endogeen depressieve klachten of psychotische problemen, worden gebruikt. Malaria is echter een ernstige ziekte die het gebruik van schadelijke profylaxe doorgaans rechtvaardigt. Toch malaria gekregen? De noodbehandeling bestaat uit malarone gedurende drie dagen eenmaal per dag vier tabletten met een vetrijke maaltijd innemen of lariam vijf of zes tabletten (zes bij lichaamsgewicht meer dan 60 kg.). Deze tabletten kunnen gesplitst worden in twee of drie doses met zes tot acht uur tussentijd in te nemen, maar begin altijd met drie tabletten, bijvoorbeeld 3-2-1 tablet.

Kenmerkend voor malaria zijn de koortsaanvallen met koude rillingen en soms braken. Soms doen de aanvallen zich regelmatig om de 48 of 72 uur voor. In het begin kan er echter slechts sprake lijken van een lichte griep. Vraag daarom, als de klachten na twee dagen niet verminderen, altijd medische hulp. Bij malaria tropica kan cerebrale malaria optreden, waarbij bloedvaten in de hersenen verstopt raken. De prognose van onbehandelde malaria is slecht, van cerebrale malaria zeer slecht (95 procent sterfte). Vaccinatie is (nog) niet mogelijk. Goede behandeling wel: Lariam wordt gebruikt, maar tegenwoordig geniet ACTS, Artemisinine Combinatie Therapie, de voorkeur. Juist vorige week was in het nieuws dat jaarlijks 250 miljoen mensen malaria krijgen en dat de hulporganisaties met het plan kwamen om ACTS veel goedkoper te maken, omdat waar dit middel wordt gebruikt het aantal doden met 50 tot 90 procent is afgenomen. In ruil voor afname van grote hoeveelheden door de hulporganisaties en een gegarandeerde afzet zou de fabrikant ingestemd hebben met een prijsverlaging van maar liefst 90 procent (voor een testperiode van twee jaar in elf ontwikkelingslanden)! Ja, ja, ook menselijk welzijn is dikwijls (of meestal?) primair een kwestie van geld en handel.

Zie ook hier.

23-4: Afnemende mondigheid van de patiënt

In de Volkskrant een interview door Maud Effting van Frans Meijman, hoogleraar publiekscommunicatie, die een boek schreef over de mondigheid van de patiënt. Het lijkt erop dat die mondigheid afneemt doordat de arts steeds meer protocollen volgt. Om die protocollen kom je als patiënt bijna niet meer heen. In feite bepaalt de computer steeds meer wat er tijdens het consult gebeurt. Uit video-opnamen uit de tachtiger jaren en uit 2002 blijkt dat de betrokkenheid van de patiënt bij de behandeling in de spreekkamer zichtbaar is afgenomen. Gemiddeld wordt maar de helft van de adviezen van artsen opgevolgd. Eveneens belandt de helft van de voorgeschreven medicijnen in de prullenbak. Als de patiënt het gevoel heeft dat er in de spreekkamer naar hem of haar geluisterd is, zal de therapietrouw veel hoger zijn. Daarom zou er bij belangrijke gezondheidsproblemen altijd een tweede consult moeten komen, waarin dan samen met de patiënt wordt beslist wat er moet gebeuren. Dat moet dus niet meteen in hetzelfde gesprek waarin zo'n probleem op tafel komt. De patiënt heeft gewoon even tijd nodig.

24-4: Vakantie en mobiel bellen

Vanaf 1 juli mogen de mobieletelecomproviders een lager maximumtarief berekenen voor gesprekken en sms'jes binnen de Europese Unie. Het maximum-sms-tarief wordt 11 cent, zelf bellen binnen de EU wordt maximaal 43 cent per minuut en gebeld worden 19 cent. Viviane Reding, Europees Commissaris voor Telecommunicatie, maakt zo een eind aan de 'afzetpraktijken' van telecombedrijven. Houd echter buiten de EU de tarieven goed in de gaten. Er worden buitensporig hoge tarieven berekend die bovendien per provider sterk kunnen verschillen. In Zuid-Afrika kon ik bijvoorbeeld op mijn Telfort-abonnement gebeld worden voor € 2,75 per minuut en op mijn kpn-prepaid voor € 0,65 per minuut. Met een (gratis in de warenhuizen en bij benzinestations te verkrijgen) Zuid-Afrikaanse prepaid-simkaart in mijn telefoon belde ik voor 10 of 12 cent per minuut naar Nederland.

27-4: Mediapandemie snelt eventuele 'varkensgriep' vooruit

Onze wereld is niet meer die van de tijd van de Spaanse griep (1918), waarin er een pandemie was van influenza van het type H1N1 die naar schatting 50 miljoen doden eiste (1 op de 100 patiënten stierf). De communicatie gaat sneller, zodat er binnen een paar dagen al sprake is van een mediapandemie. Mogelijk zal die gevolgd worden door de ziekte zelf en dan, door het veel intensievere internationale personenverkeer, sneller dan bij de Spaanse griep het geval was. De huidige 'varkensgriep', komend uit Mexico, is eveneens van het type H1N1. De ziekte is nog niet bij varkens aangetroffen. Waarschijnlijk gaat het om een combinatie van vogelgriep, menselijke griep en varkensgriep die kans ziet over te springen op de mens en mogelijk ook van mens naar mens. De ziekte reageert goed op behandeling met de bekende antivirale middelen Tamiflu (oseltamivir) en Relenza (zanamivir). De bekende griepprik biedt geen bescherming, maar een vaccinatiepreparaat wordt voorbereid. Mocht de Mexicaanse griep inderdaad uitbreken, dan zullen met name massabijeenkomsten afgeraden of verboden worden. Een andere bijzonderheid is dat bij de Spaanse griep niet vooral ouderen slachtoffer werden, zoals bij de 'gewone' griep, maar jongeren tussen 14 en 40 jaar. Het lijkt erop dat het virus de sterkste immuunsystemen opzocht. Hetzelfde zou met de Mexicaanse griep het geval kunnen zijn.

28-4: Varkensgriep (2)

Varkensgriep of Mexicaanse griep laat zich aanzien als gewone griep: koorts, hoesten, longontsteking, moeheid, gebrek aan eetlust, hoofdpijn, spierpijn, misselijkheid. Het virus wordt 'aangehoest', vandaar dat preventief mondkapjes worden gebruikt. Mensen hebben geen weerstand tegen het specifieke virus omdat het niet eerder is voorgekomen en er geen vaccinatie tegen is. Bij een epidemie wordt daarom naar verwachting eenderde van de mensen ziek, tegen gemiddeld vijf procent bij een bestaand menselijk griepvirus. Inmiddels heeft de WHO het alarmniveau verhoogd naar 4 (op een schaal van 6). Dat impliceert dat het virus van mens op mens wordt overgedragen. Er wordt opgeroepen tot reisbeperkingen.

Meer zonlicht

Een ANP-berichtje van vorige week: de zon schijnt langer en feller! De Wageningse universiteit heeft één van de langst doorlopende reeksen meteorologische meetgegevens in de wereld. Wat blijkt? De intensiteit van de zonnestraling neemt de laatste 80 jaar gemiddeld met 2 procent per 10 jaar toe en de zon schijnt nu per jaar gemiddeld 412 uur langer dan in 1928. Andere langlopende meetreeksen in Europa en Noord-Amerika tonen hetzelfde beeld. Over het geheel genomen is er minder bewolking. Of er verband is met de klimaatverandering is nog niet duidelijk.

RIVM zou doden na vaccinaties verzwijgen

Jannes Koetsier, arts, voorheen huisarts, schrijft hierover in DvhN van 24 april. Het RIVM zou per jaar 5 tot 10 sterfgevallen van kinderen (meest tussen 2 en 14 maanden) na vaccinatie rapporteren, waarbij de complicaties dagen tot weken na een vaccinatie optreden. De vraag is of er meer, niet gerapporteerde sterfgevallen zijn. Veel artsen hebben namelijk de mening dat deze risico's niet bestaan. In driekwart van de geregistreerde gevallen wordt uiteindelijk tot wiegendood geconcludeerd. Het RIVM zelf beoordeelt de relatie met de vaccinatie doorgaans als onaantoonbaar en onwaarschijnlijk.

In Japan daalde het aantal wiegendoden sterk nadat men de vaccinatiereeks was begonnen te starten op tweejarige leeftijd. Een enkele keer overlijdt overigens een ouder kind, van 8 of 9, kort na een vaccinatie, bijvoorbeeld na onverklaarbare ineenstorting van het afweersysteem. Neurologen verhalen van hersenschade die zij soms zien na koortsstuipen na vaccinatie.

Er lijkt al met al rekening te moeten worden gehouden met een uiterst kleine kans op ernstige complicaties. Het zou goed zijn dit risico niet te verzwijgen.

Vitamine K-druppels voor baby's: te weinig!

Vitamine K speelt bij baby's een rol in de bloedstolling en de voorkoming van een (hersen)bloeding. Alle baby's in Nederland krijgen direct na de geboorte extra vitamine K. Vervolgens zit die extra vitamine in de flesvoeding. Baby's met borstvoeding moeten de eerste drie maanden blijven bijslikken, 25 microgram per dag, dat is enkele druppeltjes. Alleen borstvoedingsbaby's met galgang-atresie, een leverziekte door een aangeboren ontbreken of afsluiting van de galgang tussen galblaas en dunne darm die voorkomt bij 1 op 10.000 pasgeborenen, hebben de extra vitamine ten behoeve van de bloedstolling daadwerkelijk nodig. Daarnaast speelt vitamine K overigens een rol in het aanmaken van bot (de binding van calcium). Vitamine K zit in groene bladgroenten als spinazie en broccoli.

In Denemarken krijgen pasgeborenen sedert 2000 eenmalig bij de geboorte 2 mg. vitamine K per injectie. Daar komen de bloedingen tienmaal minder voor (ondezoek van Peter van Hasselt, kinderarts UMCU en Henkjan Verkade , kinderarts UMCG). Vergeleken zou je de Nederlandse dosering druppeltjes moeten verzesvoudigen om hetzelfde resultaat te krijgen. In Nederland overlijden overigens gemiddeld 6 baby's per jaar aan het bloedingsprobleem.

Bij galgangatresie komen de galzuren in het bloed terecht en vandaar in de urine, die donker kleurt, en in de huid (die geler wordt), terwijl de ontlasting licht is van kleur. Lever en milt zijn vergroot en er kunnen spontane bloedingen ontstaan. Na verloop van tijd ontstaat levercirrose en vochtophoping in de buik. Als op tijd gediagnosticeerd wordt, is behandeling mogelijk.

Straling magnetron

Over straling bestaan veel indianenverhalen. Voor zover ik weet werkt de magnetron met een straling van 2,45 GHz oftewel 2450 MHz (WiFi zit op 2,4 net als draadloze toepassingen als muis, toetsenbord, video-overdracht, deurbel, garagedeuropener en hoofdtelefoon. Recenter zit WiFi ook op 5,0 GHz. Gsm in Nederland zit op 880 tot 960 en 1710 tot 1880 MHz, dect op 1880 tot 1900 MHz en umts op 1900 tot 2170 MHz). De microgolven brengen de watermoleculen in het voedsel in trilling, waardoor dat verhit wordt. Volgens de Zwitserse voedingswetenschapper Hans Ulrich Hertel brengt de straling echter schade toe aan de moleculen van het voedsel en die op hun beurt weer aan de organen van het menselijke lichaam, met het ontstaan van kanker als gevolg. Over inductie-koken gaan overigens soortgelijke verhalen. Hertel is in Zwitserland veroordeeld om zijn uitspraken en moet zwijgen op last van een hoge dwangsom, niet echt een voorbeeld van vrije meningsuiting dus. Toch wordt er almaar geen verband gevonden tussen deze soorten straling en kanker of andere gezondheidsklachten. Bekend is ook dat gezondheidsklachten die patiënten koppelen aan een nieuwe umts-zendmast inderdaad meer met de plaatsing van de mast dan met de straling ervan te maken hebben. De klachten treden namelijk op zodra een mast geplaatst is, ook als deze nog niet in werking is gesteld. Het blijft een moeilijke en moeizame materie, waarover het laatste woord nog niet gesproken zal zijn.

29-4: Altijd weer geweld

Klaas de Graaff, socioloog en criminoloog, schreef vorige week in de Volkskrant over 'de andere kant' van de medaille van het geweld, waar in de media weinig aandacht voor is. Want veel geweld komt door zogenaamd verbeterde service als dure 0900-nummers met lange wachttijden.

In veel gevallen zijn alcohol of drugs en/of een gebrek aan beschaving oorzaak van agressie tegen dienstverleners. Maar er speelt meer. De avond- of nachtdienst van de huisarts is er niet meer en bij calamiteiten moet men naar een hulppost met risico van lange wachttijden. De serviceverlening van bedrijven wordt breed uitgemeten en de werkelijkheid benadert de belofte bij lange na niet. Een paar klikken voor een internetverbinding? Er zijn er die er wekenlang mee aan het tobben zijn. Telefonische hulp? Vergeet het maar, zeker als er 0900 gebeld moet worden. Functionarissen die zich verstoppen achter regels die als irritant overkomen bij de klant. De overheidsbureaucratie (die al jaren aangepakt zou worden) is breed uitgewaaierd naar openbaarvervoerbedrijven, megaziekenhuizen en onderwijsinstellingen. Onze wereld is vol ergernisverwekkende verschijnselen en er zijn misschien steeds meer mensen met een tekortschietende frustratietolerantie. Zijn zij de probleemveroorzakers? Of ligt het probleem al een stap terug?

Sars

Sars (Severe Acute Respiratory Syndrome, ernstige acute ademhalingsziekte) werd het eerst in Zuid-China waargenomen, in november 2002. Daarna verspreidde de ziekte zich wereldwijd. In maart 2003 waren de epidemieën uitgewoed. Er waren toen 8422 mensen ziek geworden, van wie 908 overleden (volgens andere bron respectievelijk 2781 en 111).

Het gaat om een atypische longontsteking (pneumonie) die wordt veroorzaakt door het Sars-virus, een type coronavirus dat eerder niet bij mensen was aangetroffen. In 2003 werd een identiek virus gevonden in de civetkat, die een Zuid-Chinese delicatesse is. Besmetting gaat via de adem, maar wellicht ook via huidcontact, urine en ontlasting. Besmet drinken of voedsel kan de ziekte ook veroorzaken. Sars is wat minder besmettelijk dan gewone griep. Na ruwweg 5 incubatiedagen krijgt men griepsymptomen met droge hoest en kortademigheid. Daar kan gemakkelijk longontsteking bij komen, met hypoxie (zuurstoftekort) als gevolg. Behandeling met ribavirine (een antiviraal middel) leek soms resultaat te geven. Mogelijk werkt chloroquine, een oud middel tegen malaria, tegen Sars. Laboratoriumproeven doen dat vermoeden.

nov. 2013: Sars en ook nog andere epidemieën blijken hun oorsprong bij vleermuizen te vinden.

30-4: Koninginnedag 2009

Wie niet langer het gevoel heeft in tel te zijn. Dat was wat me inviel toen ik de beelden zag van het drama van Koninginnedag 2009. Het lijkt een daad van agressie, maar ook van agressie gericht op de eigen persoon. Een zelfmoordactie lijkt het me. Wat is er aan de hand geweest, zo vraag ik me af. Wat kan er (allemaal) gebeurd zijn, waardoor iemand zo ver van zichzelf en van ieder ander, zozeer in eenzaamheid, kan besluiten tot zo'n verschrikkelijk agressieve daad voor het oog van heel Nederland en waarschijnlijk van de hele wereld? Opnieuw is één ding duidelijk: te midden van ons is iemand in de knel gekomen, tot stikkens toe benauwd geraakt. En uiteindelijk heeft hij een uitweg gevonden, één waar in het gevoel nog slechts de woede aanwezig was. Wie en wat maakte hem zo benauwd? Het zou goed zijn bij die vraag stil te staan, als we althans dit soort uitwassen willen voorkomen.

Maagzuurremmers

Chris Mulder, maag-darm-leverarts en voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Gastro-Enterologie (NVGE), schrijft in de Volkskrant over maagzuurremmers (antacida).

Het kabinet wil na de slaap- en kalmeringsmiddelen ook het vergoeden van dit soort middelen goeddeels stoppen. Erkend wordt dat de middelen veel gebruikt worden als niet duidelijk is wat er aan de hand is, maar daarnaast is volgens Mulder deze medicatie voor velen van levensbelang. Maagzuurreflux leidt tot ontsteking van het slijmvlies van de slokdarm en uiteindelijk tot slokdarmkanker. Daarnaast gebruiken heel veel Nederlanders chronisch pijnstillers (NSAID's als ibuprofen, diclofenac, meloxicam en naproxen) bij bijvoorbeeld artrose of aspirine en andere bloedverdunners i.v.m. hart-en vaatziekten. Bij beide groepen is een combinatie met een maagzuurremmer dikwijls van belang om maagzuurproblemen te voorkomen of te verminderen. Ook worden maagzuurremmers gebruikt bij de behandeling van maagzweren en zweren in de twaalfvingerige darm en bij de behandeling van de maagbacterie helicobacter pylori, vaak oorzaak van een maagzweer.

Omeprazol (Losec) 20 mg. is de goedkoopste maagzuurremmer en in het kabinetsvoorstel zou alleen dit middel nog kunnen worden vergoed, al is bijvoorbeeld bij ontsteking van de slokdarm minstens de dubbele dosering nodig. Mulder betoogt te vrezen dat verminderd gebruik van de middelen tot hogere kosten voor de gezondheidszorg zal leiden door complicaties, ziekenhuisopnames en toenemende sterfte.

1-5: Mexicaanse griep (3)

Het lijkt mee te vallen met de Mexicaanse griep. Een paar mensen zijn ziek geworden, het alarmniveau is weliswaar verhoogd naar 5 (van 6), maar de verschijnselen zijn niet ernstiger dan bij een 'normale' griep. Desondanks is er optie genomen op (te ontwikkelen) vaccin voor de totale Nederlandse bevolking. Alleen in Mexico zou de griep wat ernstiger verlopen, alhoewel de wisselende cijfers daarvandaan niet betrouwbaar lijken. Rekening wordt gehouden met muteren van het virus tot een gevaarlijker variant.

Hoe kun je proberen bij een epidemie besmetting te voorkomen? Dat gaat als bij gewone griep: mijd contact met (hoestende/niezende) patiënten en mijd dus plaatsen waar veel mensen bijeenkomen, zorg voor voldoende rust, goede voeding en buitenlucht, neem goede hygiëne in acht (deurkrukken, lichtschakelaars, afstandsbedieningen, pindabakjes(!), trapleuningen, wc-brillen). Of het dragen van een mondkapje helpt, is onzeker. Na (mogelijke) besmetting kan personen uit risicogroepen Tamiflu worden voorgeschreven. Met het middel moet binnen 48 uur na aanvang van de klachten begonnen worden.

Vogelgriep

Vogelgriep of aviaire influenza veroorzaakt griepachtige verschijnselen bij hoenderachtigen en heeft een incubatietijd van drie dagen tot twee weken. Het virus verspreidt zich via de lucht en via lichaamsvocht en feces, waarin het wel 100 dagen kan overleven. Vermoed wordt dat het begin van een uitbraak veroorzaakt wordt door wilde eenden of andere watervogels die over boerderijen vliegen. Voor kippen, kalkoenen en eenden is de ziekte dodelijk. Het gaat om een influenza-A-virus (H5N1) met steeds nieuwe varianten. In geval van mutaties (antigene drift) kan een virus ontstaan dat gevaarlijker is dan het oorspronkelijke. Er zijn ook virussen die genetisch materiaal onderling uitwisselen, de antigene shift. Vatbaar zijn: kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, pauwen, duiven, fazanten en patrijzen. Ook zoogdieren en mensen kunnen in sommige gevallen worden besmet. In 2006 is in Jakarta een mutatie gevonden die van mens op mens overdraagbaar is. Deze mutatie is onder controle. De ziekte oogt bij de mens als gewone griep. Als complicatie kan longontsteking optreden. In tegenstelling tot gewone griep (H3N2) heeft de mens voor vogelgriep geen immuniteit opgebouwd. (Overigens sterven in Nederland toch nog duizend mensen per jaar aan die gewone griep.) Bij vogelgriep reageert het menselijk afweersysteem eigenlijk pas als het al te laat is. Met name risicogroepen als ouderen, jonge kinderen en bijvoorbeeld diabetici worden dan gemakkelijk slachtoffer. Antivirale middelen kunnen, mits binnen 48 uur na het ziek worden begonnen wordt, het ziektebeeld wat milder maken.

3-5: Kindermishandeling

Per jaar worden in ons land ongeveer 107.000 kinderen mishandeld, dat is één kind per schoolklas, zo lees ik in de Volkskrant van 28 april (artikel van Maud Effting). Zo'n 80 kinderen vinden elk jaar de dood door mishandeling en ernstige verwaarlozing. Op het moment dat deze kinderen hulp krijgen, worden ze doorgaans al langer dan een jaar mishandeld. In 2007 kwam 1,4 procent van de meldingen van huisartsen. Sinds 2008 is voor artsen een meldcode van kracht en is hun beroepsgeheim ondergeschikt aan eventuele vermoedens van kindermishandeling. Ze melden bij het AMK, het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en zij lichten de ouders over de melding in.

Mishandelende ouders komen met smoezen bij de huisarts: van de commode gevallen, tegen een muur gefietst, mishandeld door een broertje of zusje of een ongeluk dat ze niet hebben gezien. Ook komen zulke ouders veelal tussendoor voor een spoedafspraak, in de hoop dat de haast van de arts zijn of haar opmerkzaamheid negatief zal beïnvloeden. Kindermishandeling komt relatief veel voor bij kinderen met een handicap, met adhd of bij huilbaby's. Er lijkt daarbij sprake van onmacht bij de ouders. Baby's lopen vaak hersenschade op door geschud te worden. De meeste kindermishandeling is echter niet direct zichtbaar. Die zit in verwaarlozing. Een kind dat emotioneel verwaarloosd wordt, ontwikkelt een veel kleinere hersenomvang. Ook, misschien juist hoog opgeleide mensen kunnen veel te weinig aandacht aan hun kinderen geven. Verder bleek dat verwaarlozing en mishandeling vaak samengaan met slechte gebitten.

Ik ken het uit mijn eigen werkervaring. Ik weet hoe moeilijk het afwegen van de (moeizaam verkregen) vertrouwensband tegen het melden van vermoedens is. Ik heb meegemaakt dat van de ene dag op de andere een kind bij z'n vader werd weggehaald en ik heb m'n handen vol gehad aan die vader te weerhouden van een acute suïcide. Daar heb ik toentertijd per direct een aantal andere cliënten voor af moeten bellen. Ik ken de situatie van het jonge gezin, waarin de moeder eerst het ene kind met het hoofd tegen de muur doodsloeg en een maand later het andere. In de deuropening kwam ik de predikant tegen, die me zei dat het toch wel heel verschrikkelijk was hoezeer deze ouders getroffen waren. In hem hadden ze kennelijk nog geen vertrouwenspersoon gevonden. Veel meer dan zulke duidelijke mishandeling ken ik situaties, waarin ik kinderen de dupe zag worden van een tekort aan zorg en aandacht. En lang niet allemaal doen ze een appel zoals die moeder, die het niet meer kon en die in de nacht met haar kind achterin de auto dwars door de draaideur het gebouw van de hulpverleningsinstelling binnenreed.

5-5: Hartstilstand

De meldkamer 112 vraagt niet genoeg door als er mogelijk sprake is van een hartstilstand, zo is vandaag in het nieuws. Bij een hartstilstand rukken als regel twee ambulances uit. Eén van de twee is dan gemiddeld na 8½ minuut ter plaatse, terwijl er gemiddeld 1½ minuut meer nodig is als één ambulance uitrukt. Bij een gestopte circulatie is 6 minuten doorgaans al te veel om nog zinvol te kunnen reanimeren.

Ik zie overigens nog een ander probleem. De 112-beller moet in Nederland eerst doorverbonden worden, dus aangeven of hij of zij de ambulancedienst, de brandweer of de politie zoekt. Ik stel me voor dat die onnodige extra stap veel melders, toch al gespannen, in verwarring brengt. Bovendien zal er dikwijls sprake zijn van een noodzaak van uitrukken van een combinatie van deze diensten. Mijn persoonlijke ervaring is dat 112 ook niet (altijd) snel wordt opgenomen. Het kan voorkomen dat de noodoproep geheel uitbelt en door de melder dus opnieuw gekozen moet worden. Allemaal punten waarop nog wel wat verbetering mogelijk is. Elke ehbo'er weet dat bij een hartstilstand gemeld moet worden dat het om een reanimatie gaat. Die zal overigens, bij aanwezigheid van een ehbo'er, direct starten. Nog altijd nemen te weinig mensen de moeite een ehbo-cursus met reanimatie te doen, waardoor nog te veel slachtoffers volledig afhankelijk worden van professionals die niet op tijd aanwezig kunnen zijn. Ook de sms-hulp van vrijwilligers met een AED (automatische externe defibrillator) werkt nog lang niet overal optimaal en in sommige regio's nog helemaal niet.

Krentenbaard

Krentenbaard of impetigo (ook wel kinderzeer) is een besmettelijke infectieziekte van de huid, veroorzaakt door bacteriën, meestal de staphilococcus aureus. Het gaat om huiduitslag, vaak rond neus en/of mond, maar soms ook elders (over het hele lichaam). De bultjes veranderen snel in blaasjes waarop geelachtige doorzichtige korstjes komen. Het probleem doet zich vooral bij kinderen tussen 2 en 12 voor. In tien jaar tijds komt de ziekte maar liefst viermaal zoveel voor!

Veel mensen dragen de bacterie bij zich zonder ziek te zijn of te worden. Verspreiding dan door aanhoesten en verder door direct contact met de vloeistof uit de blaasjes (speelgoed!). Het is beter niet te krabben en de uitslag niet aan te raken. Hand- en hoesthygiëne zijn van belang en dus het gebruik van papieren handdoekjes en zakdoekjes of een aparte handdoek. De incubatietijd ligt tussen de 1 en 4 dagen, soms tot 2 weken. De genezing kan worden versneld door een zalf met een antibioticum aan te brengen, waarmee het besmettingsgevaar binnen 48 uur verdwijnt. Verwijder de dunne huid op de blaren voor het aanbrengen van de zalf door er met een ruw washandje over te wrijven. Een enkele keer is een orale kuur met een antibioticum nodig.

6-5: Q-koorts (2)

De Q-koorts is aan een nieuwe opmars bezig. Ook dit jaar komen de meeste meldingen uit Noord-Brabant. De bacterie veroorzaakt bij zwangere geiten abortussen en vroeggeboorten. Bacteriën uit placenta, vruchtwater en urine belanden in mest en stro, waarin ze heel lang kunnen overleven, en worden later uitgereden. Met de wind verwaaien ze in fijnstof. Mensen ademen ze in en worden besmet. Sommigen worden ziek. Zwangeren lopen risico op een chronische infectie. De ziekte wordt niet van mens op mens overgedragen.

Het Ministerie van Landbouw verwacht in 2010 effect te zien van de geitenvaccinatiecampagnes in Noord-Brabant en delen van Gelderland en Limburg.

Multiple sclerose (MS)

Multiple sclerose is een ziekte van het centraal zenuwstelsel, niet een spierziekte. Er wordt aangenomen dat het een auto-immuunziekte is. De isolatielaag van de zenuwuitlopers (de myelineschede) werkt niet meer correct. Daardoor ontstaan neurologische problemen als verlammingen. Langzaam atrofiëren ook de hersenen, waardoor het hersenvolume afneemt. De ziekte treedt het meest op bij jongvolwassenen, meer bij vrouwen. Waarschijnlijk is er een samenspel van erfelijke aanleg en omgevingsfactoren. Een familielid van een patiënt heeft iets meer dan gemiddeld kans de ziekte te krijgen. MS komt in landen dichter bij de evenaar nauwelijks of niet voor. Mensen die als klein kind naar de tropen emigreerden, hebben een kleiner risico dan achterblijvers. Wie als klein kind juist in de andere richting emigreerde, heeft een hoger risico dan de achterblijvers. Emigratie vanaf de puberteit heeft geen effect meer op het risico.

Er wordt gedacht dat vitamine D een rol speelt. In een onderzoek bij Amerikaanse militairen werd bij de blanken een verband gevonden tussen het gehalte vitamine D in het bloed en de kans op MS. Zonlicht zet de provitamine D in het lichaam om in vitamine D. In de Scandinavische kuststreken, waar veel vis (met vitamine D) wordt gegeten, komt MS minder voor dan in het binnenland. Sommigen menen dat MS samenhangt met een abnormale reactie op een virusinfectie in de jeugd. Anderen menen dat te hygiënische omstandigheden de bevattelijkheid voor MS beïnvloeden. Er is onderzoek waaruit zou blijken dat het nuttigen van weinig verzadigde vetten of een plantaardig dieet de progressie van de ziekte milder zou maken. Anderen ontkennen dit.

MS-patiënten kunnen oogproblemen hebben en last van vermoeidheid, stijve spieren, tremoren, spasmes, gevoelloze plekken, prikkelingen, pijnscheuten, geheugenproblemen, incontinentie, obstipatie, seksuele stoornissen, spraakproblemen (dysartrie), duizeligheid, misselijkheid en depressie. De diagnose vindt plaats in een combinatie van klinisch beeld, MRI-onderzoek en liquoronderzoek. Om de diagnose te kunnen stellen, moeten de klachten minstens in twee aparte episodes zijn opgetreden en dienen de klachten overeen te komen met gevonden afwijkingen in de witte stof van oogzenuwen, hersenen en ruggenmerg. In het beloop van MS zien we exacerbaties (Schubs, aanvalsgewijze verergeringen) en remissies (oplevingen met minder of geen klachten). De gemiddelde levensverwachting wordt door MS maar weinig verkort. Er worden immuunmodulerende middelen als interferon-beta (Betaferon) en glatirameer (Copaxone) gegeven. Ze remmen het beloop van de ziekte. Bij exacerbaties worden coticosteroïden (bijvoorbeeld methylprednisolon, 3 dagen 1000 mg. per dag i.v.) gebruikt. Een nieuwer middel, natalizumab (Tysabri), geeft inmiddels erg hoopgevende resultaten, maar is erg duur en wordt nog niet door de zorgverzekering vergoed. Het middel moet onder strikte controle worden gebruikt, omdat tweemaal (van 1100) een fatale complicatie (PML, progressieve multifocale leuko-encefalopathie) optrad.

7-5: Pseudokroep en epiglottitis

Pseudokroep (laryngitis subglottica, valse kroep) is een virale ontsteking van de keel, het strottenhoofd en de luchtpijp, meestal voorafgegaan door een verkoudheid. De ziekte is besmettelijk, verspreiding via aanhoesten. De aanvallen komen met name 's avonds en 's nachts voor in herfst en winter bij kinderen van ½ tot 5 jaar (met een piek in het tweede en derde levensjaar), meer bij jongens, incidentie 3 procent van deze kinderen per jaar. De slijmvliezen rond de stembanden zwellen op, waardoor moeilijker (gierend, inspiratoire stridor) wordt ingeademd en benauwdheid kan optreden. De stem is vaak hees. Ook kan blafhoest voorkomen. Er kan wat verhoging zijn. De ziekte verdwijnt meestal vanzelf. Afwachten, het kind op schoot nemen, afleiden en bijvoorbeeld thee met honig geven. Opwinding verergert de klachten! Stomen (in de douche) wordt niet meer geadviseerd. Zo nodig kan het kind een (cortico)steroïde krijgen via een vernevelingsapparaat. Een enkele keer is intubatie (of tracheotomie) noodzakelijk. De ziekte is doorgaans binnen twee weken voorbij. Laat eventueel een (levensbedreigende) epiglottitis uitsluiten door de huisarts.

Epiglottitis is een ontsteking van het strotklepje (epiglottis), meestal veroorzaakt door de bacterie Haemophilus influenzae type b (waartegen vaccinatie mogelijk is). De ziekte is besmettelijk (aanhoesten) en komt meest voor bij kinderen tussen 2 en 4 jaar, maar kan (bijvoorbeeld na besmetting door het kind) ook bij volwassenen voorkomen. Het is een levensbedreigende ziekte en ziekenhuisopname (zo nodig IC) is geïndiceerd. Vaak zal een buis in de luchtpijp aangebracht worden (intubatie, zo nodig tracheotomie) en er zal een antibioticum gegeven worden. Er zijn hoge koorts, slikklachten (kwijlen) en snel toenemende benauwdheid, stridor (hoorbare, gierende, grommende ademhaling), vaak heldere stem. Het kind ademt erg voorzichtig en zit in een typische houding: licht voorover gebogen met de mond iets open. Wijziging van deze houding kan leiden tot dodelijke obstructie van de larynxuitgang.

8-5: Langdurige ziekmeldingen

In een staatje in de krant van vandaag vind ik een samenvattende onderverdeling naar klacht voor de langdurige ziekmeldingen van 2008 (bron UWV). Een derde van deze meldingen staat op conto van psychische problemen, een kwart komt voort uit problemen met 'het bewegingsapparaat', vijf procent hangt samen met hoofdpijn of migraine, vier procent met hart- en vaatziekten en twee procent met kanker.

Difterie

Difterie heette vroeger ook wel kroep. Het is een infectieziekte, veroorzaakt door de bacterie Corynebacterium diphteriae die meestal door aanhoesten overgebracht wordt. Incubatietijd 1 tot 5 dagen. Ook iemand die zelf niet ziek wordt, kan besmettelijk zijn. We zien een pijnlijke keel en moeilijk slikken, lichte koorts, braken, snelle hartslag, hoofdpijn, een loopneus, soms aan één zijde, keelzwelling en (sterk) bemoeilijkte ademhaling. Op de slijmvliezen van de keel kunnen taaie vliezen (pseudomembranen) ontstaan, waardoor kinderen soms stikken. De bacterie maakt gifstoffen (toxinen) aan, waardoor het hart (myocarditis) en het zenuwstelsel beschadigd kunnen raken. Oogproblemen en spierzwakte kunnen optreden.

Sedert 1957 zit de difterievaccinatie in het rijksvaccinatiepakket. De prikken worden gegeven op een leeftijd van 2, 3, 4 en 11 maanden en 4 en 9 jaar. Bij verre reizen 10 jaar of meer na de laatste vaccinatie moet die herhaald worden. Doordat de vaccinatiegraad kennelijk hoog genoeg is, zijn sedert 1990 geen difteriebesmettingen meer geregistreerd in Nederland. Zorgelijk is wel dat er een dalende tendens zit in de vaccinatiegraad van de vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma. Onbehandeld is difterie vaak dodelijk. Opname op de IC is noodzakelijk. Er wordt een antibioticum (penicilline, erytromycine) gegeven en meestal een antitoxine.

Hartinfarct

Bij een hartinfarct is er sprake van slagaderverstopping (arteriosclerose), meestal door verkalking (vet, cholesterol). Elke dag overlijden in Nederland meer dan 100 mensen aan hart- en vaatziekten, meer vrouwen (26.000 per jaar) dan mannen. In Europa is slagaderverkalking doodsoorzaak nummer 1. Na een hartinfarct overlijdt 42 procent van de vrouwen en 24 procent van de mannen binnen een jaar. In Nederland is slagaderverkalking de grootste doodsoorzaak voor vrouwen. Zij krijgen het meest een hartinfarct tussen 56 en 72 jaar, mannen tussen 48 en 65 jaar. Het oestrogeen van vrouwen beschermt de slagaders tot aan de menopauze. Bij een acuut hartinfarct is de sterfte één op drie.

Hartkramp (angor pectoris, angina pectoris) kan een voorbode zijn van een hartinfarct. Er is dan een zuurstoftekort in de hartspier. Inspanningsgebonden (stabiele) angor vormt geen acuut gevaar. Instabiele angor, kramp en beklemming in rust, vereist ziekenhuisopname. Bij een hartinfarct zien we een drukkend gevoel op de borstkas (thorax), uitstralende pijn naar armen en kaak, kortademigheid, misselijkheid, transpireren, pijn tussen de schouderbladen. Vrouwen laten soms een ander beeld zien: kortademigheid, vermoeidheid, slaapproblemen, buik- of rugpijn, pijn in de armen, druk op het hele bovenlichaam, keelpijn. Bij vrouwen zitten de verstoppingen vaker in kleinere vaten. Kenmerkend zijn dan de scheuten van hartkramp. Niet alle hartinfarcten zijn gemakkelijk herkenbaar. Er zijn voorbeelden waarin het infarct slechts gepaard ging met tandpijn of met lichte maagklachten.

Risicofactoren hart- en vaatziekten zijn in volgorde: roken (bij rokers is het risico driemaal zo groot!), overgewicht (bij ernstig overgewicht is het risico driemaal zo groot!), te hoog cholesterol, diabetes, hoge bloeddruk, ongezond eten, te weinig beweging.

Baarmoederhalskanker

Baarmoederhalskanker is kanker aan het slijmvlies van de baarmoederhals. Langdurig voor het ontstaan van deze kanker kunnen zich hier afwijkende premaligne cellen ontwikkelen. In Nederland zien we 700 gevallen van baarmoederhalskanker per jaar, meest bij vrouwen tussen 35 en 50 jaar. De kanker wordt veroorzaakt door het humaan papillomavirus (HPV). Er zijn wel honderd types van dit virus, maar 70 procent van de ziektegevallen wordt veroorzaakt door de types HPV16 en HPV18. Het virus wordt overgebracht door seksueel contact. Tachtig procent van de vrouwen krijgt ooit een HPV-infectie, maar vaak weet het lichaam deze zelf op te ruimen. Roken is de belangrijkste risicofactor: rooksters hebben een 1,5 maal hogere kans de ziekte te krijgen. Het hebben (gehad) van meerdere seksuele partners kan het risico verdrievoudigen. Condoomgebruik biedt geen bescherming. Het op jonge leeftijd hebben van seksueel contact (<18 jaar) verdubbelt het risico vergeleken met het eerste seksuele contact op leeftijd ouder dan 21 jaar. Het risico is lager bij vrouwen waarvan de partner besneden is.

Baarmoederhalskanker openbaart zich vaak door bloederige of bruine afscheiding buiten de menstruatie om of door bloedverlies tijdens of direct na geslachtsgemeenschap (contactbloeding). Als behandelingen kennen we de operatieve verwijdering van een deel van de baarmoederhals of verwijdering van de baarmoeder en eventueel de eierstokken en eileiders en de lymfklieren in het bekken, bestraling (radiotherapie), chemotherapie en eventueel hyperthermie (warmtebehandeling gecombineerd met een andere behandelvorm). Door de operatie kan de vruchtbaarheid verloren gaan en kan de patiënt vervroegd in de overgang komen. Er kan ongewenst urineverlies optreden of lymfoedeem in de benen. De seksualiteitsbeleving kan veranderen

Baarmoederhalskanker heeft een overlevingskans na vijf jaar van 80 procent, maar de kanker kan doorgroeien naar de omgeving. In stadium 2 (overlevingskans 50 procent) naar het steun- en spierweefsel van de bekkenbodem of het bovenste deel van de vagina, in stadium 3 (overlevingskans 25 procent) naar de bekkenwand of tot het onderste deel van de vagina, in stadium 4 (overlevingskans 10 procent) tot buiten het bekken, naar de blaas, de endeldarm, de longen, de lever of de botten.

Het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker (sinds 1976) richt zich op vrouwen tussen 30 en 60 jaar. Elke vijf jaar wordt een uitstrijkje (cellen van de baarmoedermond) gemaakt. Voor vaccinatie zie hier.

10-5: Karst T. en 'Rondom Tien'

Op koninginnedag schreef ik 'Wie niet langer het gevoel heeft in tel te zijn.' Wat me de voorbije week opnieuw opviel, was hoezeer het kwaad van Karst's daad het goede in mensen wakker riep. Ze horen bij elkaar, het kwaad en het goede, en zonder de één kan de ander niet bestaan. Ze zijn elkaars katalysator. Zo werkt het nu eenmaal. Natuurlijk, we mogen en moeten werken aan een wereld van goed en misschien kunnen we langzaamaan met z'n allen die kant ook wat meer opgroeien, maar ik verbeeld me niet dat we in staat zullen zijn het kwaad uit onze wereld uit te bannen. Met het kwaad zou ook alle uitdaging immers uitdoven!

Iets anders werd duidelijker. Karst is mogelijk te zeer gebruiker geweest van cannabis. Lang niet iedereen verdraagt zulke softdrugs. Bij sommigen brengt het gebruik psychotische belevingen naar boven. Gezien de in de pers naar voren komende persoonlijkheidsveranderingen bij Karst zou het mij niet verbazen als dat precies is wat er aan de hand is geweest. Zijn we dus misschien veel te tolerant wat betreft het gebruik van dit soort middelen? (Ik vraag maar.

In 'Rondom Tien' (ncrv) van gisteravond werd een aantal mensen die zich meenden te herkennen in Karst ten tonele gevoerd. De vergelijking ging weliswaar voor velen van hen volledig mank, maar toch vond ik het goed dat althans gepoogd werd lucht te geven aan frustraties waar kennelijk velen van ons mee moeten leven, frustraties die vaak uitgroeien tot machteloze, blinde woede. Ik wil degene die kennelijk vind dat de gemeenschap haar maar moet onderhouden en vervolgens zelf de hoogte van de kosten van levensonderhoud wil bepalen in plaats van zich aan te passen aan de hoogte van de uitkering, buiten beschouwing laten. Want het is, zoals in het programma ook gezegd, nu eenmaal zo dat sommigen gelukkig willen leven en tegelijk vinden dat anderen voor dat geluk verantwoordelijk zijn, terwijl het zo in de praktijk dus niet werkt. Zo'n wens heeft te maken met het gegeven dat de helft van ons volk behept is met een persoonlijkheid met ernstig afhankelijke trekken, waarbij een interessante vraag is in hoeverre juist de verzorgingsstaat dit zo heeft voortgebracht. De frustraties in het programma hadden te maken met de blinde muren van onze instanties en de ontmenselijkte medewerkers daarin, de regels die kennelijk voorgaan op redelijkheid en recht, waardoor mensen onnodig in financiële armoede verzeild raken, terwijl ze daarnaast getuige (moeten) zijn van de graaicultuur van anderen aan de top, ook de politieke top. 'Waarom duw je iemand de maatschappelijk afgrond in?', zo vroeg een geïnterviewde zich af. Waarom worden sommige mensen die liefst gewoon voor zichzelf willen zorgen van het kastje naar de muur gestuurd, waar ze zich bijkans dood moeten vechten tegen de bierkaai? Iemand klaagde erover zich slechts als nummer behandeld te voelen en daar zo woedend over te worden dat de wens bestaat ook eens 'een daad' (net als Karst?) te stellen. Waarom, zo klaagde een ander, is de politiek zo blind voor ons? Waarom doen functionarissen zo harteloos? Waarom heb je altijd weer met een andere functionaris van doen? En waarom werkt alles zo langs elkaar heen en wordt er niet in gewoon begrijpelijk Nederlands gecommuniceerd? Ik zou denken dat bijvoorbeeld onze politici die laatste vraag in hun zak kunnen steken.

11-5: Eierstokkanker

De diagnose eierstokkanker (ovariumcarcinoom) wordt in Nederland zo'n 1100 keer per jaar gesteld, meest bij vrouwen boven de 50. De prognose is slecht: jaarlijks overlijden ongeveer 950 vrouwen aan eierstokkanker. Er ontstaan veelal pas klachten als het al te laat is. Die klachten kunnen bijvoorbeeld een postmenopauzaal bloedverlies zijn of benauwdheid (door uitzaaiingen). Het risico op eierstokkanker wordt kleiner door pilgebruik en zwangerschappen. Overgewicht verhoogt het risico en lange vrouwen lopen eveneens meer risico.

Meestvoorkomend (85 procent) is de epitheliale tumor (adenocarcinoom) die ontstaat in het epitheel (de buitenste laag cellen, de bekleding) van de eierstok. Bij familiaire borst- en/of eierstokkanker (5 à 10 procent van de gevallen) wordt vaak een mutatie in het BRCA1 of BRCA2-gen gevonden. De kiemceltumor komt vooral bij jonge meisjes voor. Eierstokkanker gaat vaak gepaard met vochtophoping in de buikholte (ascites). Vijftien procent van de epitheliale tumoren is borderlinetumor, d.w.z. grensgeval tussen goedaardig en kwaadaardig. In dat geval volstaat in de meeste gevallen de operatie. In de overige gevallen zal ook chemotherapie (cytostatica) en/of bestraling (radiotherapie) aangewezen zijn. Bij operatie van eierstokkanker zal niet altijd alle tumorweefsel verwijderd kunnen worden.

Bekend is uit onderzoek (van vrouwen boven de 50 met een vroeg ontdekte tumor) van de universiteit Utrecht dat behandeling in een gespecialiseerd ziekenhuis leidt tot een aanzienlijk lagere sterfte (eenderde lager) dan behandeling in een klein ziekenhuis.

12-5: Mannen zijn anders

Mannen en vrouwen verschillen van elkaar en niet alleen uiterlijk. Mannenhersenen zijn anders dan vrouwenhersenen. Dat begint al in week 7 na de conceptie. Jongetjes krijgen dan voor het eerst een flinke dosis testosteron, waarmee sommige communicatiecentra uitgeschakeld en agressie- en geslachtscentra ingeschakeld worden. Daardoor worden jongens later sneller verliefd, hebben ze meer zin in seks en zijn ze daadkrachtiger, maar kunnen ze zich ook emotioneel minder goed uiten en inleven. Ook in de 20ste week na de conceptie is er een piek in de testosteronproductie en vervolgens opnieuw in de eerste maanden na de geboorte.

Volgens Dick Swaab wordt homoseksualiteit al in de eerste maanden van de zwangerschap bepaald. Als bij jongetjes te weinig testosteron wordt aangemaakt, zou zich een homoseksuele structuur ontwikkelen. Als bij meisjes te veel testosteron geproduceerd wordt, zou zich eveneens homoseksualiteit ontwikkelen. En net wat meer testosteron dan gemiddeld bij meisjes of wat minder bij jongens zou biseksualiteit doen ontstaan. Dat het echt zo eenvoudig ligt allemaal, waag ik voorzichtig te betwijfelen.

Zie ook hier.

Hoge bloeddruk erfelijk bepaald

Gisteren in de krant: hoge bloeddruk heeft een erfelijke oorzaak. Een uitgebreid internationaal onderzoek (het UMCG onderzocht bijvoorbeeld 7.000 mensen) laat zien dat bepaalde genen verantwoordelijk zijn voor hypertensie. Daarnaast is al jaren bekend dat de bloeddruk ongunstig wordt beïnvloed door alcoholgebruik, zoutgebruik, overgewicht en te weinig bewegen. Door te hoge bloeddruk wordt het risico op hart- en vaatziekten en beroertes groter. De hoop bestaat dat de erfelijke factor nieuwe mogelijkheden voor behandeling dichterbij zal brengen.

Borstkanker

Borstkanker of mammacarcinoom is kanker in het melkklierweefsel in de borst, de meest voorkomende kanker bij vrouwen. Eén op de negen Nederlandse vrouwen krijgt borstkanker. (En één op de 1.000 mannen!) Borstkanker wordt waarschijnlijk veroorzaakt door afwijkingen in het DNA. Het risico van borstkanker neemt met de leeftijd toe. Verder is het risico groter als borstkanker in de eerstegraads familie (moeder, dochter, zus) voorkomt (tweemaal zo grote kans), als er een vroege eerste menstruatie was (< 13 jaar), de menopauze laat begon (>54 jaar), er geen of late (>35 jaar) eerste zwangerschap was, na stoppen met 'de pil', na langdurige (>4 jaar) hormoonvervangingstherapie met oestrogeen en progestageen tijdens de menopauze (2½ maal zoveel risico), bij overgewicht na de menopauze (risicoverhoging 40 tot 60 procent en bij ontwikkeling van borstkanker een meer kwaadaardige tumor), bij veel alcoholgebruik en bij rookverslaving. BRCA1 en BRCA2 veroorzaken vijf procent van de borstkankers, maar een vrouw met zo'n gen heeft een zeven maal grotere kans op borstkanker. Verder heeft een westerse vrouw viermaal meer kans dan een Afrikaanse of Aziatische. Lichamelijke activiteit beschermt mogelijk tegen borstkanker.

Nederland heeft 13.000 nieuwe borstkankerpatiënten per jaar en is daarmee de meest voorkomende kanker. De overlevingskans bij borstkanker is aanzienlijk groter geworden. De vijfjaarsoverleving is 80 procent en als de kanker zich tot de borst beperkt zelfs 95 procent, de tienjaarsoverleving 69 procent.

Het Bureau Beroepsziekten van de FNV denkt in navolging van in Denemarken toegekende schadevergoedingen dat vijf Nederlandse vrouwen die langdurig en regelmatig nachtdiensten draaiden een eis tot schadevergoeding kunnen indienen bij hun werkgever. Bij hen zijn andere risicofactoren als erfelijke aanleg, roken en drinken zoveel mogelijk uitgesloten. In Denemarken zijn overigens inmiddels 38 schadevergoedingen toegekend, maximaal 270.000 euro groot. Wat is het geval? Door ontregeling van de biologische klok wordt er te weinig melatonine aangemaakt en dat tekort beïnvloedt de concentratie oestrogeen in het bloed, hetwelk zou kunnen leiden tot borsttumoren. Tot nog toe is de samenhang niet overtuigend bewezen.

13-5: Aanstippen met stikstof

In huisartsenpraktijken worden sommige aandoeningen (onder andere wratten, ook genitale wratten, en kleine van een voorstadium van huidkanker verdachte plekjes) behandeld met vloeibare stikstof (nitrogenium). Zo werd vandaag een klein randje van mijn oor aangestipt in verband met wat ontstoken kraakbeen, vermoedelijk als gevolg van een verkeerde knip van de kapster. Wat er gebeurt, is dat de cellen eventjes bevroren worden, waardoor in feite de huid beschadigd wordt en een blaartje gaat ontstaan, waarna de huid zich vernieuwt. Aanwezige bacteriën sterven af. Mij viel op dat hetzelfde wattenstaafje herhaald in de stikstof werd gedoopt.

In 1995 besteedde 'The Lancet' tweemaal aandacht aan het onderwerp. Dezelfde stikstof wordt ook gebruikt voor cryochirurgie, het wegkrabben van bijvoorbeeld wratten. Wratten worden veroorzaakt door humane papillomavirussen (HPV), die ook o.a. kankers kunnen veroorzaken (bijvoorbeeld baarmoederhalskanker) en o.a. worden overgebracht door huid-op-huidcontact. Virussen kunnen in vloeibaar stikstof overleven, in onderzoeken worden ze zelfs bevroren om ze te bewaren. Met de stikstof kunnen bij hergebruik van hetzelfde wattenstokje dus virussen van andere patiënten worden overgebracht. In principe is overdracht van het hepatitis-B-virus, het HPV-virus en het humaan immunodeficiëntievirus (HIV) mogelijk. In een publicatie uit 1970 blijkt dat patiënten wratten kregen na behandeling met stikstof voor een niet-virale aandoening (als mijn oor).

Het is onjuist een gebruikt wattenstaafje voor de tweede maal in de stikstof te steken. Uiteraard heb ik de doktersassistente hierop attent gemaakt.

P.S. 27-6-2014: Tot mijn verbazing zie ik, ruim vijf jaar nadat ik het bovenstaande schreef, gebeuren dat in dezelfde praktijk opnieuw een wattenstaafje hergebruikt wordt. Opnieuw heb ik bovenstaande aangekaart en opnieuw gaf de assistentie aan dit nog eens te zullen bespreken.

Stichting Ambiance wil laatste wens in vervulling laten gaan

In DvhN vandaag een artikel van Daniëlle Molenaar over SANN, de Stichting Ambiance Noord-Nederland, die mensen met een terminale ziekte onder medische begeleiding wil helpen een laatste wens te vervullen. Het gaat om verpleegkundigen die als vrijwilliger in een ambulance patiënten gaan begeleiden die nog eenmaal een bepaalde bestemming willen bezoeken. Vooralsnog heeft UMCG Ambulancezorg in Tynaarlo een ambulance ter beschikking gesteld, maar de stichting probeert uit donaties een eigen ambulance op te sparen. Initiatiefnemer Vincent van de Ploeg: 'Wij willen mensen de kans bieden om op een positieve manier afscheid te nemen van hun leven.'

Tumormarkers

Tumormarkers zijn specifieke stoffen die bij kanker in het bloed voorkomen. Verschillende kankers kennen verschillende markers. Sommige markerstoffen komen slechts bij één specifieke kankersoort voor, andere bij meerdere. Dezelfde stoffen kunnen bij gezonde mensen ook (in kleinere hoeveelheden) voorkomen. Daarom zijn de meeste markers niet geschikt voor het opsporen van kanker, maar dienen ze slechts als ondersteuning in de diagnostiek. Markers worden ook gebruikt om het effect van behandeling te beoordelen en het wegblijven van de kanker te controleren. Het PSA (prostaatspecifiek antigeen) is de meest geaccepteerde marker (bij prostaatkanker). Verder zijn er markers voor de testes, de schildklier, de bijnieren, de longen, de lever, de dikke darm, de alvleesklier, de maag, de borst, het ruggenmerg, het beenmerg en de eierstokken. Dikwijls is de ontwikkeling van zo'n bloedwaarde dus belangrijker dan de waarde zelf. Een stabiele marker doet bijvoorbeeld vermoeden dat er geen verdere ziekteontwikkeling is. Helaas zijn de meeste markers niet gevoelig en/of niet specifiek genoeg. Daarom kunnen ze slechts een waarschuwingsfunctie hebben die moet worden gevolgd door nader onderzoek, bijvoorbeeld scans en/of een biopsie.

14-5: Alles is anders in de zorg

In de Volkskrant vandaag een stukje van Jet Bruinsma en Carlijne Vos n.a.v. het boek 'Alles is anders in de zorg' van zorgondernemer Jaap Maljers en gezondheidsjournalist Willem Wansink. Zij zouden willen breken met de Nederlandse traditie om in bijna alle honderd ziekenhuizen dag en nacht alle soorten zorg te kunnen leveren, omdat daardoor kunstmatig ondermaatse en inefficiënte zorg 'in de lucht' gehouden wordt.

Op bijvoorbeeld staaroperaties kan in Nederland minstens 32 miljoen bezuinigd worden door ze efficiënter uit te voeren in tien klinieken. De zorgmarkt zou verder nieuwe aanbieders moeten toelaten, de beste zorgverleners moeten selecteren en minder presterende aanbieders (als de IJsselmeerziekenhuizen) moeten laten omvallen. Uit de te behalen besparingen zouden ziekenhuizen kunnen worden gecompenseerd voor bijvoorbeeld dure therapieën bij kanker en orgaantransplantaties.

Het genoemde boek is vandaag aan minister Ab Klink van Volksgezondheid aangeboden.

De laatste tijd horen we steeds vaker over tekortschietende kwaliteit en hogere sterftecijfers dan nodig door die Nederlandse traditie van allround ziekenhuizen. Het is goed dat dit in de schijnwerpers komt. Onze gezondheidszorg dreigt onbetaalbaar te worden. Dan klinkt bezuinigen met kwaliteitsverbetering als gevolg wel heel aantrekkelijk. Dat er wat meer gereisd zal moeten worden, moet dan op de koop toe genomen worden, reden waarom ook de bereikbaarheid van de voorzieningen aandacht behoeft nu door overbelasting van het wegennet toch al allerlei bestemmingen op bepaalde uren te kampen hebben met onacceptabele aanrijtijden.

15-5: Straling door hoogspanningsleidingen

Gisteren in de Volkskrant een artikel van John Wanders onder de kop 'Gevaar hoogspanning erkend'. TenneT, beheerder van het landelijk netwerk, is bezig met schadevergoedingen aan negen inwoners van Zuid-Holland i.v.m. de aanleg van een nieuwe hoogspanningslijn nabij hun woningen, waardoor zij mogelijk verhoogde gezondheidsrisico's gaan lopen.

Zwitserse onderzoekers toonden vorig jaar een statistisch verband aan tussen wonen nabij hoogspanningskabels en de daardoor opgelopen elektromagnetische straling en overlijden aan Alzheimer, waarbij ik wil opmerken dat Alzheimer-patiënten doorgaans niet aan hun Alzheimer, maar aan een complicatie overlijden. Wie langer dan 15 jaar binnen 50 meter van een hoogspanningslijn woont, zou, volgens het Zwitserse onderzoek, een tweemaal zo groot risico lopen te overlijden aan Alzheimer. Evenals bij vroegere vaststelling dat kinderen die in de buurt van hoogspanningslijnen wonen statistisch een grotere kans op het krijgen van leukemie hebben, ontbreekt ook bij Alzheimer hard bewijs voor het oorzakelijke verband.

Volgens het RIVM wordt bij minimaal 23.000 Nederlandse woningen het maximaal toelaatbare stralingsniveau overschreden, waardoor 11.500 kinderen worden blootgesteld aan te veel straling. De betrokken gezinnen zouden moeten verhuizen om het probleem op te lossen. Vanwege het voorzorgsprincipe mag geen nieuwbouw meer plaatsvinden in de nabijheid van hoogspanningslijnen en bij de aanleg van nieuwe lijnen moet een afstand van minimaal 150 meter (tegen voorheen 50) tot de bebouwing in acht worden genomen. Bij de negen Zuid-Hollandse schadevergoedingen gaat het om bestaande woningen binnen deze zone.

TenneT geeft aan dat het ondergronds leggen van hoogspanningslijnen geen oplossing biedt, al is de risicostralingszone in dat geval wel smaller.

Schoolfeesten alcoholvrij

Een Kamermeerderheid wil dat minister Klink van Volksgezondheid bij middelbare scholen aandringt op het alcoholvrij maken van schoolfeesten. Bij het begin van de feesten zou met een blaastest moeten worden gecontroleerd of jongeren op dat moment niet al onder invloed zijn. Terecht, gezien de extra schade die alcoholgebruik tot 24-jarige leeftijd toebrengt aan de hersenen.

Alcohol en ongewenste seks

Stappende jonge vrouwen met ongewenste seksuele ervaringen in het uitgaansleven drinken aanzienlijk meer alcohol dan vrouwen die ook uitgaan en geen ervaring hebben met ongewenste seks.

Het Trimbosinstituut deed onderzoek naar het uitgaansgedrag, alcoholgebruik en ongewenste seksuele ervaringen in het uitgaanscircuit. Er werden 464 vrouwen van 16 tot 25 jaar oud ondervraagd, waarvan bijna 60 procent één of meer ongewenste seksuele ervaringen had. De onderzoekers constateren dat alcoholgebruik sterk samenhangt met het hebben van ongewenste seksuele ervaringen.

Huidkanker

De UV-straling in zonlicht is essentieel voor onze aanmaak van vitamine D. Een tekort veroorzaakt rachitis (Engelse ziekte, genoemd naar kinderen die in fabrieken werkten en te weinig in de zon kwamen). De energie van de straling wordt in de huid door eiwitten opgenomen. Door de absorptie van de energie kan het DNA van sommige cellen veranderen. De huid probeert zich door pigmentaanmaak (melanine, bruining) af te schermen tegen UV-straling. Als dit onvoldoende lukt, kan huidkanker ontstaan. De belangrijkste typen huidkanker zijn het basaalcelcarcinoom (BCC, in de laag onder hoornlaag en opperhuid, 70 procent van de huidkankers), het plaveiselcelcarcinoom (in de opperhuid, 20 procent van de huidkankers) en het melanoom (10 procent van de huidkankers), dat ontstaat uit pigmentcellen, veelal op de plaats van een moedervlek. Zonlicht, met name het ultraviolette licht, is de belangrijkste veroorzaker, maar ook inwerking van bijvoorbeeld benzeen kan huidkanker veroorzaken. Het aantal gevallen van huidkanker in Nederland is in gestaag stijgende lijn. De celcarcinomen hebben een gunstige prognose, de melanomen niet. Het basaalcelcarcinoom ziet eruit als een klein glanzend knobbeltje dat langzaam groeit, meestal in het gezicht. Het wordt een zweertje met een korstje erop. Het plaveiselcelcarcinoom zien we bij vooral oudere mensen. Het begint als een rood/roze knobbeltje met een korstje en het groeit wat sneller. Er blijft een zweertje over als het korstje eraf is. Het melanoom is agressiever. Een bestaande moedervlek wordt groter of gaat jeuken of een vlek verkleurt donkerder. Het risico van huidkanker is groter bij mensen met een lichte huid die moeilijk bruinen, bij mensen met rood of blond haar, bij ouderen, bij mannen, bij mensen die al eens huidkanker hadden en bij mensen die huidkanker in de familie hebben.

Behandeling van huidkanker gebeurt met diverse methodes: operatie, cryochirurgie (bevriezing), electrodissecatie (wegbranden), radiotherapie (bestralen) en fotodynamische therapie waarbij de kankercellen gevoelig gemaakt worden voor licht en daarna zodanig belicht worden dat ze afsterven.

Wetenswaardigheden:
- De ooglens laat geen ultraviolet licht door, waardoor het netvlies beschermd wordt. De ooglens zelf ontwikkelt onder invloed van ultraviolet licht staar als ouderdomskwaal.
- Ozon houdt het meeste UV-licht tegen. De ozonlaag bevindt zich op 10 tot 15 kilometer hoogte. De aantasting van deze laag door bepaalde luchtvervuilingen bedreigt het leven op aarde.
- Drinkwater wordt door sommige waterleidingbedrijven gezuiverd met UV-licht.
- In de horeca wordt UV-licht wel gebruikt om bacteriegroei in wc en keuken af te remmen.
- Zonnebrillen moeten een goed UV-filter hebben, omdat anders de extra openstaande iris juist meer UV-licht zal doorlaten. Pas dus op met speelgoedzonnebrillen!

Prostaatkanker

Een verzwakte urinestraal en/of 's nachts vaker moeten plassen kan signaal zijn van benigne (goedaardige) prostaathypertrofie of van (maligne, kwaadaardige) prostaatkanker. Bij prostaatkanker kan er bloed in urine en/of sperma voorkomen, maar als dit voorkomt, kan het ook andere oorzaken hebben. Prostaatkanker wordt meestal pas in een laat stadium ontdekt. De diagnose wordt in Nederland minstens 9.000 keer per jaar gesteld en dit aantal groeit. Er zijn nu 3.000 sterfgevallen per jaar. Zeker 80 procent van de diagnoses komt voor rekening van 65-plussers. Prostaatkanker komt in West-Europa en de V.S. naar verhouding meer voor, vermoedelijk verband houdend met voedingsgewoonten (relatief veel vlees, weinig fruit en groentes). Erfelijke factoren lijken vaak een rol mee te spelen. Een paar specifieke genen worden met de aandoening in verband gebracht. De prostaattumor groeit meestal erg langzaam en geeft aanvankelijk dus geen klachten, reden waarom bij het stellen van de diagnose soms al sprake is van uitzaaiingen (metastasen) in de lymfklieren van de onderbuik, de onderste ruggenwervels en/of in de botten. De diagnose zal gesteld kunnen worden op basis van rectaal toucher door de uroloog, bepaling van de PSA en eventueel een biopsie. Soms wordt een transrectale echografie gedaan.

We kennen de volgende behandelingen (of combinaties van behandelingen):
- Bij ouderen: watchful waiting (onder controle afwachten), met als voordeel dat er geen bijwerkingen zijn en het nadeel dat de kanker na jaren misschien onbehandelbaar geworden is
- Prostatectomie, waarbij prostaat en lymfklieren worden verwijderd. Vaak zal de kanker weg zijn, maar aan de operatie zijn forse risico's verbonden.
- Radiotherapie (bestraling, uitwendig of inwendig)
- TURP, transuretrale resectie van de prostaat, waarbij de prostaat (gedeeltelijk) wordt verwijderd via de plasbuis
- Hormoontherapie: Drogenil (flutamide), Casodex (bicalutamide), Anandron (nilutamide), Zoladex (implantatiestaafje, gosereline), door sommigen wel 'chemische castratie' genoemd. Na een jaar begint de kanker minder gevoelig voor deze behandeling te worden.
- Cryochirurgie (bevriezing en ontdooiing van de tumorcellen)
- Chemotherapie (Taxotere of docetaxel, met name bij uitzaaiingen)
- Bifosfonaten bij de behandeling van botpijnen
- Inwendige bestraling door injecteren van Strontium, met name bij botpijnen

Bijzonderheden:
- Regelmatige masturbatie op latere leeftijd zou volgens verschillende onderzoeken het risico van prostaatkanker een stuk verminderen!*) Volgens één onderzoek (Britse wetenschappers in januari 2009 in het vakblad British Journal of Urology International) lopen mannen tot 40 jaar die geregeld masturberen juist meer risico.
- Blootstelling aan cadmium en aan straling zijn beide wel in causaal verband gebracht met prostaatkanker.

*) juli 2017: Onderzoekers van de Harvard-universiteit in de V.S. vonden dat mannen die 21 ejaculaties per maand hebben 33 procent minder kans op prostaatkanker hebben. Ze volgden 32.000 mannen gedurende acht jaar. Opmerkelijk is dat de mannen met veel zaadlozingen uit dit ondezoek relatief ongezonder leefden. Mogelijk worden ze hierdoor minder oud en krijgt de kanker daardoor minder kans. In Nederland krijgen jaarlijks 11.000 mannen prostaatkanker en overlijden er jaarlijks 2600 mannen aan. Boven de 70 zou 30 procent van de mannen het hebben, boven de 90 vrijwel iedereen.

Leukemie

Leukemie is kanker van de leukocyten (witte bloedcellen). In feite komen er veel te veel van die cellen, die normaal een rol spelen in het afweersysteem van het lichaam, waardoor er geen plaats meer is voor de rode bloedcellen en de bloedplaatje, zodat gemakkelijk bloedarmoede en/of bloedingen kunnen ontstaan. We kennen de acute lymfatische leukemie (ALL, veel bij kinderen en jongvolwassenen) en de acute myeloïde leukemie (AML, tussen 20 en 40 en boven de 60 jaar). Bij acute leukemie zien we onrijpe kwaadaardige bloedcellen. Verder de chronische lymfatische (CLL, bij bejaarden) en de chronische myeloïde leukemie (CML, bij jongvolwassenen). Bij chronische leukemie is er een opeenhoping van rijpe kwaadaardige bloedcellen. Sommigen menen dat er een verband is tussen leukemie en virussen of dat stoffen als benzeen en sommige medicijnen (chemotherapie) leukemie veroorzaken. Aangetoond is het verband met radioactieve straling.

Bij kinderen komt vooral de ALL voor (in Nederland 120 nieuwe patiëntjes per jaar, vaak van 4 of 5 jaar oud en meer jongetjes dan meisjes), die in 80 procent van de gevallen te genezen is. Denk aan chemotherapie (die 2 jaar voortduurt), soms bestraling en beenmergtransplantatie oftewel stamceltransplantatie. Naast bloedarmoede en bloedingen zien we gewrichtspijnen en zwelling van de lymfklieren.

Bij chronische myeloïde leukemiepatiënten wordt Glivec (imatinib) voorgeschreven. Tegenwoordig overleeft daarmee 90 procent van de per jaar 250 getroffenen.

Na behandeling met chemotherapie zijn er nog altijd kankercellen over, maar zou het immuunsysteem die (weer) moeten kunnen opruimen. Die overgebleven cellen kunnen zich echter voor het afweersysteem camoufleren door zich met een ander dan het eigen eiwit onherkenbaar te maken. Verder produceren die cellen een stof die het immuunsysteem kan verlammen (onderzoek Martine Chamuleau). Deze wetenschap wordt wellicht de basis van nader onderzoek naar effectieve immuuntherapie.

16-5: IVF of reageerbuisbevruchting

De in-vitrofertilisatie of reageerbuisbevruchting bestaat sinds 1978. Uit de eierstokken van de vrouw weggezogen rijpe eicellen worden in een glazen schaaltje samengesmolten met uit sperma verkregen zaadcellen. Uit ongeveer de helft van de eicellen ontstaat zo een embryo. Eén of twee gezond lijkende embryo's worden vervolgens op dag 3 of 4 in de baarmoeder geplaatst. Een derde van de terugplaatsingen leidt tot zwangerschap, dat is bij ruim een kwart van alle paren die een IVF-behandeling gestart zijn. (Ingevroren embryo's hebben een kans van 50 procent om bij ontdooiing alsnog gebruikt te kunnen worden.) Wereldwijd zijn al meer dan drie miljoen kinderen na IVF geboren, in Nederland zijn dat er zo'n 4.600 per jaar op een totaal aantal geboortes van 180.000.

Steeds meer wordt maar één embryo geplaatst, waardoor het percentage meerlingzwangerschappen sterk is teruggebracht. Tweelingen of meerlingen hebben een verhoogde kans op complicaties tijdens zwangerschap en bevalling en tijdens de neonatale periode (de eerste levensmaand). Bij meerlingzwangerschappen treden ook meer vroeggeboortes op, is het geboortegewicht van kinderen lager en zijn er ook vaker aangeboren afwijkingen. In Nederland worden nog vaak twee embryo's geplaatst, omdat verzekeraars maar drie behandelingen vergoeden. In België mogen bij wet vrouwen tot 36 bij de eerste drie pogingen maar één embryo geplaatst krijgen, boven de 36 of na drie mislukte pogingen mogen twee embryo's geplaatst worden. De Belgische verzekering betaalt zes behandelingen.

IVF-kinderen hebben, net als kinderen geboren uit ouders met vruchtbaarheidsproblemen die minstens een jaar pogingen hebben gedaan zwanger te worden, 50 procent meer kans op aangeboren afwijkingen. Eenlingen, geboren na IVF, hebben een vijfmaal verhoogd risico van een slokdarmafsluiting, een viermaal verhoogd risico van een rectumafsluiting en een tweemaal verhoogd risico van een hazenlip en van een hartafwijking. Bij normale zwangerschappen komt zo'n afwijking bij 3 procent van de geboortes voor, na IVF dus bij 4½ procent.

Sedert 10 jaar kunnen mensen met een ernstig erfelijke aandoening, door middel van genetische diagnostiek vóór het plaatsen van de embryo's, een embryo laten plaatsen dat geen drager van het zieke gen is.

18-5: Grieppandemie, Tamiflu en de werking van ons afweersysteem

Bij verdenking op Mexicaanse griep wordt overal de virusremmer Tamiflu gegeven. Die verzacht en verkort de symptomen en maakt naar verwachting de gebruiker minder en minder lang besmettelijk. Een vraag die bij mij leeft, wordt nergens beantwoord: Wat doet Tamiflu met ons afweersysteem? Immers, zonder gebruik van zo'n middel zou het lichaam bij infectie antistoffen opbouwen waardoor we de ziekte zouden overwinnen en we door het geactiveerde afweersysteem voorlopig van de risico' s van dit virus (en daarop sterk gelijkende virussen) gevrijwaard zouden zijn. Net als bij gewone griep dus. Als we een virusremmer gebruiken, wordt het virus in z'n uitbraak geremd. Maar maken we dan wel (evenveel) antistoffen aan?

Vanmorgen was ik in de apotheek. Daar lag een uitgebreide, 14 pagina's tellende folder van het Ministerie van Volksgezondheid, het RIVM en het Nederlands Huisartsen Genootschap voor het meenemen. Omdat ik hoopte antwoord op mijn vraag te zullen kunnen krijgen, nam ik die mee. Maar het antwoord bleef ook hier uit. Of het moest zijn wat de apothekersassistente mij meldde: 'U moet het vergelijken met een antibioticum bij een bacteriële infectie. Dat komt het afweersysteem bepaald ook niet ten goede.' Als klopt wat deze assistente me zei, roepen we dan met deze middelen (bij deze tot nu toe goedaardige griep) niet wereldwijd een falend afweersysteem over onszelf af, waardoor uiteindelijk onze kwetsbaarheid alleen maar zal toenemen? Wie weet hier meer over?

Angststoornissen

Bij pathologische (ziekelijke) angst spreken we van angststoornis. Normale angst heeft de functie de verdedigingsmechanismen van de mens te activeren opdat hij/zij in levensbedreigende situaties een zo groot mogelijke kans zal hebben te kunnen overleven. Angststoornissen komen vaker voor bij vrouwen.

De acute stress-stoornis (ASS) treedt vrij snel op na een levensbedreigende traumatische ervaring en duurt niet langer dan enkele weken. Er zijn gevoelens van afschuw, machteloosheid en hulpeloosheid. Het gevoel is vaak verdoofd en er zijn concentratie- en/of slaapproblemen. Alles kan onwerkelijk lijken en men kan het gevoel hebben buiten zichzelf te zijn. Soms kan men zich stukken van het gebeurde niet herinneren. De beelden kunnen steeds terugkomen en soms probeert men dat te voorkomen door bepaalde dingen te vermijden. Belangrijk is in gesprek te gaan en het verhaal in een veilige omgeving steeds opnieuw te vertellen, liefst met de bijbehorende emoties. Zo kan verwerking beginnen. Soms worden rustgevende middelen gegeven.

Agorafobie staat voor marktangst of pleinvrees. Het gaat dan om open ruimtes en in feite om de angst de vertrouwde omgeving te verlaten. In ernstige gevallen trekt men zich terug in een veilige omgeving, met een sociaal isolement als gevolg. Soms is agorafobie ook een paniekstoornis, een anticipatieangst, angst voor de angst een paniekaanval te zullen kunnen krijgen in feite, een angst die snel leidt tot vermijdingsgedrag. Claustrofobie, angst voor kleine afgesloten ruimtes, kan dezelfde klachten en problemen oproepen met als achterliggende angst opgesloten te kunnen worden. Behandeling veelal door gedragstherapie.

De gegeneraliseerde angststoornis (GAS) staat voor langdurige moeilijk onder controle te krijgen angstgevoelens (voorgevoelens) waar in ogen van anderen geen aanleiding voor is. De angsten staan het normale leven vaak in de weg. Men heeft klamme handen, diarree, is schrikkerig en/of misselijk en transpireert veel. Er is snel sprake van irritatie en er zijn slaapproblemen en of concentratieproblemen. Men is rusteloos actief. Vroeger werden verslavende benzodiazepines voorgeschreven (Valium (diazepam), oxazepam, Temesta (lorazepam), bromazepam, Xanax (alprazolam)). Nu zijn dat antidepressiva (SSRI's, selectieve serotonine-heropnameremmers en SNRI's, serotonine-en-noradrenaline-heropnameremmers) als Seroxat (paroxetine), Cipramil (citalopram), Fevarin (fluvoxamine), Efexor (venlafaxine) en Prozac (fluoxetine). De inwerktijd van deze middelen is enige weken.

De obsessief-compulsieve stoornis (OCS) heette vroeger dwangneurose. Er is een obsessieve drang bepaalde rituelen (compulsies) uit te voeren in reactie op obsessieve of dwangmatige gedachten (controledwang, smetvrees). De dwang heeft de functie de angst onder controle te houden. Er is een bepaalde erfelijke aanleg bij OCS en er wordt vermoed dat neurologische afwijkingen (in het limbisch systeem, dat een rol speelt in de beheersing van motivaties en emotioneel gedrag) een oorzakelijke rol kunnen spelen. Verder spelen omgevingsfactoren en relationele patronen een rol. Zo blijven sommige partners bij elkaar door de OCS bij één van beiden. De klachten kunnen dan de functie hebben een gewenste, maar angstverwekkende scheiding niet aan te hoeven gaan. Soms is OCS ook een gevolg van hersenbeschadiging. Behandeling kan vaak door (cognitieve) gedragstherapie. Ook worden middelen als Fevarin (fluvoxamine), Zoloft (sertraline), Cipramil (citalopram), Lexapro (escitalopram), Anafranil (clomipramine) en Efexor (venlafaxine) wel voorgeschreven.
Bij OCPS, de obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis, komen de problemen voort uit de persoonlijkheid van de betrokkene en zijn ze eigenlijk een eigenschap van die persoonlijkheid. De betrokkene zal er zelf minder last van hebben.

De paniekstoornis geeft regelmatig optredende paniekaanvallen, vaak gepaard met hyperventilatie. Bij paniek is er kortdurende ernstige angst met zowel lichamelijke (hartslag, ademhaling, misselijkheid) als psychische gevolgen (angst om dood te gaan, gevoel buiten de werkelijkheid of buiten het eigen lichaam te staan, resp. derealisatie en depersonalisatie). Vaak is er ook de angst voor de paniekaanval die deze juist pleegt op te roepen en zijn er allerlei vermijdingsgedragingen om potentieel bedreigende situaties uit de weg te gaan (paniekstoornis met agorafobie). De betrokkene is dikwijls overtuigd van een lichamelijke oorzaak van de aanvallen. De behandeling zal individueel bepaald worden. Bij hyperventilatie wordt de betrokkene geleerd hoe de ademhaling te controleren. Soms zijn ontspanningsoefeningen aangewezen.

De PTSS of posttraumatische stress-stoornis kan ontstaan na levensbedreigende stressgevende situaties die voor de betrokkene traumatisch waren. Er treden langer dan een maand durend (bij kortere duur spreken we van ASS, acute stress-stoornis) herbelevingen op in flashbacks en nachtmerries en de herinneringen worden vermeden. Er kunnen prikkelbaarheid, concentratieproblemen en depressie optreden, net als slaapproblemen. Ten gevolge van de spanning heeft de betrokkene vaak snelle en hevige schrikreacties. Er kunnen gevoelens van vervreemding of onthechting zijn en het gevoel kan afgevlakt zijn. Het levensperspectief kan verloren gaan. De behandeling gebeurt vaak door cognitieve gedragstherapie en/of door medicatie als antidepressiva en benzodiazepines. EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing) wordt ook veel toegepast. Door oogbewegingen en klikjes wordt de betrokkene van de traumatische herinneringen afgeleid.in plaats van daarmee geconfronteerd, zoals in cognitieve gedragstherapie gebeurt.

De (specifieke) fobie beheerst een deel van het leven van de betrokkene. Bij een specifieke of enkelvoudige fobie beperkt de angst zich tot specifieke situaties of objecten. Bekend is de spinnenfobie. Alhoewel de betrokkene inziet dat de angst overdreven is, treedt die toch op. Mogelijke fobische situaties worden langdurig vermeden, waardoor het dagelijkse leven wordt beperkt. Behandeling door gedragstherapie (systematische desensitisatie, flooding).

Bij sociale fobie of sociale angststoornis kent de betrokkene grote onzekerheid en verlegenheid in gewone sociale contacten met onbekenden, zoals in sollicitatiegesprekken, vergaderingen, bij feestjes, boodschappen doen of telefoneren. Er is angst voor kritiek en afwijzing en om dom gevonden te worden. Specifiekere sociale fobieën zijn bloosangst, trilangst, angst om te zullen stotteren en plasangst. De betrokkene vermijdt bepaalde situaties en kan in een sociaal isolement raken. Hij of zij heeft eigenlijk te veel aandacht voor de eigen reacties in het sociale verkeer en te weinig voor die van anderen.

Angststoornissen en koffie

In een kop koffie zit zo'n 70 (in een kop cafeïnevrije koffie 3) mg. cafeïne (ook wel coffeïne of theïne genoemd). In een kop thee zit de helft daarvan (niet in kruidenthee!), evenals in een glas cola. Verder zit cafeïne in chocolade en in sommige andere frisdranken. Cafeïne is een alkaloïde, een wit poeder, net als nicotine, cocaïne, codeïne en morfine. Het is giftig. Aangenomen wordt dat 10 gram cafeïne voor mensen dodelijk is. Twee of drie kopjes koffie bevorderen de waakzaamheid en het reactievermogen bij autorijden. Ook het kortetermijngeheugen wordt er beter door. Cafeïne heeft waarschijnlijk een beschermende werking tegen de ziekte van Alzheimer. Men kan er echter verslaafd aan raken. Dan treden ontwenningsverschijnselen op bij onthouding. Bekend zijn hoofdpijn en migraine, bloeddrukdaling, prikkelbaarheid, misselijkheid en braken. Cafeïne heeft in het bloed een halfwaardetijd van 5 uur. (Na 5 uur zit de helft dus nog steeds in het bloed en na 10 uur nog een kwart.) Bij rokers gaat de afbraak sneller, bij zwangeren veel langzamer.

Bij cafeïnevergiftiging treedt verminderde eetlust op, beven (tremor), rusteloosheid, misselijkheid en braken, versnelde hartslag (tachycardie), verhoogd bloedsuiker en verwardheid. Bij ernstige vergiftiging kan een delier optreden met bewustzijnsverlaging, verwardheid, angst, waanvoorstellingen, desoriëntatie en geheugenstoornissen. Cafeïne veroorzaakt bij zwangeren een lager geboortegewicht van de baby. Ook zijn zwangeren gevoeliger voor gastritis (maagwandontsteking) door verhoogd maagzuurgehalte. Cafeïne bevordert de uitscheiding van calcium in de urine, eveneens reden voor zwangeren om ten behoeve van de botontwikkeling van het kindje het koffiegebruik te beperken. Bij mannen vermindert koffiegebruik de beweeglijkheid van het sperma. In met een metalen filter gezette koffie (espresso- en perculatorkoffie) komt relatief veel slecht cholesterol voor (LDL). Het risico op ouderdomsdiabetes neemt echter met de helft af bij consumptie van minstens zeven kopjes koffie per dag. (Theegebruik maakt geen verschil.)

Algemeen bekend is dat cafeïne het slaappatroon negatief beïnvloedt. Bekend is ook dat maagproblemen erdoor versterkt worden. Veel minder bekend is de samenhang met angststoornissen. Bij een aantal stevige koffiedrinkers verdwijnt de angststoornis namelijk als sneeuw voor de zon na afkicken van de koffie. Het blijkt dat deze mensen sterker dan gemiddeld op koffie reageren en het angstniveau stijgt bij hen mee met de hoeveelheid cafeïne die ze binnenkrijgen. Dit geldt in extra sterke mate voor mensen met een gegeneraliseerde angststoornis, dat is een steeds aanwezige angst voor allerlei gewone dingen. Mensen met een angststoornis en fors koffiegebruik beoordelen zichzelf ook als depressiever dan gemiddeld. Een deel van de verklaring zal zijn dat angstige mensen meer op hun lichaam letten en dus ook sneller de effecten van cafeïne waarnemen, ook bijvoorbeeld de hartkloppingen, die dan weer bron zullen worden voor nieuwe angst. Eigenlijk moet gesteld worden dat iedereen met een angststoornis een ruime periode zou moeten proberen te leven zonder cafeïne om te weten of het gebruik daarvan van invloed is op de klachten.

Zie ook hier.

19-5: Schizofrenie

Schizofrenie is een ernstige psychiatrische aandoening die in vele vormen en gradaties voorkomt. Er wordt een erfelijke aanleg vermoed, waarbij een aantal specifieke genen speciale aandacht hebben, maar er wordt ook wel gedacht dat een groot aantal genvarianten elk voor zich een bijdrage leveren aan een verhoogde gevoeligheid voor schizofrenie. Ook wordt wel gedacht dat een tekort aan de neurotransmitter dopamine een grote rol speelt. (Daarnaast zouden de neurotransmitters glutamine, acetylcholine en serotonine hun rol meespelen, evenals een tekort aan neuropil.) Er wordt aangenomen dat omgevingsfactoren bij het zich openbaren van de ziekte een rol meespelen. Statistisch is vastgesteld dat de normale kans op het krijgen van schizofrenie 1 procent is tegen 48 procent bij een eeneiige tweelingbroer of -zus, 17 procent bij een tweelingbroer of -zus, 13 procent bij een kind van een ouder met de ziekte, 9 procent bij een broer of zus en 2 procent bij een oom, tante, neef of nicht. Ik ken zelf een gezin waarin drie van de vier kinderen (geen tweelingen) schizofrenie ontwikkelden, alleen de oudste niet. De ziekte openbaart zich dikwijls voor het eerst tussen het 15de en 30ste levensjaar. De naam 'schizofrenie' kan verwarrend werken. Sommigen denken dat het gaat om mensen met een gespleten geest of persoonlijkheid, maar zij verwarren de ziekte met de dissociatieve identiteitsstoornis. Bij schizofrenie is er een ernstige afname van de samenhang tussen waarneming en emoties en het denken.

Aan het uitbreken van de ziekte kan een prodromale fase van dagen tot jaren voorafgaan. Kenners van de ziekte zullen in het contact dan al snel het zogenoemde praecoxgevoel krijgen, naar de vroegere naam voor schizofrenie, dementia praecox, terwijl naaste familie nog geen bijzonderheden merkt. (Met name viel mij soms de zogenoemde 'stokkende gedachtegang' op, haperingen als het ware in het denkproces.) Vervolgens zien we een 'knik in de levenslijn'. Terwijl alles voorheen nog (redelijk) goed ging, komen veel ontwikkelingen nu tot stilstand. Er treden psychotische episodes op, afgewisseld door stabiele fases, die van weken tot meerdere jaren kunnen duren. In de psychotische episodes is er een afwijkende beleving van de realiteit, zijn er wanen en/of hallucinaties (waarnemingsstoornis, zien of horen van dingen die anderen niet waarnemen, stemmen horen die commentaar geven op wat de betrokkene denkt of aan het doen is). We zien onlogische en vaak bizar aandoende gedachtepatronen en dus een verstoring van het denken (verwardheid) en er kunnen gedragsstoornissen en zelfverwaarlozing voorkomen. Soms zijn er verstoorde bewegingen (o.a. 'bevriezing' of catatonie). We noemen dit de positieve symptomatologie, wat duidt op de aanwezigheid van ziekelijke symptomen. Er zijn daarnaast negatieve symptomen, d.w.z. afwezigheid van 'normale' belevingen en gedragingen, zoals energie- en initiatiefverlies, levensvreugdeverlies, concentratieproblemen en lusteloosheid. Al snel is er dikwijls sprake van sociaal isolement. De negatieve symptomen kunnen ook aan het uitbreken van de ziekte voorafgaan. Mede als gevolg van de medicatie (met name typische- of klassieke antipsychotica) treedt daarnaast emotionele vervlakking (affectvervlakking) op.

Schizofrenie is een progressief proces, waarbij het van belang is te pogen psychotische episodes te voorkomen, omdat na elke psychotische episode (Schub) de negatieve symptomen sterker op de voorgrond zullen treden. Belangrijk bij schizofrenie (of aanleg daarvoor) is stress te voorkomen en geen hallucinogenen, softdrugs of alcohol te gebruiken. Veel schizofrene patiënten gebruiken nicotine, sommigen ook pijnstillers als paracetamol, als zelfmedicatie. We onderscheiden catatone schizofrenie (motorische inactiviteit, halsstarrig gedrag, imitatiegedrag of juist overdreven activiteit), paranoïde schizofrenie (met achterdocht, spanning, vijandigheid) en gedesorganiseerde schizofrenie (met gedesorganiseerd en primitief gedrag en taalgebruik). (Bij hersenonderzoek bij schizofrenie zien we vergrote laterale ventrikels in de hersenen en afnemende grijze stof, met name frontaal en temporaal. (Er wordt ook wel vermoed dat dit door de antipsychotica komt.) Kenmerkend is verder de aanwezigheid van defecte GABA-interneuronen.)

De medicamenteuze behandeling met antipsychotica (neuroleptica) wordt altijd individueel ingesteld en het juiste middel is soms moeilijk te vinden. Therapieontrouw (mogelijk ook door de vervelende bijverschijnselen als spierstijfheid of Parkinsonisme (extrapiramidale bijwerking), rusteloosheid, hormonale verschuivingen, slaperigheid, duizeligheid en bloeddrukdaling, gewichtstoename, problemen met libido en orgasme) is hierbij een groot probleem. Depotmedicatie (vaak eenmaal per twee weken per injectie) maakt meer controle op het gebruik mogelijk. Als een middel vier weken lang niet helpt tegen de psychose, wordt een ander middel geprobeerd. Belangrijke middelen zijn:
- klassieke of typische antipsychotica: Haldol (haloperidol), Orap (pimozide), chloorpromazine, perfenazine, Cisordinol (zuclopentixol)
- atypische antipsychotica: Abilify (aripiprazol), Leponex (clozapine), Risperdal (risperidon), Zyprexa (olanzapine) en Seroquel (quetiapine).

20-5: Persoonlijkheidsstoornissen

Een persoonlijkheidsstoornis wordt gekenmerkt door een star en duurzaam patroon van gedachten, gevoelens en gedragingen dat afwijkt van de verwachtingen en dat zich vanaf de jeugd heeft ontwikkeld. Iemand met een persoonlijkheidsstoornis functioneert in sociale contacten en op het werk veelal matig tot slecht. Hij of zij merkt de stoornis bij zichzelf niet op en wil eerder de ander aanpassen dan zichzelf. In een individueel 'passende' omgeving echter kunnen deze mensen bevredigend functioneren. We kennen tien persoonlijkheidsstoornissen, geclusterd in drie groepen.

Cluster A is de groep met vreemd of excentriek gedrag, mensen die vaak weinig contact met anderen hebben en geïsoleerd leven:
- de paranoïde persoonlijkheidsstoornis (voelt zich uitgebuit of bedreigd door anderen, projecteert eigen gevoelens op anderen, is gevoelig voor macht en status en heeft soms sterke jaloezie en de neiging zonder reden te twijfelen aan de trouw van bijvoorbeeld de partner)
- de schizoïde persoonlijkheidsstoornis (is afstandelijk in de sociale contacten en beperkt in de emotionele expressie, heeft geen behoefte aan hechte relaties en heeft de neiging te kiezen voor activiteiten die alleen gedaan kunnen worden) en
- de schizotypische persoonlijkheidsstoornis (er is bemoeilijkte communicatie, ziet soms magische betekenissen in dingen, heeft ongebruikelijke ideeën of is bijgelovig, heeft angst voor anderen die meer met achterdocht dan met tekort aan zelfvertrouwen te maken heeft, deze stoornis kan soms dichtbij schizofrenie komen of daarin overgaan)

Cluster B is de groep met theatraal, emotioneel of onberekenbaar gedrag, mensen die moeite hebben met de beheersing van impulsen en emoties:
- de antisociale persoonlijkheidsstoornis (heeft antisociaal en impulsief gedrag (de vroegere psychopathie en sociopathie), tekort aan inlevingsvermogen, de neiging te liegen en is gemakkelijk roekeloos (zie ook hier)
- de borderline persoonlijkheidsstoornis (op de grens verkerend tussen persoonlijkheidsstoornis en psychose, met soms psychotische momenten, heeft verder wisselende stemmingen, gedachten en gedragingen, is impulsief, heeft extreme reacties, denkt zwart-wit, heeft neiging tot zelfdestructie, vluchtige heftige relaties die niet blijven en steeds nieuwe crisissen)
- de theatrale persoonlijkheidsstoornis (is kleurrijk, extravert, heeft opvallend en uitdagend gedrag, de neiging in het middelpunt te willen staan, is sterk aandachtbehoevend, beïnvloedbaar en afhankelijk van bevestiging door anderen) en
- de narcistische persoonlijkheidsstoornis (heeft te sterk gevoel van eigenwaarde en de behoefte bewonderd te worden, heeft voorkeursbehandeling nodig, tekort aan inlevingsvermogen, is egocentrisch en snel gekrenkt, kent woedeaanvallen vanuit kwetsbaar zelfgevoel)

Cluster C is de gespannen groep met een hoog angstniveau. Ondanks de sociale vermijding, de onzelfstandigheid en de dwangmatigheid past deze groep zich beter aan op de eisen van het dagelijkse leven dan mensen uit de clusters A en B:
- de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis (is geremd, heeft minderwaardigheidsgevoelens, trekt zich meest op zichzelf terug, doet niet mee, heeft angst afgewezen te worden)
- de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, waaronder de passief-agressieve stoornis en de masochistische of zelfkwellende stoornis (deze stoornis komt vaker bij vrouwen voor, is twijfelaar, heeft weinig initiatiefname, heeft bevestiging nodig, is onderdanig en tegelijk claimend, heeft moeite beslissingen te nemen en de neiging verantwoordelijkheden bij anderen te leggen, zoekt steun biedende relatie(s))
- de obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis (is perfectionistisch, netjes, heeft gebrek aan flexibiliteit, vaste procedures, past zich moeilijk aan, is toegewijd maar onbuigzaam, van problemen binnen relaties zijn de anderen de schuld)

Verder is er de groep van de persoonlijkheidsstoornis NAO (Niet Anders Omschreven), waarin allerlei combinaties van trekken uit verschillende persoonlijkheidsstoornissen thuishoren. Komen slechts enkele kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis voor, dan spreken we 'trekken van een (bijvoorbeeld afhankelijke) persoonlijkheidsstoornis'.

Er is bij persoonlijkheidsstoornissen waarschijnlijk sprake van een erfelijke aanleg. Emotionele instabiliteit, angstgevoelens, trauma's in de kinderjaren, pedagogische verwaarlozing, ongelukken, seksueel misbruik en mishandeling hebben daarnaast zeker invloed op het ontstaan van deze stoornissen. Bepaalde karaktertrekken (doorzettingsvermogen, overzicht) kunnen aan de andere kant helpen de stoornissen te voorkomen. Ook een veilige identificatiepersoon in de omgeving kan hierbij belangrijk zijn.