19-7-2009: LSD

LSD (lyserginezuurdiëthylamide, C20H25N3O, the Hawk, Yellow Dots, 25, the Beast, the Ghost, Acid, Blue Caps, Blue Dots, Microdots, Deeda) wordt tegenwoordig nog slechts gebruikt als recreatieve drug. De psychoactieve hallucinogene werking begint al bij inname van 25 microgram. Aan LSD zou men niet lichamelijk verslaafd raken, maar tolerantie ontwikkelt zich bij geregeld gebruik zeer snel. Het wordt meestal per os (door de mond) ingenomen, als blotter (papertrip, vloeipapier waarin LSD is opgenomen), windowpane (schilfertjes), microdots (kleine bolletjes) of druppels, bijvoorbeeld op een suikerklontje. Sommigen injecteren het middel of snuiven verpulverde tabletjes op door de neus, waardoor een sneller startende werking wordt verkregen. Een redelijk sterke oplossing LSD wordt overigens ook door de huid opgenomen! LSD en ecstasy versterken elkaars werking.

LSD geeft een trip, bij bewustzijn, en, indien goed toegepast, onder eigen controle, met sterke visuele hallucinaties (zowel met open als met gesloten ogen), diepe gedachten, veranderde tijdsperceptie en synesthesie (bijvoorbeeld kleuren kunnen horen en geluiden kunnen zien). Vergeten (verdrongen) herinneringen komen naar boven en levenservaringen krijgen een nieuwe interpretatie. Licht en kleur worden intenser en tot dan normale zaken worden ineens interessant. Alles wordt dieper beleefd. Er is een gevoel van eenheid met het universum en een verlies van persoonlijkheid met mogelijke uittredingen uit het lichaam. Er komen creatieve inzichten naar boven, of er zijn religieuze en mystieke ervaringen. Verwardheid en paranoia kunnen echter ook optreden, waarbij eigen controle en overzicht verloren gaan, omdat de gevoelsmatige tripwerkelijkheid 100 procent is. Men kan beestjes zien, of demonen. In een trip gaat het doorgaans om wat er in je leeft aan fantasieën, wensen en angsten. Een trip duurt 6 tot 14 uur en verloopt in golven. De meeste tijd hiervan is een aanwezige begeleider noodzakelijk om ongelukken te voorkomen en zo nodig hulp in te roepen. Er kan niet geslapen of gestudeerd worden. Autorijden en werken zijn zeer af te raden. Een bad trip kan zeer angstaanjagend en gevaarlijk zijn.

Mensen met psychiatrische stoornissen als schizofrenie en depressie moet afgeraden worden te trippen.Wie daar aanleg voor heeft, kan psychotisch worden en schizofrenie ontwikkelen. Een combinatie met sommige antidepressiva (tri-cyclische) kan het serotoninesyndroom oproepen (verwardheid, rusteloosheid, koorts, transpiratie, grote spierspanning, hyperreflexie). Na een trip kan de visuele perceptie nog enige tijd verstoord blijven (HPPD, hallucinogen persisting perception disorder). Aan de randen van het gezichtsveld ziet men zwevende voorwerpen of lichtflitsen. Er kunnen afwijkingen in kleur, vorm en beweging van het waargenomene optreden. Sommigen hebben medicatie nodig om van deze naverschijnselen af te komen, al kan het ook zijn dat dit niet meer lukt. Ook flashbacks kunnen nog een tijdje voorkomen.

Zie ook hier.

20-7: Delier en delirium tremens

Een delier (delirium) kan om diverse redenen van lichamelijke aard ontstaan (infectie, koorts, bijwerkingen medicatie, lever- of nierproblemen, hoofdletsel, verbranding, zonnesteek, hersentumor, herseninfarct, hersenbloeding, encefalitis). Het delier begint doorgaans vrij plotseling en kan door de dag heen qua intensiteit wisselen.

De patiënt is rusteloos, angstig, prikkelbaar, sterk afleidbaar. Het besef van de omgeving is aangetast. Er zijn concentratieproblemen, geheugenproblemen (gestoorde inprenting), oriëntatieproblemen en/of hallucinaties. Er kunnen (paranoïde) wanen voorkomen en verstoring van het dag- nachtritme.

Het delirium tremens is een alcoholonthoudingsdelier bij alcoholverslaafden. Het treedt acuut op, dikwijls binnen een etmaal na het stoppen van het drankgebruik, en kan worden beëindigd door de patiënt zich opnieuw met alcohol te laten vergiftigen. Door het stoppen van het drankgebruik schiet de hersenactiviteit omhoog. Het tekort aan vitamine B1 (thiamine) kan hierin een rol meespelen. De temperatuur is verhoogd, het gezicht rood, de pols versneld, de bloeddruk verhoogd. Er zijn tremoren (spiertrillingen) en transpiratie. Zonder behandeling zou een delirium tremens tot 3 dagen duren. Omdat het een levensbedreigend beeld is vanwege impulsiviteit en suïciderisico, zal altijd behandeld worden.

We zien verder convulsies (stuipen), epileptische toevallen, bewegingsonrust, visuele hallucinaties (meest kleine beestjes zien of voelen), verminderd omgevingsbesef en moeizame concentratie, geheugenproblemen, desoriëntatie, verstoord dag- nachtritme, slapeloosheid, achtervolgingswaan (paranoia) en plotselinge agressie. Het delier fluctueert in heftigheid. In een Korsakow-achtig beeld vult de patiënt de geheugengaten in met verzinsels (confabulaties).

Speed, amfetamine

Amfetamine (speed, pep, spit) is een vorm van speed (spek, pep), dat de straatnaam is voor wekaminen en amfetaminen, die stimulerend werken op het centrale zenuwstelsel. We onderscheiden (dex)amfetamine en methamfetamine (crystal meth). Methamfetamine werd vroeger wel onder de naam pervetine of pervitin(e) gebruikt t.b.v. langer durende topprestaties of in oorlogvoering (Tweede Wereldoorlog). Onder de naam Desoxyn wordt het soms gebruikt voor behandeling van narcolepsie, obesitas en ADHD. Het wordt gebruikt als vermageringsmiddel omdat het hongergevoel ermee onderdrukt wordt. En dus soms bij extreme vormen van ADHD en ADD.
Speed was voorheen een inhalatiemedicament bij astma, bronchitis, hooikoorts en verkoudheid. Het heeft een oppeppend effect op lichaam en geest. De gebruiker is tijdelijk vol energie, vrolijk en zelfverzekerd. De zelfkritiek valt weg. Vermoeidheid wordt niet meer gevoeld en de eetlust verdwijnt. De bloeddruk verhoogt, de pols versnelt, de pupillen verwijden, de spieren spannen zich, waardoor hoofdpijn en duizeligheid kunnen optreden. Soms wordt de gebruiker echter prikkelbaar, angstig en paranoïde (para, spichtig). Regelmatige gebruikers raken chronisch vermoeid, lusteloos, achterdochtig, agressief en depressief. Normale communicatie is met sommigen van hen niet meer mogelijk. Het seksuele vermogen vermindert. Mocht de gebruiker van gebruik juist rustig worden en zich beter kunnen concentreren, dan moet gedacht worden aan ADHD, waarvoor meer adequate behandeling mogelijk is. Speed wordt als pil of poeder ingenomen of gesnoven. Sommigen spuiten het in de ader. In de V.S. wordt het ook gerookt (methamfetamine). De werkingsduur ligt tussen 5 en 20 uur.

Amfetamine is een verslavende synthetische drug die dus ook wordt toegepast als doping in de sport. Het bootst de werking van het sympathische zenuwstelsel na, zodat extra veel noradrenaline en adrenaline, stoffen die normaliter vooral vrijkomen in geval van angst en gevaar, circuleren. De gebruiker heeft extra veel energie, praat aanhoudend, transpireert meer en heeft onwillekeurige spiertrekkingen in het lichaam. Gebruik van amfetamine kan leiden tot hart-, lever- en nierfalen, psychoses en erectieproblemen. Methamfetamine en yabaa zijn verwante stoffen. In de Tweede Wereldoorlog werden zowel amfetamine als benzedrine (Bennies) en dexedrine (Dexies) gebruikt door commandanten om in crisissituaties langer op hun post te kunnen blijven. Koningin Wilhelmina zou in de Tweede Wereldoorlog eveneens gebruikt hebben.

PS 3-6-2016: Wereldwijd veroorzaakt crystal meth verslavingsepidemieën. In de Nederlandse gayscene wordt het onder de namen 'Tina', 'ice' of 'glass' wel ingezet als seksdrug. Het is een witte kristalvormige methamfetamine met een veelal sterker effect dan cocaïne, vooral als het gespoten of gerookt wordt.

Zie ook hier.

Ecstasy

Ecstasy (XTC) bevat in tabletten of poeders de semi-synthetische stof MDMA (methyleendioxymethamfetamine). MDMA en de verwante stoffen MDA, MMDA en MDEA worden onttrokken uit planten als sassafras en uit nootmuskaatolie. MDMA activeert en wekt gevoelens van empathie en euforie. Het stimuleert verliefdheid en verhoogt het libido, al bemoeilijkt het gebruik het krijgen van een erectie en een orgasme. Soms is er ook speed of amfetamine in de tabletten verwerkt. De hoeveelheid werkzame MDMA varieert van 40 tot 195 mg. per tablet. MDMA gecombineerd met LSD heet 'candy flipping', gecombineerd met paddo's of psilocybine 'hippie flipping'. Nederland is het belangrijkste productieland voor ecstasy. Een tablet kost zo'n 20 cent, maar wordt verhandeld voor 2 tot 5 euro.

MDMA verhoogt tijdelijk de serotonineafgifte in de hersenen en blokkeert de heropname van noradrenaline en voor een deel van dopamine. De in de hersenen opgeslagen voorraad serotonine slinkt door de verhoogde afgifte snel behoorlijk in. Na het gebruik van ecstasy zien we dan ook vaak depressies. Een overdosis MDMA kan dodelijk zijn. De problemen daarbij overlappen met het serotoninesyndroom (verwardheid, rusteloosheid, koorts, transpiratie, grote spierspanning, hyperreflexie). Na geregeld gebruik zien we naast depressies ook psychoses, lever- en nierbeschadigingen en verstoring van de cognitieve functies.

Zie ook hier.

21-7: Morfine, heroïne en methadon

Morfine is een in de geneeskunde gebruikt analgeticum (pijnstiller). De grondstof wordt door de papaverplant geleverd. Morfinegebruik leidt tot lichamelijke afhankelijkheid, zodat altijd geleidelijk afgebouwd moet worden. Morfine bestaat onder de naam morfine en onder merknamen als Oramorph, MS Contin en Kapanol.

Heroïne wordt gemaakt uit morfine en werkt sterker en sneller. Straatheroïne is erg onzuiver en bestaat doorgaans voor zeker de helft uit andere stoffen. Heroïne is erg verslavend. Het vermindert pijn en angst, geeft een kortdurende euforie en een op den duur blijvende emotionele vervlakking, waarin de onverschilligheid en het egocentrisme opvallen. Het vertraagt de hartslag en vernauwt de pupillen. Het onderdrukt de ademhaling, zodat een overdosis levensgevaarlijk is, omdat het verlaagde zuurstofgehalte in het bloed braken op kan wekken, waarbij de betrokkene met een verlaagd bewustzijn kan stikken in het eigen braaksel. Heroïne onderdrukt het hongergevoel. Alle opiaten geven ook constipatie (verstopping). Heroïne wordt gebruikt door middel van 'chinezen', de poeder wordt verhit op aluminiumfolie of een lepel, verdampt en wordt geïnhaleerd. Sommigen spuiten het in de ader, snuiven de poeder op door de neus of roken het. Heroïne werkt een uur of vijf. Afkickverschijnselen kunnen heel heftig zijn en tot wel 10 dagen aanhouden. In Nederland kiest met er soms voor ernstig verslaafden gecontroleerd een combinatie van methadon en heroïne te verstrekken. Dat geeft een verbetering van gezondheid en sociaal functioneren en een reductie van criminaliteit.

Methadon is een kunstmatig opiaat en werkt langer dan heroïne, tot wel 24 uur. Ook methadon is een verslavend en zwaar verdovend middel, dat overigens ook nog wel eens voor pijnbestrijding wordt ingezet. De afkickverschijnselen zijn zo ernstig dat gefaseerd moet worden afgebouwd. Ook methadon is destructief voor het lichaam. Het verhoogt de concentraties schildklierhormonen.

Zie ook hier.

22-7: Paddo's

Paddo's (psilo's, kaalkopjes, Mexicaanse, Hawaïaanse, shroom, magic mushroom) zijn paddenstoelen die het bewustzijn beïnvloeden en hallucinaties oproepen. Het zijn dus tripmiddelen. Sommige cactussoorten en kruiden kunnen overigens hetzelfde effect geven. We noemen ze ecodrugs. Paddenstoelen worden vers en gedroogd gegeten. Sommigen zetten er thee van of verwerken ze in gerechten. In kokend water worden de werkzame stoffen echter vernietigd. Het gebruik versterkt de bestaande gevoelens, geeft visuele hallucinaties en vervormt de beleving van tijd en ruimte. In een 'bad trip' (flippen) kan paniek en paranoïdie ontstaan, waaruit vaker dan eens ernstige ongelukken volgden.

De werkzame stoffen zijn de hallucinogenen psilocybine en psilocine. Er zijn vele paddenstoelensoorten die deze stoffen bevatten. In Nederland komt het 'puntig kaalkopje' voor. De 'Mexicaanse' bevat minder werkzame stof, maar is nogal eenvoudig te kweken. De 'Hawaïaanse' bevat meer hallucinogenen. Het effect begint ongeveer een halfuur na inname en houdt drie tot zes uur aan. Het is duidelijk dat gebruik aan mensen met psychiatrische problemen moet worden afgeraden. Bekend is dat er door gebruik ook psychiatrische problemen kunnen ontstaan. Onder invloed gedragen nogal wat gebruikers zich roekeloos. Verkeersdeelname moet tot vijf uur nadat de paddo's zijn uitgewerkt vermeden worden.

Zie ook hier.

Risperdal en jongensborsten

Risperdal (risperidon) is een neurolepticum (antipsychoticum), gebruikt bij schizofrenie en andere psychosen, maar soms ook bij autistische kinderen met gedragsproblemen. Bij 60 procent van de kinderen verhoogt het het prolactinegehalte, zo blijkt uit onderzoek van psychiater Yvette Roke. Prolactine wordt normaal aangemaakt door zwangeren en brengt de melkproductie op gang. Bij kinderen kunnen de borstklieren opzetten en kan er melk uit de tepels komen. Ook kan prolactine erectieproblemen veroorzaken. Jongens kunnen borsten krijgen, die na kortdurend gebruik overigens weer zullen verdwijnen na verlaging van de dosis. Overgewicht werkt deze borstvorming extra in de hand.

Zie ook hier

Verkrachters van hoogbejaarde vrouwen

In DvhN vandaag een artikel van Floor Ligtvoet in gesprek met klinisch psycholoog bij forensische polikliniek 'De Waag' Jan Hendriks, die regelmatig verkrachters ziet en behandelt. Hij kent enkele tientallen daders die zich aan ouderen vergrepen. In zijn ervaring gaat het om jonge mannen, onder de 30, die zich moed moeten indrinken alvorens hun slachtoffer aan te vallen. Ze zijn daarin doorgaans zeer gewelddadig. Ze kunnen niet op een normale manier een meisje van eigen leeftijd krijgen en raken daardoor erg gefrustreerd. Ze opereren alleen en zoeken hun slachtoffer van tevoren precies uit. Ze denken dat zo'n vrouw het wel op prijs zal stellen. Er is meestal geen gewetenswroeging. Vaak zijn het mannen met een antisociale- of schizoïde persoonlijkheidsstoornis, Einzelgängers.

Mexicaanse griep of Nieuwe Influenza A (H1N1)

De Nieuwe Influenza A (H1N1) eiste wereldwijd inmiddels meer dan 700 dodelijke slachtoffers, vooral in de Verenigde Staten en Argentinië. In 125 landen zijn door laboratoria tot nu toe 125.000 gevallen van de ziekte bevestigd. De meeste patiënten herstellen binnen een week, ook zonder Tamiflu.

Verspreiding van het virus vindt plaats onder (grote) groepen mensen als in scholen, kerken en theaters, reden waarom Egypte kwetsbare mensen adviseert dit jaar niet op bedevaart naar Mekka te gaan.

Waanstoornissen

Een waanstoornis is een psychiatrische aandoening waarin een niet-bizarre (de ingebeelde situatie zou zich dus werkelijk kunnen voordoen) waan of overtuiging op de voorgrond treedt, terwijl er geen andere symptomen zijn en de patiënt sociaal gezien goed functioneert. Dit afgezien van de eventuele spanningen die de afwijkende ideeën tussen de patiënt en diens omgeving kunnen doen ontstaan. Bij een waan behorende hallucinaties zijn altijd in overeenstemming met de inhoud van de waan. Als de waan leidt tot stemmingsproblemen bij de patiënt, duren deze periodes korter dan de waan zelf. Uitgesloten moet worden dat er sprake is van dementie, schizofrenie, delirium tremens, een stemmingsstoornis, hypochondrie of een obsessief-compulsieve stoornis (dwangdenken en dwanghandelen). Voorbeelden van waanstoornissen zijn erotomanie, grootheidswaan, jaloersheidswaan, paranoïde waan (achtervolgingswaan) en somatische waan. Meestal zijn waanstoornissen hardnekkig, zonder iemands leven ernstig te verstoren en zijn patiënten weinig tot niet geneigd hulp te accepteren. Soms worden antipsychotica gegeven.

Jaloersheidswaan of Othellosyndroom

De jaloersheidswaan (Othellosyndroom, pathologische jaloezie) is een waanstoornis met een obsessieve jaloezie en/of de overtuiging dat de partner ontrouw is. De patiënt zoekt naar bewijs of beweert bewijzen te hebben. Voor een buitenstaander zijn die echter niet overtuigend. De verdachte partner wordt met de overtuiging geconfronteerd en er worden controlemaatregelen tegen haar/hem genomen. De jaloersheidswaan kan deel uitmaken van een paranoïde waan (vervolgingswaan). Dit soort wanen zijn dan doorgaans in lijn met de persoonlijkheid van de patiënt, maar kunnen ook een eerste uiting zijn van beginnende schizofrenie. Ook persoonlijkheidsstoornissen of misbruik van middelen kunnen hierbij een rol spelen.

Erotomanie

Erotomanie (syndroom van De Clérambault) is een waanstoornis waarin de patiënt (meestal vrouwen) zich inbeeldt dat een ander, meestal van hogere sociale status, verliefd op haar is, terwijl dit niet zo is. De waan is vaak alleen romantisch en platonisch qua inhoud. Vaak wordt daadwerkelijk en herhaald contact gezocht (stalking). Als de patiënt zich bewust wordt dat er geen relatie zal ontstaan, kan zij wraakzuchtig worden. Dat kan ook door de wraakgevoelens te projecteren op de aanbedene en vervolgens zelf angstig voor diens wraakacties te worden. Erotomanie komt ook voor in het kader van schizofrenie en bipolaire stoornissen.

Somatische waanstoornis

Een somatische waan is een stoornis met (niet bizarre) opvattingen over het eigen lichaam of lichaamsfuncties die niet overeenkomen met de werkelijkheid. Men kan bijvoorbeeld overtuigd zijn een vieze geur te verspreiden uit een lichaamsopening, besmet te zijn met parasieten, misvormd te zijn of lichamelijk niet naar behoren te functioneren. Gedrag en gevoel zijn congruent aan de waan. De stoornis begint meestal sluipend en verdwijnt zelden of nooit spontaan. Behandeling met antipsychotica is mogelijk. Bij een waan is de betrokkene niet van zijn of haar ongelijk te overtuigen, bij een dysmorfofobie lukt dat wel, maar blijft de patiënt angstig voor lichamelijke problemen.

23-7: Vuurwerk blijft voorlopig

Helaas is het de initiatiefnemers van het burgerinitiatief 'Meer plezier met minder vuurwerk' niet gelukt. De Tweede Kamer heeft nog geen twee jaar geleden namelijk nog gedebatteerd over het onderwerp. Bovendien zou bij de steekproef kunnen zijn gebleken dat ook niet-stemgerechtigden elektronisch hebben getekend. Daar zou het gegeven dat meer dan 20.000 handtekeningen meer verzameld zijn dan vereist was, niets aan hebben afgedaan. Het elektronisch systeem van de actie was onvoldoende waterdicht. Maar meer nog lijkt me dat onze overheid er gewoon niet aan wil, omdat ze te bang is voor andere overlast van de asocialen onder ons. Een slechte keus, om je door angst te laten leiden. Ook dit jaar dus rond de jaarwisseling weer enkele maanden lang geluidsoverlast en vlak rond de jaarwisseling ziekmakende luchtverontreiniging en een in mijn ogen te groot risico om je op straat te kunnen begeven. Heel jammer!

Zie verder hier!

24-7: Stoornis in de lichaamsbeleving

Een stoornis in de lichaamsbeleving (dysmorfofobie, BDD, body dysmorphic disorder) is een somatoforme stoornis (lichamelijke klachten of problemen waarbij geen lichamelijke afwijking gevonden wordt) die zich kenmerkt door het afwijkende beeld dat men van het eigen lichaam heeft. Dat kan gepaard gaan met een obsessie voor vermeende afwijkingen van het eigen lichaam. Bij bijvoorbeeld het adoniscomplex is de patiënt gepreoccupeerd met de eigen spierontwikkeling. De patiënt heeft voortdurende onvrede met het eigen lichaam en is overtuigd van afwijkingen of gebreken. Soms is er ook angst op grond van het uiterlijk afgewezen te worden. Meestal betreft het het gezicht of hoofd. De ziekte begint vaak in de puberteit of vroege volwassenheid, bij vrouwen zowel als bij mannen, en leidt tot verlegenheid en teruggetrokkenheid, soms tot psychose en/of suïcide.

Sommigen rangschikken de stoornis onder de obsessief-compulsieve stoornissen (dwangdenken, dwanghandelen). Zie ook bij somatische waanstoornis.

Zie ook hier.

25-7: Grootheidswaan

Iemand met grootheidswaan (megalomanie, macromanie) ziet zichzelf als belangrijker of machtiger dan hij of zij in feite is of dicht zichzelf ten onrechte bijzondere talenten toe. Het kan echter zijn dat onder de grootheidsgevoelens minderwaardigheidsgevoelens schuilgaan die met de grootheidswaan worden afgeweerd. Dikwijls is een grootheidswaan van religieuze aard. Iemand voelt zich dan God zelf of boodschapper van God. We noemen dit ook wel het Jeruzalemsyndroom (een waan of ander psychotisch verschijnsel, obsessie of identificatiesyndroom verband houdend met het bezoeken van een religieus centrum). Vooral protestanten zijn gevoelig voor het Jeruzalemsyndroom, joden minder. Katholieken en moslims lijken er immuun voor. Als de patiënt met grootheidswaan ernstige sociale problemen ondervindt en/of niet goed meer functioneert, kan er ook sprake zijn van schizofrenie.

Paranoïdie

Paranoïdie, paranoia, achtervolgingswaan en Kraepelinsyndroom zijn de termen voor een waanstoornis met overmatige achterdocht. De patiënt voelt zich ten onrechte in de gaten gehouden, achtervolgd, bedreigd of gecontroleerd. De paranoïde persoon houdt er dikwijls een hele complottheorie op na. Ziekte-inzicht ontbreekt doorgaans, waardoor patiënten vaak behandeling weigeren. Behandelaars kunnen voor hen zomaar deel van het complot zijn. In het kader van schizofrenie kan een paranoïde waan bizar aandoen en oninvoelbaar zijn. Paranoïdie kan ook voorkomen bij patiënten met een paranoïde persoonlijkheidsstoornis en patiënten met Alzheimer en bij drugsgebruikers.

Somatoforme stoornissen

Bij een somatoforme stoornis heeft de patiënt lichamelijk klachten waarvoor geen lichamelijke oorzaak gevonden wordt. De klachten kunnen zowel onbewust als doelbewust worden nagebootst. Dit is een doorgaans psychiatrische ziekte. Problemen met het stressregulatiesysteem of een overbelasting hiervan kunnen leiden tot deze stoornissen en ze in stand houden. Als de klachten verklaard kunnen worden uit een andere psychiatrische aandoening als een angststoornis of een depressieve stoornis, spreken we niet van een somatoforme stoornis. Later kan soms alsnog een somatische ziekte vastgesteld worden bij somatoforme stoornissen. Dit maakt qua behandeling een tweesporenbeleid noodzakelijk: zowel de psychiatrische als de somatische kant dienen de aandacht te hebben en te houden.

Het meest bekend is de hypochondrie (voortdurende angst een ernstige ziekte te hebben). Verder onderscheiden we de somatisatiestoornis, de ongedifferentieerde somatoforme stoornis, de conversiestoornis, de pijnstoornis en de stoornis in de lichaamsbeleving. Ook fibromyalgie, het chronisch vermoeidheidssyndroom en het whiplashsyndroom zijn in wezen somatoforme stoornissen. In 2009 stelde het Trimbosinstituut in de multidisciplinaire behandelrichtlijn voor bij somatoforme stoornissen te spreken van SOLK, somatisch onvolledig verklaarde lichamelijke klachten.

Somatisatiestoornis

De somatisatiestoornis (syndroom van Briquet) is een somatoforme stoornis waarin de patiënte (meestal zijn het vrouwen) onbewust lichamelijke symptomen nabootst. Er is onvermogen en onwil om aan de genezing mee te werken. De patiënte vraagt steeds opnieuw aandacht, van vaak weer andere hulpverleners en is niet tevreden met de behandeling. De somatisatiestoornis gaat vaak samen met depressie, angststoornis of persoonlijkheidsstoornis en begint voor de leeftijd van 30 jaar. Om de diagnose te kunnen stellen moeten er diverse pijnklachten zijn, klachten betreffende het maag-darmkanaal zonder pijn, een seksuele klacht en een pseudoneurologische klacht. De klachten worden emotioneel beschreven en ondraaglijk en niet te beschrijven genoemd, terwijl er geen oorzaak kan worden gevonden.

Ongedifferentieerde somatoforme stoornis

De patiënt met een ongedifferentieerde somatoforme stoornis (OSS) ontwikkelt onbewust lichamelijke klachten waarvoor bij onderzoek geen of minstens onvoldoende reden gevonden wordt. De symptomen zijn niet met opzet nagebootst. De klachten resulteren in veel ernstiger gevolgen voor de sociale omgang en/of het werk dan verwacht en duren langer dan een halfjaar. Sommigen brengen het chronisch vermoeidheidssyndroom en de burn-out onder bij de ongedifferentieerde somatoforme stoornis.

Conversiestoornis

Bij een conversiestoornis schakelen de hersenen als het ware bepaalde lichamelijke functies uit, waardoor meestal een schijnbaar neurologisch toestandsbeeld ontstaat, waarschijnlijk onder invloed van stress. De patiënt maakt, indien bij bewustzijn, de indruk zich niet emotioneel betrokken te voelen bij zijn of haar (plotselinge) beperkingen. Meestal gaat het om verlammingen, wat minder vaak om gezichts- en/of gehoorproblemen (blindheid, doofheid) of verlies van het spraakvermogen. Ook motorische problemen of stuipen komen soms voor. Meestal verdwijnen de klachten snel als de patiënt in het ziekenhuis wordt opgenomen. De klachten zijn doorgaans voorafgegaan door conflicten of andere emotionele stressfactoren en worden niet met bewuste opzet opgewekt. Ik heb zelf een cliënt gekend die herhaaldelijk kort na de aankondiging van ontslag uit het ziekenhuis (PAAZ) schijndood werd, zonder waarneembare ademhaling en circulatie en met een niet meer meetbare bloeddruk. De eerste keren leidde dit uiteraard tot intensieve zorg, later wisten we te kunnen wachten tot betrokkene na een halfuur bij zou komen.

De conversie kan ook chronisch zijn. Dit is bekend bij een voorafgaande moeilijke jeugd. Betrekkelijk veel mensen lijden aan een conversiestoornis met één of meer handicaps zonder lichamelijke oorzaak. Velen van hen zijn rolstoelafhankelijk.

Pijnstoornis

Bij een somatoforme pijnstoornis (psychogene pijn, psychosomatische pijn) lijdt de patiënt acuut of chronisch lichamelijk pijn, zonder dat een lichamelijke oorzaak te vinden is of zodanig erg dat de aard van de oorzaak zodanige pijn niet pleegt te veroorzaken. Er is geen bewijs dat de pijn met opzet wordt nagebootst. De pijnklachten zitten veelal in de rug, het hoofd, de buik of de borst, maar andere pijnen komen eveneens voor. Patiënten zijn terughoudend in het erkennen van psychische problemen en werken ook niet makkelijk mee aan therapie. Bij kinderen komt de pijnstoornis voor met buikpijn. Het kind voelt zich niet gelukkig of heeft problemen. Hypnotherapie werkt vaak goed bij deze kinderen. Bij volwassenen worden ontspanningsoefeningen gegeven of antidepressiva. Soms ook cognitieve gedragstherapie.

27-7: Hypochondrie

Hypochondrie komt veel meer voor dan voorheen omdat de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) andere criteria is gaan hanteren dan die welke voorheen gehanteerd werden. Hypochondrie was voorheen een somatische waanstoornis, vaak behorend bij schizofrenie, waarbij de patiënt chronisch meende dodelijk ziek te zijn en meewarig neerkeek op artsen die geen lichamelijke afwijkingen konden vinden.

De term hypochondrie wordt thans gebruikt voor wat vroeger somatofobie (ziektevrees) heette en is een somatoforme stoornis. Er is chronisch (langer dan halfjaar) een preoccupatie met of een overdreven angst om een ernstige lichamelijke ziekte te hebben, terwijl de meestal gedetailleerd aangegeven symptomen niet als een ziektebeeld te duiden zijn. Als er wel wat gevonden wordt, interpreteert de patiënt het ziektebeeld als veel ernstiger dan het in werkelijkheid is. De patiënt somatiseert, verlichamelijkt emotionele problemen (angsten) en laat zich niet of nauwelijks geruststellen. Hij of zij let voortdurend op alle functioneren van het eigen lichaam, gaat daardoor veel meer voelen dan normaal is en wordt angstig van bijvoorbeeld tintelingen, een doof gevoel, het af en toe overslaan van een hartslag, transpiratie, misselijkheid, duizeligheid en nog veel andere normale en voorbijgaande gevoelens.

Posttraumatische stressstoornis

De posttraumatische stressstoornis (PTSS) is een angststoornis die ontstaan kan als gevolg van ernstige stress veroorzakende situatie(s) met levensbedreiging, ernstig lichamelijk letsel of een bedreiging van de fysieke integriteit, waarbij geen gezond verwerkingsproces is voltooid. PTSS is dus iets anders dan het gewone verwerkingsproces na een traumatische gebeurtenis. Bij PTSS is de reactie van de patiënt op de gebeurtenis(sen) intense angst, afschuw en/of hulpeloosheid. Bij kinderen is de reactie vaak wanordelijk en opgewonden gedrag en angstdromen zonder herkenbare inhoud. (In een gezonde verwerking zal het kind de traumatische gebeurtenis herhaaldelijk naspelen.)

Er zijn veelal herbelevingen, nachtmerries en flashbacks, vermijding of emotionele uitschakeling van herinneringen, depressie, prikkelbaarheid en concentratieproblemen, extreme spanning in reactie op bepaalde prikkels, verhoogde waakzaamheid, heftige schrikreacties en slaapstoornissen. Er zijn verder vaak een onvermogen zich belangrijke aspecten van het trauma te herinneren en een verminderde interesse en deelname aan sociale activiteiten, een gevoel van vervreemding of onthechting en een beperking in het bereik van affectie. Bij een PTSS houden deze klachten langer dan een maand aan. Indien ze korter duren, spreken we van een acute stressstoornis (ASS).

Behandeling gebeurt met cognitieve gedragstherapie door middel van exposure (al dan niet imaginaire blootstelling aan herinneringen van het trauma), systematische desensitisatie (door te spreken over de angstverwekkende herinneringen de overgevoeligheid hiervoor doen afnemen), of flooding (het net zo lang 'overstroomd' worden door de angstverwekkende herinneringen tot die uitdoven). Medicamenteus kan gedacht worden aan antidepressiva, benzodiazepines en zo nodig slaapmiddelen. Een nieuwere behandeling is EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing). Deze behandeling is snel populair geworden, maar niet onomstreden. De patiënt wordt door oogbewegingen, klikjes of aangetikt worden, waarbij door hantering van het links, rechts, links, rechtsprincipe de communicatie tussen de beide hersenhelften wordt gestimuleerd, in plaats van geconfronteerd met juist afgeleid van de traumatische herinneringen. Het principe van de werking van de therapie is nog niet opgehelderd en sceptici zowel als bepaalde onderzoeken geven aan dat die communicatie tussen de hersenhelften niet de factor is waaraan het effect van deze behandeling te danken is.

EMDR

EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing) is een inmiddels erkende therapeutische interventietechniek, veel toegepast bij posttraumatische stressstoornissen. Essentieel element is het steeds weer ompolen van de aandacht van links naar rechts enzovoort. Dat kan zijn door oogbewegingen, door geluiden met een links-rechtseffect of door het afwisselend kloppen op bijvoorbeeld de linker- en de rechter knie. Het werkingsmechanisme van deze bilaterale stimulaties is nog nooit opgehelderd. Sommigen suggereren dat de procedure kan leiden tot versnelde informatieverwerking. Een EMDR-sessie kent een voorbereiding, het opbouwen van het 'plaatje' van het trauma, 'de vijf vragen' (negatieve cognitie, positieve cognitie, emotie, lichamelijk effect, SUD-score), de desensitisatie (met nieuwe SUD-metingen tussendoor) met het eigenlijke links-rechts-werk, de installatie (wanneer het beeld geen nieuwe emoties meer oproept) en de bodyscan (lichaamsspanning). De cliënt krijgt de opdracht om het aansluitend aan een sessie even rustig aan te doen.

De therapie is in 1989 ontwikkeld door Francine Shapiro, docente Engelse literatuur. Nadat ze kanker kreeg, wilde ze zich bezighouden met methodes om stress te bestrijden en met de connecties lichaam en geest. Ze deed vervolgens een niet officiële psychologische studie, die ook niet meer bestaat. Bij zichzelf zou ze in die tijd ontdekt hebben dat haar nare en steeds weerkerende gedachten verdwenen als ze haar ogen snel heen en weer bewoog. Later 'verkocht' ze haar therapie met als het ware 100 procent succesgarantie en leidde ze nieuwe therapeuten op die echter een verklaring moesten tekenen de methode niet aan anderen door te zullen geven. Critici beoordeelden haar onderzoeksgegevens als een 'schamel experiment' en als pseudowetenschap. In onderzoek door derden (Cahill (1999), Davidson en Parker (2001)) kregen controlegroepen de opdracht de ogen juist niet te bewegen, maar de blik op een vast punt gericht te houden. De klachten bleken op deze manier even goed verholpen te kunnen worden. MacCulloch (2006) vond echter dat de oogbewegingen wél een bijdrage leverden aan het effect van EMDR. Uit onderzoek van Cusack en Spates (1999) bleek ook de bij de EMDR horende 'installatie' van een positieve cognitie niet essentieel. EMDR werd in andere onderzoeken vergeleken met non-specifieke behandelmethoden. Deze leverden minder resultaat dan EMDR, met uitzondering van schrijftherapie, die even goed werkte. Goldstein (2000) deed onderzoek met mensen met straatvrees en paniekaanvallen. Hij bedacht een zogenaamde 'associatietherapie' met ontspanningsoefeningen en een beeld dat veel angst bij de patiënten opriep, waarover ze dan vrij moesten associëren. Deze associatietherapie was op de controlegroep even effectief als EMDR. Taylor (2003) deed een groot onderzoek waarin de onderzoekers relaxatie, EMDR en exposure (cognitieve gedragstherapie, in dit geval niet slechts met imaginaire confrontatie, maar ook in vivo) met elkaar vergeleken. De patiënten uit de exposuregroep hadden, ook in de nameting, het beste resultaat. Meer onderzoeken laten zien dat EMDR geen alleenrecht mag claimen en al met al is deze behandeling op z'n minst niet onomstreden. Het lijkt erop dat vrijwel elke therapie, mits goed 'verkocht', bij deze categorie patiënten goede resultaten geven kan. Dat kan erop duiden dat de aandacht voor het probleem een essentiële factor is in het genezingsproces. En EMDR is gebaseerd op het aloude gespreksprotocol, dat op zich de werking van de therapie al zou kunnen verklaren.

Nagebootste stoornissen

Bij een nagebootste stoornis brengt de betrokkene zichzelf opzettelijk, vrijwillig, bewust en doelbewust letsel toe, fingeert hij/zij ziektebeelden of dringt hij/zij aan op riskante ingrepen om aandacht te krijgen, zonder zich van zijn of haar motieven bewust te zijn. In tegenstelling tot simulatie (waarbij de simulant, met relatief vaak een antisociale persoonlijkheidsstoornis, symptomen voorwendt en daar voordeel uit probeert te halen of daarmee onder verplichtingen probeert uit te komen, maar zich bewust is dat hij niets mankeert) is de motivatie hiertoe niet alleen materieel of rationeel, maar is er psychiatrische problematiek. Sommigen zijn het liefst patiënt en opgenomen in een zorgcentrum of ziekenhuis (ziekenhuisverslaving). Het is een soort compulsief (dwanghandelen) gedrag. Relatief vaak speelt er ook een persoonlijkheidsstoornis. Let op bij patiënten die atypisch of dramatisch symptomen presenteren, bij symptomen die zich niet voordoen zodra de patiënt zich niet geobserveerd weet, wanneer een patiënt storend is of uitgebreide kennis heeft van medische terminologie, overal tegelijk behandeld wordt, weinig bezoekers heeft of steeds nieuwe 'pathologie' aanbiedt.

We onderscheiden het Münchhausensyndroom, Münchhausen by proxy en het syndroom van Ganser, dat onder allerlei diagnoses wordt ondergebracht.

Syndroom van Ganser

Het syndroom van Ganser is een weinig voorkomende aandoening, gekenmerkt door het geven van bijna juiste antwoorden op vragen of het geven van verdraaide of cryptische uitleg. Het treedt soms op bij ernstige stress, bijvoorbeeld in gevangenschap of oorlog. Soms gaat het samen met een conversiestoornis.

Sommigen menen dat het syndroom gezien kan worden als simulatie en dat bijvoorbeeld een psychose wordt geveinsd. Anderen zien het als nagebootste stoornis als reactie op zware omstandigheden. Ook wordt wel gedacht dat er toch een psychose aan het syndroom ten grondslag ligt. Dit omdat er vaak tegelijk depressieve gevoelens, hallucinaties en angstgevoelens voorkomen. Velen zien het syndroom ten slotte als dissociatieve stoornis, omdat er vaak geheugenverlies en versuftheid bij komen.

Pseudologia fantastica en pathologisch liegen

Pseudologia fantastica (confabulatie) wordt soms ten onrechte ook pseudologica fantastica genoemd. Geheugenvervalsingen die duidelijk niet overeenkomen met de waarheid worden als waarheid verteld. De patiënt heeft gaten in het geheugen en dicht die met eigen verzinsels, waarin hij of zij ook zelf gelooft. De verzinsels worden krachtig als waarheid geponeerd en standvastig verdedigd. De pseudologische leugenaar (of pseudoloog) maakt zichzelf na arrestatie in verband met aanranding van een agente in functie bijvoorbeeld wijs zelf hoofdagent aan het bureau Warmoesstraat te zijn en ontkent de aanranding (voorbeeld uit eigen praktijk). Zoiets is natuurlijk heel gemakkelijk te checken en dat is dan ook de valkuil van het ziektebeeld. Het komt bijvoorbeeld voor in het kader van het Korsakowsyndroom.

Bij pathologisch liegen is er een onbedwingbare drang dat te doen. Deze leugenaar is zich er wel van bewust dat hij/zij liegt. Het liegen kan een symptoom zijn van een gedragsstoornis bij kinderen of jongeren, een impulscontroleprobleem of kan samenhangen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis (ASPS).

28-7: Vakantiestress (2) (1) en Willem Ruissyndroom

Weer volop berichten over mensen die op hun vakantieadres plotseling overlijden. We kennen het Willem Ruissyndroom, naar de televisieman die in 1986 op 41-jarige leeftijd in het begin van zijn vakantie in Spanje aan een hartinfarct overleed. Managers van deze leeftijd zijn gevoelig voor de plotselinge overgang spanning naar ontspanning en de tweede dag van ontspanning is het meest risicovol. Natuurlijk: bloedvaten waren in die gevallen al langer aan het dichtslibben, maar ook de vakantiestress, waarin in een paar weken in sommige gevallen de tekorten van het vaderschap en als echtgenoot moeten worden goedgemaakt, zijn een stressfactor op zich. Het met de caravan reizen is daarenboven ook al een stressvolle aangelegenheid. Naast de lichamelijk problemen krijgen de alarmcentrales elk jaar weer vijfhonderd gevallen van mensen die psychisch uit het lood raken. Alle reden dus om het in het begin van de vakantie rustig aan te doen en niet op reis te gaan voordat een zekere ontspanning is bereikt. Ook om niet te hoge eisen aan de vakantie te stellen, maar ook lekker te luieren. En: ga niet te ver weg als je daar eigenlijk tegenop ziet.

Oververmoeidheid, migraine (door bijvoorbeeld o.a. minder cafeïnegebruik), hartkloppingen en depressie zijn goede vakantiebekenden. Door de warmte wordt dikwijls slechter geslapen. Voor sommigen is het beter de laptop mee te nemen, om zo toch nog wat op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen aan het thuisfront. Ook al omdat het weer in het werkritme komen bij velen soms wel enkele weken duurt (de vakantieblues).

29-7: Stemmingsstoornissen

Bij een stemmingsstoornis zijn stemming en emoties van de patiënt verstoord. Hierbij spelen aminen als serotonine, noradrenaline en dopamine een rol, evenals boterzuur (een verzadigd vetzuur), peptiden en mogelijk ook mineralen als calcium. Daarnaast mag men hormonale invloeden niet onderschatten, denk aan premenstruele klachten, schildklierproblemen en het groeihormoon. Voor een deel werkt verstoring van het slaap-waakritme in deze invloeden door.

De stemming kan depressief zijn:
- dysthyme stoornis (dysthymie), waarin de symptomen minder ernstig zijn, maar chronisch kunnen aanhouden
- depressieve stoornis met één depressieve episode (periode)
- depressieve stoornis met herhaalde episoden
Eén op de vijf Nederlanders ontwikkelt gedurende het leven een depressie.

Daarnaast zijn er de bipolaire stoornissen met soms hypomane (hypomanie met overactiviteit en opgewondenheid) of manische (psychotisch opgewekte en overactieve), soms depressieve gevoelens. We onderscheiden:
- bipolaire stoornis I (vroeger manisch-depressieve psychose), met minstens eenmaal een manische of gemengde episode (in een gemengde episode treden dagelijks symptomen op van zowel manie als depressie) met daarnaast hypomane en depressieve episodes
- bipolaire stoornis II, met minstens één hypomane episode en één depressieve episode en (nog) geen manische of gemengde episode
- cyclothyme stoornis, met een reeks hypomane episodes onderbroken door periodes van depressie en uitputting
De bipolaire stoornis komt voor bij 1 procent van de Nederlanders. Dit percentage is hetzelfde als dat voor schizofrenie.

Verder kennen we:
- stemmingsstoornissen door een lichamelijk aandoening en door alcohol en/of drugs

30-7: Depressie

Een (unipolaire) depressie (vroeger o.a. vitale depressie, melancholie, endogene depressie) is een stemmingsstoornis met verlies van levenslust en terneergeslagen stemming. Niet bedoeld wordt het normale en bij (vrijwel) iedereen voorkomende zich af en toe een paar dagen down voelen. Een periode met depressieve symptomen heet een depressieve episode. Heeft iemand geregeld deze periodes, dan is sprake van een recidiverende depressieve stoornis. Steeds meer wijzen onderzoeken in de richting dat depressie een chronische aandoening is, met restsymptomen die blijven bestaan gedurende (tijdelijk) herstel.

De klachten bij depressie duren langer dan twee maanden. Er kunnen zich allerlei symptomen voordoen: Naast de terneergeslagen stemming kan de eetlust verminderen (soms juist vermeerderen!), er kunnen slaapproblemen zijn (soms juist extra veel slapen!), er kan rusteloosheid zijn of juist vertraagd reageren, men kan zich moe voelen, bezorgd zijn of schuldgevoelens hebben, er kunnen concentratieproblemen zijn en gedachten over de dood en over suïcide. Er is emotionele vlakheid doordat de intensiteit van gevoelens is verminderd. Als het handelen na enige tijd en/of door behandeling weer een beetje terug begint te komen en de depressie dus begint te wijken, bestaat bij sommige patiënten tijdelijk een verhoogd suïciderisico.

Bij het ontstaan van depressie spelen vaak diverse omstandigheden mee. Is er één enkele aanleiding aanwijsbaar, dan spreken we van reactieve depressie. Zijn er ook manische of hypomane episoden, dan is er sprake van een bipolaire stoornis. Als er psychotische kenmerken zijn, kan er sprake zijn van een schizoaffectieve stoornis (een combinatie van stemmingsstoornis en symptomen van schizofrenie, die ook tussen stemmingsepisodes blijven bestaan).

Depressie kan ook voorkomen in het kader van lichamelijke aandoeningen als kanker, aids, Parkinson, hypothyreoïdie en sommige virale aandoeningen. Voor postnatale depressie klik hier.

Als behandeling kennen we cognitieve gedragstherapie en antidepressiva, dikwijls in combinatie gegeven. Het is mogelijk te leren zich actiever te gedragen en minder negatief te denken. Systematisch intensief bewegen of sport werkt goed bij veel depressieve mensen. O.a. hardlopen (runningtherapie), fietsen en zwemmen verhogen de hoeveelheid endorfinen in het bloed, hetgeen een antidepressieve uitwerking heeft. Effectief is dikwijls ook elektroconvulsietherapie (ECT, shocken). Er wordt aangenomen dat deze therapie schade veroorzaakt aan de hersenen, zodat ECT slechts wordt toegepast als andere therapieën tekortschieten. Slaapdeprivatie (slaaponthoudingstherapie) is het iemand een nacht over laten slaan door hem/haar actief bezig te houden. Daardoor verbetert de stemming en krijgt de patiënt weer even moed. De therapie heeft op zichzelf vaak weinig blijvend effect, maar kan helpen nieuwe openingen te creëren voor andere behandelvormen. Dan kennen we nog de lichttherapie, ook bekend bij sommige huidproblemen. Die kan helpen bij SAD, seizoensafhankelijke depressie (winterdepressie). De winterdepressie komt in de tropen niet voor, maar bijvoorbeeld ook nauwelijks bij IJslanders! Dit terwijl immigranten in IJsland er wel last van kunnen krijgen.

Bipolaire stoornis

De bipolaire stoornis openbaart zich meestal voor het eerst in de puberteit, adolescentie of vroege volwassenheid. Vroeger werd gesproken van manisch-depressieve stoornis (MDS). De stemmingswisselingen (hypomaan of manisch en depressief) bij een bipolaire stoornis kunnen af en toe, zowel als elkaar snel opvolgend ('rapid cycling') optreden. Te denken is aan enkele dagen per episode tot meerdere maanden. Bij sommige patiënten kunnen ze meer in de manische of (iets minder sterk en zonder psychotische symptomen) in de maniakale hoek zitten, bij sommige anderen meer in de depressieve. Voor de onderscheiden vormen van bipolaire stoornis zie hier.

Noradrenaline, dopamine en serotonine spelen waarschijnlijk een rol in relatie tot de bipolaire stoornis. Er is een tekort aan deze stoffen in een depressieve periode en een teveel in een manie of een maniakale episode. Sommigen menen dat een tekort aan omega-3-vetzuren (een groep meervoudig onverzadigde vetzuren die ook het cholesterolgehalte in het bloed verlagen) in de kinder- en jeugdjaren de oorzaak is. Sommigen denken aan omgevingsfactoren die veel stress met zich meebrengen als oorzakelijk. In elk geval lijkt erfelijkheid en daaruit voortkomende individuele kwetsbaarheid een belangrijke factor te zijn. Een ouder met een bipolaire stoornis heeft 20 procent kans die aan het kind door te geven. Twee ouders met elk een bipolaire stoornis hebben 50 procent kans de stoornis aan het kind door te geven.

In de behandeling wordt dikwijls een meersporenbeleid gevolgd: voorlichting, psychotherapie en stemmingsstabiliserende medicatie. Lithium (Lithiumcarbonaat, Camcolit, Priadel) wordt vaak ingezet en ook Abilify (Aripiprazol), een antipsychoticum, alsmede Carbamazepine (Tegretol), een anti-epilepticum. Bij manieën worden overigens ook andere antipsychotica gebruikt. Bij depressie kunnen antidepressiva ingezet worden. Bij sommige patiënten is het een letterlijk voortdurende afweging, omdat antidepressiva een manie uitlokken en antipsychotica soms een depressie. Voor zulke patiënten is in een wankel evenwicht functioneren vaak het best haalbare.

31-7: Zonnebank en kanker

Het Internationale Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC) in Lyon, adviesorgaan van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), stelt nu officieel dat zonnebanken net als roken en asbest kanker verwekken, in dit geval met name melanomen, de dodelijkste vorm van huidkanker. Uit onderzoek is duidelijk dat gemiddelde gebruikers onder de 30 jaar 75 procent extra kans hebben, al kan het wel 10 tot 30 jaar duren voor de ziekte zich openbaart.

MRSI

De MRSA- en de MRSI-bacterie (Meticilline Resistente Staphylococcus Intermedius) hebben veel overeenkomsten. De MRSI-bacterie vormt in tegenstelling tot de MRSA voor de mens echter vooralsnog nauwelijks een probleem. De bacterie komt voor bij gezelschapsdieren, vooral de hond en de kat, maar ook wel bij paarden. Infecties kunnen ontstaan door middel van huidbeschadigingen, wonden, ontstekingen en operaties en door langdurig antibioticagebruik. Het niet gebruiken van antibiotica zou een sleutel zijn in de bestrijding van MRSI. Deze bacterie bestaat niet ondanks, maar juist dankzij antibiotica. MRSI is ook veel meer resistent tegen antibiotica dan MRSA.

RSI

RSI (Repetitive Strain Injury) is de verzamelnaam voor vele klachten die samenhangen met steeds dezelfde zeer herhaaldelijke kleine bewegingen. Slijmbeursontsteking (bursitis, ontstoken slijmbeurs op hiel, elleboog, schouder of heup, waarbij het verstandig is het gewricht in beweging te houden) en peesschedeontsteking (tendovaginitis, met pijn en bewegingsbeperking, meestal aan de grote peesscheden van de spieren aan de onderarm bij het gewricht van de hand) zijn met RSI samenhangende aandoeningen. Vooral een combinatie van handelingen (telefoneren, toetsenbord, muis en daarbij nog doorwerken tijdens de pauzes) zou funest kunnen uitwerken. Eind negentiger jaren was RSI een hot item, met een top in 2003. Sindsdien is de trend sterk dalend. Volgens het Centrum voor Verzekeringsstatistiek (CVS) betrof in 2007 nog slechts vijf procent van alle beroepsziektemeldingen RSI. Het is vooral een probleem van de jongere garde. Vaak zijn het mensen die lange werkweken maken. Sommigen spreken niet meer over RSI, maar over CANS (Complaints of Arm, Neck and Shoulder) of KANS (Klachten van Arm, Nek en Schouder). Het betreft een groep van 23 ziektebeelden. Ook de internationale term MusculoSkeletal Disorders (MSD's) geniet bij sommigen de voorkeur.

RSI-klachten worden o.a. toegeschreven aan gebruik van muis (muisarm) en toetsenbord. Bij andere computerapparatuur vinden we de Game Boy-duim, bij mobieltjes de sms-duim. Caissières ontwikkelen RSI door hun steeds herhaalde bewegingen en het spelen van tennis geeft een tenniselleboog. Marconisten kregen vroeger ook soortgelijke pijnlijke aandoeningen en sommige pianisten, violisten en lopendebandwerkers kennen het probleem ook. RSI ontstaat meestal geleidelijk. Eerst zijn er tintelingen in de handen, een koud of 'dood' gevoel, een zere pols, vervolgens chronische pijn en stijfheid in bijvoorbeeld handen, armen, nek en bovenrug. Daarna ontstaat soms krachtsverlies, zwelling en verlies van grijpvermogen. Soms kan de huidskleur verbleken. Een groot onderzoek naar gebruik van muis en toetsenbord leerde dat van de bijna 7.000 onderzochten die gezien de aard van hun werkzaamheden RSI zouden kunnen ontwikkelen slechts 1,3 procent dat ook inderdaad deed. De indruk bestaat steeds meer dat stress en een tekort aan sociale steun ook oorzakelijke factoren zijn. Daarbij valt op dat RSI, net als bijvoorbeeld het chronisch vermoeidheidssyndroom, cultuurgebonden is: in sommige culturen is het verschijnsel onbekend. Wellicht is er een onvermogen bij de patiënten om adequaat met lichamelijke signalen om te gaan en geven ze onvoldoende gehoor aan de signalen van het zenuwstelsel om een taak te stoppen of te onderbreken om pezen, spieren en gewrichten 'op adem' te laten komen. Daarbij komt dat het dikwijls gaat om langdurige belasting van steeds dezelfde spiervezels, terwijl de andere vezels onbelast blijven. In de werkende vezels zou zo doende ook een zuurstoftekort kunnen ontstaan.

Preventief zijn een ergonomisch ingerichte werkplek, een goede zithouding, variatie in de werkzaamheden en voldoende kleine en zo nodig grotere pauzes belangrijk. Bij onderzoek bleken ergonomische werkomstandigheden echter geen verschil te maken, evenmin als zogenaamde 'pauzesoftware' die korte pauzes afdwingt. Het aantal pauzes bleek hierdoor nauwelijks te worden verhoogd. Medicamenteus kunnen pijnstillers en ontstekingsremmers gebruikt worden, met het risico dat de bereikte grenzen nog verder verlegd worden. Cesartherapie, Mensendieck of fysiotherapeut kunnen in sommige gevallen ondersteunen. Meestal is ziekmelding niet de juiste oplossing.

1-8: Dissociatieve stoornissen

Bij dissociatie worden bepaalde gedachten, herinneringen, waarnemingen of gevoelens buiten het bewustzijn geplaatst. Ze zijn, bijvoorbeeld door vermoeidheid of geconcentreerd bezig zijn, tijdelijk niet aanroepbaar en kunnen ook hun samenhang verliezen. Iedereen verliest wel eens de aandacht voor z'n omgeving en dan heeft dissociatie bijvoorbeeld de functie om even tot rust te kunnen komen. Het is dan een afweermechanisme. Dissociatie komt bijvoorbeeld voor als symptoom bij de PostTraumatische StressStoornis (PTSS) en de borderline persoonlijkheidsstoornis. Kenmerkend is dat bepaalde handelingen en gedragingen gedurende de tijd die de dissociatie duurt achteraf bezien volledig los kunnen hebben gestaan van bewuste aansturing en zelfs van het weten van de patiënt. Dissociatie is echter ook het belangrijkste kenmerk van dissociatieve aandoeningen. We spreken dan van dissociatieve stoornissen.

Bij een dissociatieve stoornis is dissociatie het belangrijkste kenmerk en kan de patiënt door die dissociatie (tijdelijk) niet meer normaal functioneren. Dissociatie wordt veroorzaakt door angst. Indien de patiënt niet kan vechten of vluchten, lijken de hersenen te 'besluiten' zich te onttrekken aan de situatie die te beangstigend is. Heeft zich dit eenmaal voorgedaan, dan gebeurt het vervolgens gemakkelijker opnieuw. De patiënt staart voor zich uit, is als het ware van de wereld. Komt zij/hij weer bij de realiteit, dan kan het voor haar/hem lijken vijf minuten geduurd te hebben, terwijl er bijvoorbeeld drie uren verstreken zijn.

Medicamenteus worden wel antipsychotica gegeven in relatief lage dosering. Patiënten die dat aankunnen, kunnen in aanmerking worden gebracht voor psychotherapie en zo de oorzaken van de angsten leren achterhalen.

We onderscheiden o.a.:
- de dissociatieve amnesie (vroeger psychogene amnesie): De patiënt kan bepaalde pijnlijke herinneringen over zichzelf niet terughalen. Een episode kan minuten tot vele jaren duren. Tijdens een episode is de patiënt niet in staat normaal te functioneren.
- dissociatieve fugue (vroeger psychogene fugue): De patiënt heeft problemen met de eigen identiteit en probeert lichamelijk of mentaal weg te komen van een dreiging. Zij/hij kan plotseling op de vlucht slaan door op reis te gaan en zelfs een andere identiteit aannemen. Er is in de fugue geen herinnering aan het eigen verleden. Duidelijk is dat de patiënt in een fugue niet normaal kan functioneren.
- de dissociatieve identiteitsstoornis (DIS, meervoudige persoonlijkheidsstoornis, MPS): De patiënt neemt afwisselend twee of meer persoonlijkheidstoestanden aan die ieder voor zich het gedrag volledig bepalen. Meestal weet de oorspronkelijke persoonlijkheid niets van de andere persoonlijkheden, maar weten die andere persoonlijkheden wel van de oorspronkelijke identiteit en ook van elkaar. De andere persoonlijkheden hebben een eigen karakter en verleden en soms ook verschillende uiterlijke kenmerken en verschillende namen. De dissociatieve identiteitsstoornis hangt ook weer samen met vaak zeer ernstige affectieve tekorten in de vroege jeugd en bijvoorbeeld veelvuldig seksueel misbruik, vaak voor het vijfde levensjaar. Er is depersonalisatie (het van een afstand naar zichzelf kijken, er zelf niet bij zijn), derealisatie (het niet meer herkennen van de eigen omgeving) en er zijn identiteitswisselingen en soms ook automutilatie (zichzelf verwonden). Een therapeut zal bij iedere individuele deelpersoonlijkheid het vertrouwen moeten kunnen winnen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met aanzienlijk leeftijdsverschil tussen de verschillende persoonlijkheden.
- de depersonalisatiestoornis: Bij de depersonalisatiestoornis is de depersonalisatie niet een symptoom van een andere stoornis, maar een specifiek ziektebeeld, waarin het leven als niet echt gezien wordt, als ongrijpbaar, als een film die voorbijtrekt. De patiënt heeft het gevoel overal los van te staan, er van buitenaf naar te kijken, ook naar het eigen handelen, niet in zichzelf te zijn. De patiënt kan niet normaal functioneren.

3-8: Hyperthyreoïdie en ziektes van Graves/Basedow en Hashimoto

Bij hyperthyreoïdie komt er door een te actieve schildklier te veel schildklierhormoon (thyroxine (T4) en tri-joodthyronine (T3)) in het bloed. Deze hormonen regelen de intensiteit van de stofwisseling. Vaak maakt de patiënt schildklierautoantistoffen (bijvoorbeeld TSH-receptor-antistoffen (immunoglobulinen)) tegen de eigen schildklier die daardoor ontsteekt en tot hogere hormoonproductie overgaat. De patiënt kan een gejaagde indruk maken, een snelle hartslag hebben, het snel warm hebben, soms trillende vingers hebben, diarree, een ontregelde menstruatiecyclus of boezemfibrilleren (een hartritmestoornis). Later kan zij/hij veel overgeven en uitgeput raken, de sterkte en cilinder van de ooglens kunnen veranderen en er kan scheel zien ontstaan.

Struma (krop) is een schildkliervergroting die voorkomt bij zowel hypothyreoïdie, hyperthyreoïdie en ook wel bij normale schildklierwerking. Bij grotere zwelling kan de hele hals ernstig verdikt raken en kunnen slik- en ademhalingsproblemen optreden. Een lymfoom (vergrote lymfklier) moet worden uitgesloten. Er kunnen één of meer cysten in het schildklierweefsel zitten of goed- of kwaadaardige gezwellen. Struma door jodiumgebrek komt in Nederland niet meer voor. Bakkers zijn verplicht bakkerszout te gebruiken, waarin per kg. 100 mg. kaliumjodide (jodium) is toegevoegd, dat is het dubbele van wat in normaal gejodeerd zout (Jozo) wordt toegevoegd. (Aan Nezo-zout wordt geen jodide toegevoegd.) De mens heeft 150 microgram (0,15 mg.) jodium per dag nodig om struma te voorkomen. (Kaliumjodide (KI) wordt ook aan mensen in een kernrampgebied gegeven. Het verhindert het lichaam de radioactieve jodium die in het gebied voorkomt, te absorberen door de jodiumopnamecapaciteit van de schildklier te verzadigen.)

Bij Graves (ook wel Basedow, een auto-immuunziekte (geen schildklierziekte) waarbij hyperthyreoïdie optreedt) zien we de Merseburger (naar de woonplaats van Basedow) trias: struma (zwelling van de schildklier), exoftalmie (naar voren verplaatste en daardoor uitpuilende ogen) en tachycardie (versnelde hartslag). Meestal staat één van deze symptomen op de voorgrond. Soms zien we ook verdikking van de huid op de scheenbenen, moeite met temperatuurwisselingen, tremoren en/of en opgejaagd gevoel. Diagnostisch zijn de T4 en TSH-waarden bepalend. Behandeling met medicatie lukt meestal, maar soms is het nodig wat radioactief jodium toe te dienen. De dosering daarvan ligt gevoelig. Vaak ontstaat dan later een traag werkende schildklier, waarvoor dan weer tabletten geslikt moeten worden.

Bij de ziekte van Hashimoto (of auto-immuunthyroïditis) raakt de schildklier ontstoken met uiteindelijk hyperthyreoïdie als gevolg. Het lichaam maakt schildklierautoantistoffen aan, met name anti-TPO en anti-TG. De ziekte begint met een gezwollen gevoel in de hals. De schildklier is niet gevoelig, wel knobbelig en hij voelt rubberachtig aan. Bij één op de vijf patiënten werkt de schildklier te langzaam. De ziekte komt vaker bij vrouwen voor, soms familiair, vooral bij vrouwen tussen 30 en 50 jaar.

De schildklier wordt bij hyperthyreoïdie aanvankelijk meestal medicamenteus geblokkeerd met carbimazol. Er wordt dan tegelijk vervangend schildklierhormoon gegeven. Na een jaar, indien het probleem niet verdwijnt, wordt een deel van de schildklier vernietigd met radioactief jodium-131, soms door operatieve verwijdering. Meestal moet de patiënt daarna levenslang schildklierhormoon blijven gebruiken.

Stoornissen in de impulsbeheersing

Bij stoornissen in de impulsbeheersing is er primair geen sprake van dwangmatig gedrag, meer van een gebrek aan beheersing. Ieder normaal functionerend mens heeft een ingebouwde rem om te voorkomen dat er problemen ontstaan door impulsief gedrag. Bij stoornissen in de impulsbeheersing werkt deze rem niet goed. De patiënt kan z'n woede niet beheersen, niet stoppen met winkelen of gokken, pleegt diefstal of trekt zichzelf de haren uit.

We onderscheiden:
- kleptomanie (steelzucht): De patiënt kan geen weerstand bieden aan de drang om dingen te stelen. Het gaat niet om de gestolen spullen, maar om de spanning en bevrediging en de opluchting als het is gelukt. De kleptomaan steelt dikwijls steeds hetzelfde type voorwerpen en gooit het vaak meteen weer weg. Op de achtergrond speelt dikwijls emotionele verwaarlozing in de jeugd.
- pathologisch gokken (gokverslaving): Deze impulsbeheersingsstoornis komt meer bij mannen voor, koopverslaving meer bij vrouwen. De verslaafde brengt relatie(s), opleiding, werk en carrière in gevaar met de verslaving en moet steeds meer inzetten om dezelfde bevrediging te ervaren. Als de verslaafde stopt, vertoont hij/zij ontwenningsverschijnselen. Vaak wordt gegokt of gekocht om aan problemen te ontsnappen of een ongelukkige stemming te verlichten. Over de verslaving wordt, net als bij andere verslavingen, gelogen. De verslaafde gaat ervan uit dat een ander uiteindelijk de financiële ellende zal oplossen.
- pyromanie (vuurzucht): De pyromaan is gefascineerd door vuur en slaat vaak zelf alarm of schiet te hulp. Is dikwijls van nabij getuige van de op de brand volgende gebeurtenissen. Is doorgaans niet onder de indruk van schade en (dodelijke) slachtoffers. Beleeft bevrediging aan het hele gebeuren.
- periodiek explosieve stoornis met het niet kunnen beheersen van woede of drift en het vertonen van buitenproportioneel gewelddadig gedrag. Achteraf begrijpt de patiënt niet hoe hij (meestal mannen, soms ook vrouwen in het kader van het premenstrueel syndroom) tot zijn gedrag heeft kunnen komen en heeft hij spijt. Sommige behandelaars zien deze stoornis als een uitvloeisel van vroegere onbehandelde ADHD.
- trichotillomanie (TTM): De patiënte (bijna altijd vrouwen) heeft een overmatige aandrang eigen haren (overal op het lichaam) uit te trekken, ook wimpers en wenkbrauwen. Het uittrekken geeft bevrediging. Sommige behandelaars zien TTM als nagelbijten of als een obsessief-compulsieve stoornis. Trichofagie is het dwangmatig opeten van haar. Soms is zelfs operatie noodzakelijk om een haarbal te verwijderen.

4-8: Pest

De pest is een infectieziekte die meestal op de mens wordt overgebracht door rattenvlooien die besmet zijn met de Yersinia pestis-bacterie. Het is een zoönose, een ziekte die van dieren op mensen wordt overgedragen. De ziekte komt nog voor bij in het wild levende knaagdieren in Amerika, Afrika en Azië. Soms slaat de ziekte over op tamme knaagdieren. De mens loopt vooral risico als de pest ratten ziek maakt, maar ook het aanraken van een besmet dier is risicovol. De ziekte is goed met antibiotica te behandelen, maar het is belangrijk snel met de behandeling te beginnen. Zo nodig kunnen tijdens verblijf in een epidemisch gebied preventief antibiotica gebruikt worden.

De incubatietijd is twee dagen tot een week (bij longpest korter). We zien hoge koorts, koude rillingen, spierpijn, misselijkheid, keelpijn, hoofdpijn en uitputtingsverschijnselen. Later kan de patiënt in shock raken en het bloedstollend vermogen kan verminderen. We onderscheiden:
- builenpest: Builen (bubonen) zijn pijnlijke, rode, ovaalvormige zwellingen van lymfklieren, afhankelijk van de plaats van de vlooienbeet in de hals, onder de oksels of in de lies. De zwellingen kunnen gaan veretteren. Er kunnen inwendige bloedingen voorkomen. Opgedroogd bloed onder de huid kleurt zwart ('zwarte dood'). De patiënt kan een delirium krijgen.
- longpest: Besmetting vindt plaats als er besmette vochtdeeltjes uit de lucht worden ingeademd, dus door aanhoesten. Daarom zijn pestpatiënten erg besmettelijk. De incubatietijd kan zich beperken van enkele uren tot een dag of twee. We zien hoesten, het opgeven van bloederig, schuimend slijm, een moeizame ademhaling en soms onrust en verwardheid. Longpest is één van de gevaarlijkste infectieziekten.
- septische pest: Hiervan is sprake als de bacterie (bij onbehandelde builenpest) in de bloedbaan komt of via lichaamsvocht wordt overgedragen. We zien intracutane bloedingen (in de huid).

N.B. In met name Europa zijn relatief veel mensen met een gemuteerd CCR5-gen, het zogenoemde CCR5 delta-32-gen. Dit gen zou in het verleden beschermd hebben tegen pokken en misschien ook tegen pest. Thans wordt de bescherming door dit gen tegen hiv (human immunodeficiency virus, menselijk immuundeficiëntievirus) duidelijker, zie hier.

Ziekte van Best of vitelliforme maculadystrofie

De ziekte van Best is een juveniele (bij de jeugd horende) vorm van maculadystrofie, verband houdende met een tekortschietende 'voeding' van het oog. De ziekte komt meestal tussen het 3de en 15de levensjaar tot uiting aan beide ogen (in verschillende mate) en is progressief. Een enkele maal wordt ook een volwassen vorm, die zich op middelbare leeftijd presenteert, gezien. Omdat er in de beginstadia geen klachten zijn, komt het geregeld voor dat patiënten pas op latere leeftijd geconfronteerd worden met hun ziek zijn. Op den duur gaat de patiënt minder scherp en/of vervormd zien. Meestal eindigt de ziekte op een gezichtsscherpte van minder dan 20 procent op één van de ogen en wordt een bruikbaar gezichtsvermogen behouden in het beste oog.

De ziekte is een erfelijke aandoening (een afwijking in het VMD2-gen), maar de ernst van de klachten kan verschillen. Er is geen doeltreffende behandeling.

Zie ook hier.

5-8: Genderidentiteitsstoornis

Iemand met een genderidentiteitsstoornis (geslachtsidentiteitsstoornis) voelt zich chronisch ongemakkelijk bij de geldende normen voor zijn of haar sekse en identificeert zich met de andere sekse. Jongens willen eigenlijk geen penis hebben, meisjes geen borsten en geen menstruatie en juist wel een penis. In de adolescentie of volwassenheid is er een gevoel 'in een verkeerd lichaam' te zitten. Als iemand via hormoonkuren en operaties wil overgaan naar de andere sekse, spreken we van transseksualiteit. Soms wil iemand de kenmerken van beide seksen hebben: transgenderisme. De symptomen van de stoornis zijn al op jonge leeftijd aan te wijzen. Er wordt van uitgegaan dat de stoornis een samenhang heeft met de testosteronproductie in een kritische fase in de ontwikkeling van de foetus. Een teveel aan testosteron leidt zo bijvoorbeeld tot ontwikkeling van de hersenen in mannelijke richting, een tekort tot ontwikkeling in vrouwelijke richting. Ook zou het voorkomen dat de foetus ongevoelig is voor testosteron.

6-8: Asbestose en mesothelioom

Asbestose is een pneumoconiose (stoflongaandoening, silicose), veroorzaakt door blootstelling aan asbest, met verbindweefseling van de luchtwegen, afname van de longcapaciteit en vaak overbelasting van het hart. Tussen de blootstelling en de openbaring van de ziekte zit meestal 10 tot 20 jaar. Asbestose treft vooral mannen en heeft een goede overlevingskans.

Mesothelioom staat voor longvlieskanker (borstvlieskanker, in 10 procent van de gevallen buikvlieskanker, in één procent van de gevallen kanker aan het hartzakje), ook wel asbestkanker genoemd. Waarschijnlijk is blootstelling aan asbest en dan vooral aan crocidoliet (blauw asbest) de enige oorzaak van mesothelioom. Anders dan bij asbestose kan mesothelioom reeds ontstaan na kortstondige en geringe blootstelling aan asbest. De lange, dunne asbestvezels, die in de longvliezen intact blijven, spelen de belangrijkste rol bij het ontstaan van deze kwaadaardige ziekte. Ze prikkelen de vliezen tot genetische veranderingen en stoornissen in de celdeling, waardoor kanker ontstaat. Na de diagnose is de levensverwachting meestal minder dan een jaar (tot maximaal vier jaar).

Asbestkanker openbaart zich vaak pas na 20 tot zelfs 40 jaar. In Nederland zien we nu nog zeker 500 nieuwe gevallen per jaar. Na 2018 wordt een afname verwacht, te danken aan het asbestverbod dat na het hoogtepunt van de asbestproductie in 1975 in fases van kracht werd. In Nederland wordt mesothelioom als beroepsziekte gezien, waarvoor ook compensatie gegeven wordt (o.a. vaste tegemoetkoming via SVB: € 17.000,-). De eerste klachten zijn pijn op de borstkas, kortademigheid en hoesten. Er blijkt dan een vochtophoping tussen de longvliezen te zijn. Er bestaat geen effectieve behandeling. Meestal levert operatie meer risico dan kans, de mesothelioom is niet gevoelig voor radiotherapie, al wordt die soms wel gegeven om de pijn tegen te gaan. Chemotherapie is eveneens weinig effectief, al is er sinds kort een middel (pemetrexed, Alimta), dat, indien samen met een platinum bevattend geneesmiddel gegeven, wel een gunstig effect op de tumor laat zien. Het middel wordt elke drie weken per infuus toegediend.

Het Erasmus MC doet onderzoek naar een methode waarbij uit het bloed van de patiënt de monocyten (witte bloedcellen) worden verzameld en vervolgens gekweekt, waardoor dendritische cellen ontstaan die vervolgens behandeld worden met een extract van kankercellen van dezelfde patiënt. Door dat contact wordt in deze cellen de afweerfunctie geactiveerd. Na een chemokuur om de kanker wat te verzwakken, worden de in bevroren toestand bewaarde dendritische cellen herhaald bij de patiënt ingespoten. Die zouden vervolgens andere cellen van het immuunsysteem, met name in de lymfklieren, activeren, welke cellen (de cytotoxische T-cellen) de tumor zouden kunnen vernietigen. (Deze methode was reeds bekend bij behandeling van sommige huidkankers.)

Pneumoconiose

Pneumoconiose (stoflong) is een gevolg van inhalatie van stof, bijvoorbeeld van asbest, kiezelzuur, talk of metalen. De ziekte van Mills (silicose, pneumosilicose) wordt veroorzaakt door inhalatie van stof van steen en zand, of van vuursteen met kiezelzuur. De stoflongziekte die ook als mijnwerkerspneumoconiose bekend is, komt voort uit inhalatie van kolengruis. Het stof veroorzaakt ontstekingen en littekens (bindweefselvorming) met kortademigheid en soms emfyseem en hartfalen als gevolg. Dit beeld lijkt erg op de silicose door inhalatie van kiezelzuurstof en overigens eveneens op de gevolgen op lange termijn van roken.

7-8: Stotteren

Bij stotteren weet de spreker precies wat te zeggen, maar slaagt daar niet goed in. Meestal is stotteren een ontwikkelingsstoornis (ontwikkelingsstotteren) met een erfelijke oorzaak, waarbij stress, negatieve gevoelens en denkstijlen als katalysator kunnen werken. Driemaal zoveel mannen als vrouwen stotteren, in totaal 1 procent van de mensen. Stotteren begint tussen twee en negen jaar met een piek op drie en vier jaar. (Neurogeen stotteren, stotteren door een hersenbeschadiging dus, begint ook later.) In de puberteit zien we de meeste stotteraars. Vooral meisjes 'overgroeien' het probleem soms.

Stotteren is een coördinatiestoornis tussen de hersenen en de spieren die voor de spraak verantwoordelijk zijn. Tijdens het spreken krijgt de mens continu 'teruggekoppeld' wat hij zegt, ook als een spierbeweging fout gaat of dreigt te gaan. Deze terugkoppeling wordt bij stotteraars te vaak gegeven, waardoor de spieren aan het corrigeren blijven. We onderscheiden openlijk en verborgen stotteren en er wordt vergeleken met een ijsberg: het verborgen stotteren (dat wil zeggen het vermijden van moeilijke woorden, de spreekangst en de minderwaardigheidsgevoelens) is het grootste deel van het probleem en blijft onder water. In het verborgen stotteren spelen de reacties van de omgeving en de angst daarvoor een hoofdrol. Het openlijke stotteren zijn de blokkades, herhalingen en ongewilde pauzes in het spreken en dat kan verergerd worden door het verborgen stotteren.

Er zijn diverse therapieën voor stotteren, die soms ook te veel beloven. In mijn eigen vroegere werk heb ik bij een paar stotteraars gemerkt dat het stotteren verminderde zodra het hen lukte om bewust te proberen om te stotteren, met andere woorden: op het moment dat de angst voor het stotteren weg was, viel ook het stotteren zelf weg. Ik heb hiermee onvoldoende ervaring om er een theorie aan te kunnen ophangen.

Dyslexie

Dyslexie (lett. 'beperkt woord', ook wel woordblindheid) is een ontwikkelingsstoornis die problemen met vooral geschreven taal geeft. Het heeft een neurologische oorzaak en erfelijkheid speelt zeer waarschijnlijk een rol. Er is een te zwakke verbinding tussen de taalgebieden van de voor- en achterkant van de linker hersenhelft. De hersenen zijn veelal niet goed in staat visuele of auditieve informatie te interpreteren, maar bij veel patiënten worden andere hersenfuncties ingezet om het probleem te verzachten. Ook stimulering en training op jonge leeftijd werpen vruchten af.

Er zijn problemen met de leesvaardigheid, de spelling en de woordenschat. Soms ook met het gehoor, de spraak, het schrijven en het handschrift. De spraakwaarneming is intact, maar het verbinding leggen tussen klanken en letters van geschreven woorden geeft problemen. Verder worden dyslexie en auto-immuunziekte ook wel aan elkaar gelinkt. Dyslexie komt vaker bij jongens voor. Als vader dyslectisch is, heeft zoon 50 procent kans dat ook te zijn. Dyslectische kinderen met leesmoeilijkheden hebben ook vaker psychosomatische problemen, met name hoofdpijn en gezichtsproblemen.

Syndroom van Down

In Nederland worden jaarlijks ca. 275 baby's met het Downsyndroom geboren. De oorzaak ligt in een zeer vroege (vlak na de bevruchting) afwijkende celdeling, waarbij er vervolgens in de lichaamscellen geen twee, maar drie exemplaren van het 21ste chromosoom zitten. We noemen dit trisomie-21. Soms is er een erfelijke oorzaak, meestal niet. Door de afwijking gaan de cellen bepaalde eiwitten in overmaat produceren, bijvoorbeeld APP (amyloid bèta precursor protein), dat een rol speelt bij het ontstaan van Alzheimer, een ziekte die patiënten boven de 50 vrijwel altijd ontwikkelen. Trisomie-21 komt beduidend meer voor bij moeders boven de 36 jaar. Er lijkt ook een kleine invloed uit te gaan van de leeftijd van de vader.

Het Downsyndroom brengt een verstandelijke handicap met zich mee die varieert van licht tot zeer ernstig. Er zijn uiterlijke kenmerken aan ogen, gelaatsvorm, tong, (open) mond, handplooi, vlak achterhoofd, slappe spieren en gewrichten, kleine gestalte en dun haar. Vaak ontbreekt een kootje van de ringvinger en is er een grotere ruimte tussen de grote en de naastliggende teen. Bij geboorte kan er sprake zijn van aanlegstoornissen van slokdarm, twaalfvingerige darm en/of anus en van heupdysplasie. Het afweersysteem is minder effectief, reden waarom geadviseerd wordt pasgeborenen met het Downsyndroom te vaccineren tegen hepatitis-B. Er is een verhoogde kans op kinderleukemie, huidproblemen, schildklierproblemen, oog- en gehoorproblemen, coeliakie (glutenovergevoeligheid van de darm), obstipatie, epilepsie en osteoporose. In de kleinste helft van de gevallen is er een hartafwijking (een opening in het tussenschot tussen de twee harthelften), die dikwijls operatief ingrijpen vereist. De levensverwachting is bekort (60 is al oud).

Het is mogelijk de diagnose prenataal te stellen. Echoscopie tussen de 11de en 14de zwangerschapsweek en bepaling van een aantal stoffen in het moederlijk bloed geven een betrouwbaarheid van 95 procent. Met een vruchtwaterpunctie, die een klein risico van miskraam met zich meebrengt, kan de diagnose definitief gesteld worden. Van de ouders beslist 95 procent tot abortus, als het Downsyndroom gevonden wordt.

Hemofilie

Hemofilie of bloederziekte is een erfelijke stoornis in de bloedstolling waarbij een stollingsfactor in het bloed ontbreekt. Bij hemofilie-A (80 procent van de gevallen) is dat factor VIII, bij hemofilie-B is het IX. De ziekte treft bijna uitsluitend mannen en komt bij 0,1 promille van hen voor. Vrouwen kunnen draagster zijn en prenatale diagnostiek kan uitwijzen of de baby, als het een jongetje is, hemofilie heeft.

Problemen die zich voordoen zijn moeizamer te stelpen bloedingen , nabloedingen, hematomen (blauwe plekken), soms anemie (bloedarmoede) en schade aan gewrichten na inwendige bloedingen. We onderscheiden overigens ernstige (bloedingen kunnen spontaan ontstaan), matige (bloedingen na een duidelijke aanleiding) en milde (bloedingen na een ongeluk of operatie) hemofilie. De ontbrekende stollingsfactoren kunnen tegenwoordig periodiek per injectie worden toegediend, waarbij de vorming van antistoffen een bijwerking kan zijn.

8-8: Onbewust asociaal

Dat kan kennelijk: onbewust asociaal. Je asociaal gedragen zonder daar zelf besef van te hebben. Met twee kleinkinderen was ik vorige maand aan een speelvijver. Bij een groepje jongeren vlakbij speelde uit de radio mij irriterende muziek op een zo hoog volume dat velen genoodzaakt werden mee te luisteren. Toen ik het gesprek met deze zes jongelui aanging, bleken vijf van hen wel begrip te hebben voor mijn verzoek het volume wat te dempen, maar de zesde, ik vermoed ernstig beschadigd door drugsgebruik, met wie nauwelijks normaal te communiceren was, was de baas en de rest volgde met een verontschuldiging in mijn richting. Dat is wat de beschadigde jongeman betreft inderdaad onbewust. Helaas zijn er heel veel ernstige drugsbeschadigden. En de volgers zijn zich wellicht niet eens bewust van dat ze ook anders zouden kunnen dan volgen. Hier ter plaatse is het in de zomer donderdagsavonds feest. Dat organiseert de winkeliersvereniging zo, voor de toeristen. Behalve geregeld ernstige geluidsoverlast tot één uur 's nachts (het tijdstip waarop de vergunning van de gemeente om de overlast te mogen veroorzaken afloopt) en tot op meer dan een kilometer afstand van de stad, worden na afloop van de festiviteiten tot diep in de nacht vernielingen aangericht. Gisteren belde ik de gemeente om een in die nacht omgetrokken lantaarnpaal hier vlak in de buurt te melden. En op de diverse routes vanuit het centrum tref ik op vrijdagmorgen, overigens net als vaak op gewone zaterdagmorgens, nogal wat kapot gesmeten glas. Dat kostte me onlangs een nieuwe fietsband. Ook hier betreft het mensen die zich niet meer bewust van zichzelf zijn, omdat hen de drank naar het hoofd gestegen is.

Maar waar is de grens van bewust en onbewust? Zijn buren die het kennelijk normaal vinden dat hun kind soms urenlang gillend communicerend in de tuin speelt, onbewust? En zijn ze dat nog als je ze een paar keer beleefd gevraagd hebt grenzen aan het kind te stellen? Of ben ik dan al op het terrein van wat tegenwoordig sociaal gezien moet kunnen? Moet het ook kunnen dat als ik op bewust laag volume een gesprek voer in de tuin, dat de niet gehandicapte buurman dan langdurig met een vooral lawaai producerende machine zijn gazonnetje gaat maaien? Of dat een ander mij uit mijn tuin verdrijft met de rook van zijn barbecue? Moet het kunnen dat de buurman met de open haard maandenlang steeds opnieuw langdurig met de cirkelzaag aan de gang gaat of dat het buurmeisje meer dan een uur lang met haar drumstel in de weer is en, ook na een verzoek daartoe, weigerachtig blijft haar raam daarbij te sluiten? Natuurlijk, de één is gevoeliger voor overlast dan de ander en het is duidelijk dat voor niet iedereen de grens gelijk ligt. Dat merk ik ook als een aantal niet beschonken jongens voor mijn huis een (andere) lantaarnpaal omver probeert te trekken en ik ze vriendelijk meld er belang bij te hebben die lantaarnpaal goed te houden. Als ik even daarna niet oplet, blijkt hij vervolgens alsnog het loodje te hebben moeten leggen. En ja, de gemeente plaatst vlot een nieuwe, dat dan weer wel.

Zoals ik er tegenaan kijk, beschrijf ik hier mensen met onbewust dan wel bewust asociaal gedrag. Maar ik ben me wel bewust dat heel velen mijn ideeën daaromtrent niet delen en vinden dat dit allemaal 'gewoon' moet kunnen. Soms vraag ik me dan ook af of ik niet zelf de aso ben. En inderdaad, er is me ook gezegd dat ik niet in een kinderrijke buurt thuishoor, maar meer in een hutje op de hei. Wat ik me afvraag, is of anderen de hierboven beschreven gedragingen niet hinderlijk vinden of misschien zelfs wel amusant, of dat ze zo zijn afgestompt dat ze niets meer vinden, ook onbewust dus. Ik weet het niet. De waarheid zal vast ergens in het midden liggen en misschien ben ik wel veel te gewetensvol opgevoed en met veel te veel druk om te proberen het de ander naar de zin te maken en vooral niet tegen de haren in te strijken. Dat zo'n opvoeding niet meer normaal is, is duidelijk.

Ik surf even op 'onbewust asociaal' en vind als verwacht als eerste de Sire-site, de campagne van de overheid. Die beperkt zich tot hondenpoep op de stoep op nummer 1, afval op straat op 2, luide muziek in het OV op 3 en tas of jas op lege stoel in OV op 4, een armzalig overzicht in mijn visie. Want wat dan met hondenpoep op grasveldjes die als speelveld worden gebruikt door de kinderen? Wat met het gejank van honden als er niemand thuis is? Wat met de kattenpoep overal in de grond van mijn eigen tuin? Op allerlei plaatsen is door het McDonalds-afval in de bermen te volgen feilloos een McDonalds te vinden. Ik weet dat deze keten rondom eigen huis opruimt, maar de routes van de klanten volgen ze niet. Wat met de geluidsoverlast van muziek- en lawaaimachines-minnenden in de woonomgeving? Wat met rond racende zeer lawaaierige en stinkende bromfietsen, waarvan de bestuurders zich kennelijk niet eens bewust zijn van de helmplicht? Wat met de gasten van het hotel die voor het ontbijt hun stoelen aan het zwembad 'reserveren' door er een handdoek op te leggen, ook al wordt er vriendelijk verzocht dat niet te doen? Ik reis af en toe met de trein en heb dan een stok bij me, die ik nodig heb nadat door een herseninfarct mijn evenwicht minder goed geworden is. Ik sta liever niet in een bewegende trein, omdat het me doodmoe maakt. Zo nodig ga ik dus op de vloer zitten. Nog nooit heeft iemand me een zitplaats aangeboden. Ik heb overigens wel een aantal keren gezien dat aan anderen een plaats werd aangeboden. Dat gebeurde dan door middelbare mensen, niet door jeugd. En dat vind ik nou echt jammer. En waar is in het overzicht het asociale verkeersgedrag, het bumperkleven, claxonneren, op het voorhoofd wijzen en elkaar anderszins opjagen of de poot dwars zetten? Waar is de heer in het verkeer? O ja, reken er maar op dat ik ze zie (gelukkig!) en dat ik mijn best doe er zelf af en toe ook één te zijn. Het eerste wat ik daarvoor doe, is zorgen dat ik geen haast heb onderweg. Dat maakt de rest al heel veel makkelijker. Waar is in het overzicht het in je eigen omgeving geen voorrang geven als je dat wel zou moeten doen? Hoeveel automobilisten weten eigenlijk niet eens dat tegenwoordig een fietser van rechts ook voorrang gegeven moet worden?

Ik kijk naar 'mijn' conclusie van de schamele internettest van onze overheid. 'Vergeleken met de gemiddelde Nederlander erger jij je kapot en op de schaal van onbewust asociaal gedrag scoor jij prima', zo luidt die. Kennelijk vind ook onze overheid niet langer dat een volwassene met u aangesproken moet worden. Of is er gewoon sprake van onbewust volgersgedrag? Als ik nog even verder surf, valt me een definitie op de site van Libelle op. Ene Merel, en op internet weet je nooit of dat een eigen naam is, een zogenaamde nickname is meer voor de hand liggend, omschrijft onbewust asociaal gedrag als 'gedachteloze handelingen waar anderen zich aan zouden kunnen storen'. In die omschrijving vind ik me wel.

Ik merk dat ik twijfel om dit stuk te publiceren. Ik weet dat ik een zeur gevonden wordt en niet van deze tijd. Dat anderen er zich aan storen dat ik er wél op afga en mijn mond open doe als ik vind dat iets niet kan, ook al weet ik vooraf dat ik geen resultaat zal boeken en dat ik zelfs in een letterlijke gevarenzone terecht kan komen. Ik twijfel omdat ik me ook afvraag of ik misschien inderdaad beter een hutje op de hei kan zoeken.

Seksueel overdraagbare aandoeningen

Seksueel overdraagbare aandoeningen (soa's, geslachtsziekten, venerische ziekten) worden overgedragen door seksueel contact, soms ook door intraveneus drugsgebruik of onhygiënische tatoeage of piercing. Sommige soa's worden tijdens zwangerschap of geboorte van moeder op kind overgedragen. Soa's volgen niet op het drinken uit andermans glas, op aangehoest worden, insectenbeten en gebruik van vieze wc-brillen of zwembaden. In Nederland kennen we meer dan 100.000 behandelingen per jaar, vooral onder jongeren. Enkele zogenaamde 'superspreaders uit de core group' veroorzaken een onevenredig groot deel van alle besmettingen. Trouw tussen niet besmette partners is de beste methode om soa's te voorkomen, het gebruik van condooms is een tweede keus die geen garantie biedt. Veel soa's tasten het afweersysteem van de geslachtsorganen aan, waardoor grotere vatbaarheid voor nieuwe aandoeningen ontstaat.

Een soa hoeft geen duidelijk herkenbare klachten te geven, maar kan desondanks toch worden overgedragen. Na jaren kunnen bepaalde soa's ernstige gevolgen hebben, terwijl ze aanvankelijk gemakkelijk behandeld hadden kunnen worden. De meeste soa's (de bacteriële) zijn heel goed te behandelen. Symptomen die op een soa kunnen wijzen (maar ook op andere kwalen) zijn: pus uit penis, vagina of anus, waterig, melkachtig, gelig of groenig, branderig gevoel bij of na het plassen, zweertjes, wratjes of blaasjes op geslachtsorganen of mond, jeuk op geslachtsorganen, gezwollen klieren in de liezen en pijn in de onderbuik of bij het vrijen.

We onderscheiden:
- Chlamydia, de meest voorkomende soa, bacterieel met ontsteking van de urinebuis, de anus en/of de baarmoedermond. Vrouwen krijgen meestal geen symptomen, mannen kunnen klachten die lijken op die van gonorroe krijgen. Op den duur kan chlamydia bij de vrouw chronische ontstekingen aan de inwendige geslachtsorganen veroorzaken en tot onvruchtbaarheid leiden, en bij de man leiden tot bijbalontsteking en/of prostaatontsteking. Ook kan chlamydia de oorzaak zijn van vroeggeboorte (zwangerschapsduur minder dan 32 weken). Chlamydia is te behandelen met antibiotica.
- Gonorroe (druiper), bacterieel, bij mannen leidend tot pusachtige afscheiding uit de penis, kan onbehandeld bij mannen en vrouwen door opstijgende infectie leiden tot onvruchtbaarheid.
- Syfilis, bacterieel. Als eerste ontstaan na twee tot twaalf weken één of meer zweertjes bij de geslachtsdelen, die ook weer weggaan. Ze kunnen ook inwendig zitten en zo niet opvallen. Enkele weken tot maanden daarna zit de bacterie via het bloed in het hele lichaam. Er kunnen dan vlekjes op de huid komen, vooral in handpalmen en op voetzolen, er kan een grieperig gevoel optreden en haaruitval. Er kunnen problemen met de ogen ontstaan en er kunnen wratjes zijn in de buurt van de geslachtsdelen. Hierna volgt zonder goede behandeling het zogenoemde 'sluimerstadium'. Je kunt de ziekte doorgeven aan anderen, maar je hebt er zelf geen last (meer) van. Na jaren kunnen vervolgens allerlei organen beschadigd raken: hart, aorta, ruggenmerg, hersenen (verlammingen en geestelijke achteruitgang tot dementie) en botten. Dit stadium komt minder vaak voor dan vroeger, omdat bijna iedereen wel eens een antibioticumkuur krijgt, waardoor 'bij toeval' ook de syfilisbacterie kan worden uitgeroeid.
- Hiv-besmetting (Humaan Immunodeficiëntie Virus) die aids (Acquired Immune Deficiency Syndrome of verworven immuundeficiëntiesyndroom) kan veroorzaken, viraal, eerst veelal jaren geen symptomen, maar tast wel het immuunsysteem (steeds meer) aan. Na een hiv-besmetting kunnen aanvankelijk griepachtige verschijnselen voorkomen die weer overgaan, terwijl de afbraak van het immuunsysteem door blijft gaan. Als het afweersysteem zich niet meer (voldoende) kan verweren, spreken we van aids. Hiv kan echter in z'n ontwikkeling door medicijnen vaak vrijwel worden stilgezet. Het kan tijdens zwangerschap en bevalling worden overgedragen van moeder op kind. Een keizersnede zal dat risico beperken. Ook via de borstvoeding is overdracht mogelijk. In ontwikkelingslanden kan hiv nog altijd bij bloedtransfusies worden overgedragen. Hiv kan bij bijvoorbeeld handen schudden niet door een onbeschadigde huid binnendringen, wel door bloedcontact. Ook wordt het niet overgebracht door (tong)zoenen of op het toilet en evenmin door aangehoest worden. Het virus overleeft de buitenlucht niet en kan dus ook niet via andermans (drink)glas worden opgelopen.
Zie ook hier
- Genitale wratten op de huid rond de geslachtsorganen, veroorzaakt door het HPV-virus (Humaan Papilloma Virus), ontstaan enkele weken tot een jaar na infectie, ook op te lopen aan andermans handdoek! Sommige varianten van dit virus veroorzaken op den duur baarmoederhalskanker en vulva-kanker (kanker aan het vrouwelijke uitwendige geslachtsorgaan).
- Genitale herpes, viraal (meestal HSV-2), een week na de besmetting pijnlijke gele blaasjes op en/of rond de geslachtsdelen die wondjes worden en dan indrogen, verwant aan het koortslipvirus (HSV-1). Dit virus kan van huid op huid worden overgedragen, vooral als er blaasjes zijn en net als de koortslip kan ook deze herpes na schijnbare genezing regelmatig terugkeren, met name bij een verminderde afweer, dus bijvoorbeeld bij stress of vermoeidheid. Zo nodig kunnen virusremmers worden gegeven. Met zo'n middel moet altijd snel na een uitbraak begonnen worden.
- Hepatitis B en C, viraal, met leverontsteking of leververschrompeling en uiteindelijk leverkanker als gevolg. Hepatitis B kan vanzelf overgaan, hetgeen maanden kan duren en veel rust vereist. Zo nodig worden antivirale middelen gegeven. Met deze virusremmers moet echter altijd zo snel mogelijk begonnen worden. Tegen hepatitis B is overigens vaccinatie mogelijk.
- Trichomonas vaginalis (Trichomoniasis), parasitair, met bij de vrouw een ontstoken vagina met stinkende afscheiding en bij de man geen klachten. Behandeling met een eenmalige dosis antibiotica voor beide partners.
- Ulcus molle of weke sjanker (venerische zweer op penis of vagina), vooral in de tropen, reageert op antibiotica.

9-8: Longkanker

In Nederland wordt de diagnose longkanker per jaar 9.000 maal gesteld, meer bij mannen dan bij vrouwen, alhoewel de vrouwen sterk in de lift zitten. Bij het stellen van de diagnose is de kanker vaak al uitgezaaid naar bijvoorbeeld de lymfklieren. Vijf jaar later is nog zeventien procent van de patiënten in leven, tien jaar later tien procent. In 87 procent van de gevallen is roken de oorzaak. Roken geeft vrouwen 12 maal zoveel kans als niet-roken en mannen 22 maal zoveel. Longkanker ontstaat meestal na 20 tot 30 jaar roken. Het aantal jaren dat gerookt werd, weegt zwaarder voor het risico dan het aantal sigaretten. Bij stoppen met roken neemt het extra risico met 10 procent per jaar af. Meeroken verhoogt eveneens het risico van longkanker, zij het met een factor 1,3.

We onderscheiden het bronchuscarcinoom dat weer is onderverdeeld in het niet-kleincellig longcarcinoom (dat is onderverdeeld in het plaveiselcelcarcinoom, het adenocarcinoom en het grootcellig carcinoom) en het kleincellig carcinoom, en het mesothelioom (asbestkanker). Ook kennen we longtumoren die zijn uitgezaaid uit bijvoorbeeld prostaat- of borstkanker. Longkanker zelf heeft de neiging snel elders in het lichaam uit te zaaien. Slechts 25 procent van de patiënten die de diagnose longkanker krijgt, komt nog in aanmerking voor operatie, bij de helft daarvan komt de ziekte binnen vijf jaar toch terug. Andere behandelvormen zijn radiotherapie en chemotherapie. Vaak zal een combinatie van behandelingen worden gegeven. Na de diagnose overlijdt 60 procent binnen een jaar, 80 procent binnen twee jaar en 90 procent binnen vier jaar.

Bekende klachten waarmee patiënten binnenkomen zijn: benauwdheid, hoesten, bloed ophoesten, slikklachten, herhaalde luchtweginfecties, heesheid, pijn, afvallen (verminderde eetlust) en/of trommelstokvingers, dat zijn aan de uiteinden verdikte vingers en bol staande nagels.

10-8: Aanpassingsstoornissen

Een aanpassingsstoornis is een emotionele en/of gedragsmatige overreactie op een herkenbare stressveroorzakende situatie of gebeurtenis, die zich binnen drie maanden na die stressveroorzakende factor voordoet en maximaal een half jaar voortduurt. De stoornis leidt tot beperkingen in het sociaal en/of beroepsmatig functioneren, ernstiger dan men normaal zou verwachten en kan zich in acute en chronische vorm voordoen.

We spreken pas van een aanpassingsstoornis als die niet voortkomt uit een andere specifieke psychiatrische stoornis of uit rouwverwerking. We zien angst en/of gespannenheid, onrust, rusteloosheid en bij kinderen separatieangst. Of we zien depressie, hulpeloosheid en huilbuien. Een combinatie van beide is ook mogelijk. Ten slotte kunnen gedragsproblemen voorkomen, agressie en onaangepast gedrag.

Doorgaans is van primair belang dat de patiënt zich gaat uiten over het gebeurde, de verandering in zijn of haar leven die zich heeft voorgedaan en de gevoelens die die verandering met zich meebrengt. Kennelijk is de betrokkene daarin buiten het hulpverleningscircuit onvoldoende geslaagd.

12-8: Seksuele stoornissen

Er zijn talloze verschillende seksuele stoornissen, zowel op het lichamelijke als op het psychische vlak. Mensen met een zogenoemde parafilie leven met sociaal minder of niet aanvaarde seksuele fantasieën, seksuele aandrang of seksueel gedrag. We spreken meestal van een stoornis als de betrokkene hiervan zelf hinder ondervindt. Bij seks is daarbij de primaire regel dat een ieder slechts uit vrije wil deelneemt aan seksuele handelingen.
Enkele veel voorkomende stoornissen zal ik hier noemen:
- Exhibitionisme: Het willen tonen van seksueel gedrag en/of van geslachtsdelen.
- Fetisjisme: Het opgewonden worden door dingen als lingerie, schoenen, leer of andere.
- Frotteurisme (meer bij mannen): De neiging om tegen iemand aan te wrijven of iemand aan te raken.
- Pedofilie (meer bij mannen): Het zich (primair) aangetrokken voelen tot kinderen die nog niet geslachtsrijp zijn. Pedofilie is het verlangen naar seksueel contact met kinderen zonder dat contact aan te gaan. Het daadwerkelijk hebben van seks met kinderen is pedoseks(ualiteit). Ook seks met jongeren die wel geslachtsrijp zijn, maar nog geen 16, is pedoseksueel gedrag. We noemen pedoseksualiteit ook wel een psychoseksuele stoornis. Pederastie is homofiele pedofilie. Efebofilie is seksuele voorkeur voor pubers, zo vanaf 12-13 jaar. Parthenofilie is een voorkeur van de volwassene voor pubermeisjes.
- Seksueel masochisme: Het vernederd, vastgebonden en/of geslagen willen worden.
- Seksueel sadisme: Het psychisch en/of lichamelijk willen laten lijden van de ander.
- Voyeurisme: Het naar een ander, die naakt is of seksuele handelingen pleegt, willen kijken.
- Verminderd libido: Afname van seksuele fantasieën en/of verminderd verlangen naar seks, wanneer dit een probleem is voor de betrokkene.
- Seksuele aversie: Afkeer van en/of angst voor mogelijk seksueel contact, wanneer dit voorkomt tussen seksuele partners en een probleem is voor de betrokkene zelf.
- Frigiditeit: Het niet of te moeilijk opgewonden kunnen raken van de vrouw, waardoor te weinig vochtafscheiding in de vagina optreedt.
- Erectiestoornis: Het steeds terugkerend niet in staat zijn een gewenste erectie te krijgen.
- Anorgasmie (meer bij vrouwen): Een ernstige vertraging in het krijgen van of het ontbreken van een orgasme.
- Vroegtijdige zaadlozing (ejaculatio praecox): Het bij geringe seksuele opwinding krijgen van een zaadlozing met een verzwakt of ook zonder orgasme.
- Dyspareunie: Pijn bij de coïtus (het seksueel contact).

15-8: Slaapstoornissen

Er zijn diverse bekende en minder bekende slaapstoornissen. Hier volgen een paar:
- Slaapziekte is een vectorziekte, veroorzaakt door de parasiet Trypanosoma brucei, die wordt overgebracht door de tseetseevlieg, die voorkomt in Afrika ten zuiden van de Sahara. De tseetseevlieg is dubbel zo groot als een huisvlieg en kan onverhoeds pijnlijk steken. Ze komen niet voor op open terrein met weinig water en veel wind, wel op lage vegetatie nabij water. Op de plek van de steek ontstaat na enige dagen tot een maand een zweer en we zien daarna koorts, zware hoofdpijn, prikkelbaarheid, moeheid, opgezette lymfklieren, uitslag en/of zwellingen, spier- en gewrichtspijn. Na binnendringen in de hersenen: verwardheid, slaapstoornis, epileptische aanvallen, moeilijk lopen, gevoelloze handen en voeten, vermagering en coma. Zonder behandeling zal de patiënt overlijden. Geneesmiddel: Eflornithine.
- Insomnia (slapeloosheid) is het moeilijk in slaap vallen en/of te licht slapen. De aandoening kan chronisch worden. Slaapmiddelen als temazepam en nitrazepam moeten in principe niet langer dan twee weken aaneen gebruikt worden om verslaving te voorkomen. Warme melk bevat tryptofaan, een aminozuur dat betrokken is bij de aanmaak van serotonine, een onderdeel van het hormoon melatonine, dat het slaap-waakritme regelt. Vermijd cafeïne.
Insomnia kan samenhangen met geluidshinder, lichthinder, bepaalde medicamenten, stress, voedselallergie, manie, verhoogde schildklieractiviteit en depressie.
- Narcolepsie is een neurologisch probleem dat familiair voorkomt en zich kenmerkt door onweerstaanbare slaapaandrang (ernstige hypersomnia), zelfs na voldoende nachtrust. Soms zien we daarnaast kataplexie: tijdelijk plotseling verlies van spierfuncties (enkele seconden tot enkele minuten), slaapverlamming: zich voor het inslapen of bij het ontwaken niet kunnen bewegen of niet kunnen spreken en hypnagogische hallucinaties: levendige droomachtige gewaarwordingen tijdens het inslapen.
Er is een verstoring van het ritme van de hersengolven. Na het inslapen worden de golven normaal zwakker (NREM-slaap of non-rapid eye movement). Na een (half)uur worden de hersenen actiever en droomt de betrokkene. De ogen kunnen snel bewegen (REM-slaap). Bij narcolepsie komt de REM-slaap op abnormale momenten voor, mogelijk door een tekort aan hypocretine (orexine, een eiwit). Secundaire narcolepsie kan door een trauma veroorzaakt worden. Er wordt doorgaans een mix van medicatie gegeven, waaronder vaak Ritalin (methylfenidaat) en Efexor (venlafaxine).
- Apneu.