25-8-2009: Amoebedysenterie

Dysenterie is ernstige diarree met bloed en slijm in de ontlasting. Er zijn meerdere mogelijke oorzaken, waaronder shigellose, veroorzaakt door shigella-bacteriën. Amoebedysenterie (amoebiasis, entamoebiasis, reizigersdiarree) wordt veroorzaakt door de amoebeparasiet Entamoeba histolytica en overgedragen door de ontlasting van besmette personen of besmet water of voedsel. De ziekte is zeer besmettelijk (feco-oraal, bijvoorbeeld via handdruk, toiletbril, deurklink) en er is uitdrogingsgevaar. Amoebiasis wordt vooral in de tropen gezien, echter niet daar waar een goede hygiëne is. De amoeben kunnen via de darm in de bloedbaan terechtkomen en leverinfectie met abcesvorming veroorzaken Dan is er plotselinge hoge koorts, pijn op de borst of in de zij of boven in de buik en last van hoesten, kortademigheid en pijn bij diep zuchten. Acute behandeling is dan noodzakelijk!

Amoebedysenterie kan zonder behandeling maanden aanhouden zonder veel koorts. Het begint met vage buikklachten die langzaam erger worden. Dan heeft de patiënt een aantal keren per dag breiachtige ontlasting met bloed en slijm, doorgaans geen plotselinge waterdume diarree zonder bloed. Behandeling met bijvoorbeeld metronidazol (Flagyl), gevolgd door een kuur met clioquinol of een antibioticum.

Er is geen vaccinatie tegen amoebiasis. Goede hygiëne en daarbij goed letten op wat men eet en drinkt kan besmetting voorkomen. Na een doorgemaakte darminfectie ontstaat soms een spastischedarmsyndroom.

Alternatieve geneeskunde

Eerder schreef ik over mijn eigen ervaringen met reïncarnatietherapie (een vorm van regressietherapie), amalgaamverwijdering, orthomoleculaire geneeskunde en klassieke homeopathie. Dat is inmiddels allemaal (veel) meer dan drie jaar geleden. Wat de reïncarnatietherapie betreft, wil ik melden dat ik, voortkomend uit de bij mij gewekte belangstelling, later ook een cursus daarin gevolgd heb. Als psychiatrisch en groepstherapeutisch hulpverlener heb ik uiteindelijk zelf nooit iets met die opleiding gedaan. Dat zegt iets over mijn twijfel, met name betreffende in hoeverre beelden en ervaringen in zo'n therapie echt voortkomen uit vroegere levens en in hoeverre de eigen fantasie daarin een rol zal spelen. Over de verwijdering van amalgaam uit mijn gebit ben ik nog altijd positief, over de orthomoleculaire en de klassiek homeopathische gezondheidszorg niet, alhoewel ik nog steeds vind dat de aanvankelijke aandacht van mijn homeopate goed voor me is geweest. Aan het ruiken aan zogenaamde oplossinkjes geloof ik eigenlijk niet meer. Nu ik in de alfabetische index van mijn zorglog deze onderwerpen heb opgenomen, meende ik er voor alle duidelijkheid goed aan te doen mijn eigen ervaringen en gevoelens nog even te evalueren.

1-9: Slimming met GHB

Het begon eerder dit jaar met wodka, gedrenkt in een tampon en vervolgens ingebracht in anus of vagina. Slimming wordt dat genoemd. Voor de moderne tijd is niets te gek om een beetje snel plezier te beleven (of verdoving te vinden?). De trend is overgeslagen naar de partydrug GHB, waarop de eerste bewusteloze slachtoffers inmiddels de ziekenhuizen zijn binnengebracht. Ook bij slimmen (vermageren, afvallen, feitelijk een onjuist woord in dit verband) is de dosering het probleem met GHB.

Zie ook hier.

2-9: Syndroom van Albright

Het syndroom van Albright (Albright hereditaire osteodystrofie, AHO, pseudohypoparathyreoïdie, PHP) heeft een autosomaal dominante overerving: Als een kind het afwijkende gen (GNAS 1 op chromosoom 20) van één van de ouders erft (de kans daarop is als een ouder het afwijkende gen heeft 50 procent), krijgt het kind de aandoening. Echter, de aandoening is soms ook een gevolg van een nieuwe mutatie in het erfelijk materiaal. De ziekte komt tweemaal meer bij meisjes voor dan bij jongens.

Het gaat om een zeldzame stofwisselingsziekte met een variërende ongevoeligheid voor hormonen en uiteenlopende ziektebeelden, van niet merkbaar tot zeer ernstig. Er is door niet goed door het lichaam aangemaakte G-proteïne ongevoeligheid van de niertubuli voor het parathormoon (PHT, parathyroïd hormoon), dat is het hormoon van de bijschildklieren dat in de nieren de fosfaatuitscheiding bevordert en de terugresorptie van calcium regelt. Door de stoornis ontstaat hypocalciëmie (tekort aan kalk) en hyperfosfatemie (een teveel aan anorganisch fosfaat in het bloed). Hypocalciëmie ontstaat doorgaans op kinderleeftijd. We zien daarbij soms epileptische aanvallen, spierkrampen (tetanie), staar van het oog, tandglazuurproblemen en laat doorkomende tanden, moeilijk bewegen, moeilijk praten en luchtwegproblemen, maar de symptomen hoeven niet op te treden. Patiënten met Albright kennen een gedisproportioneerde dwerggroei met sterke neiging tot overgewicht en een rond gezicht. Benen en armen zijn kort, de handen en voeten klein en verschillende of alle vingers en tenen kunnen verkort zijn. Er kan sprake zijn van mentale retardatie (zwakbegaafdheid). Ook kan er nog resistentie zijn tegen andere hormonen als het schildklierhormoon (TSH) en gonadotrofinen (GSH, geslachtshormonen, hypogonadisme).

Als de schildklier niet of nauwelijks lijkt te werken, de stofwisseling vertraagt, er veel passief gedrag is, de nek kort is, het gezicht rond is, er tekort aan lichaamslengte, te korte armen en/of benen, korte vingers en/of tenen, vreemde huidplekken (kalkbolletjes onder de huid), epileptische aanvallen, verlate puberteit, ontbreken van gevoel van verzadiging waardoor alsmaar door kunnen eten, mentale retardatie, problemen met rekenen en/of spierkrampen zijn, moet Albright overwogen worden.

3-9: Q10

Q10 (co-enzym Q10, CoQ10, ubichinon-10) is een vetoplosbare vitamineachtige stof die in alle lichaamscellen voorkomt met als functie belangrijke omzettingsstappen in de energieproductie mogelijk te maken. Daarnaast is Q10 belangrijk als anti-oxidant (verwant aan vit. K en vit. E). Ook blijkt het van nut bij de behandeling van hoge bloeddruk. Bij hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, AIDS, parodontitis (tandvleesontsteking), maar ook bij ouderen, bij extreme lichamelijke inspanning of stress en bij verhoogd alcohol- en nicotinegebruik zien we verlaagde Q10-niveaus in het lichaam. Ook het gebruik van statines (bijv. pravastatine, simvastatine) blijkt naast het omlaagbrengen van het cholesterol de Q10-niveaus te drukken.

Q10 komt in veel voedingsmiddelen voor en via de voeding nemen we 3 tot 5 milligram per dag op. Relatief veel Q10 zit in orgaanvlees, vis en gevogelte, maar vegetariërs hebben verreweg de hoogste Q10-niveaus. Normaal lijkt het lichaam voor de aanmaak van Q10 dan ook niet afhankelijk van de voeding. Q10 in voedingssupplementen wordt slechts dan (gedeeltelijk) opgenomen indien olie als dragerstof wordt gebruikt.

Bijwerkingen van statines (atorvastatine of Lipitor, pravastatine of of Selektine, simvastatine of Zocor, fluvastatine of Lescol en rosuvastatine of Crestor) zijn zijn bij 10 tot 15 procent van de gebruikers moeheid, spierpijn, spierzwakte, spierkramp en soms spierscheuring. Er kan spierafbraak ontstaan. Onderzoeken naar het toedienen van extra Q10 bij statinegebruikers laten vooralsnog geen eensluidende resultaten zien. Zie ook hier.

7-9: Teveel aan dottercapaciteit

De Nederlandse ziekenhuizen hebben een overschot aan dottercapaciteit. Tweeëntwintig ziekenhuizen hebben een vergunning voor deze ingreep van de minister. Per 1 januari wordt het dotteren, als het aan minister Klink ligt, vrijgegeven. De minister vertrouwt er dan op dat de verzekeraars de kwaliteit wel zullen bewaken.

Het aantal dotterbehandelingen blijft achter en zal dit jaar uitkomen onder de 35.000, waar er van 40.000 werd uitgegaan. Bij patiënten met een stabiele angina pectoris werken medicijnen beter, bij diabetespatiënten bypasschirurgie. Probleem is dat er wel voldoende gedotterd moet worden om de kwaliteit te handhaven. Een ziekenhuis moet minimaal 600 behandelingen per jaar doen om die te kunnen garanderen. Dat kan ertoe leiden dat er gedotterd wordt, terwijl zo'n behandeling niet aangewezen is. In het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde stelt klinisch epidemioloog (UMC Utrecht) Yolanda van der Graaf dat het risico is dat er meer mensen dan nodig aan de ingreep overlijden (in Nederland misschien wel enkele honderden per jaar) en dat ziekenhuizen zich dus rijk dotteren ten koste van patiënten.

Deze week vergadert de Tweede Kamer over de dottercentra. Wellicht wordt het plan van de minister het dotteren vrij te geven daar nog geblokkeerd.

Erectiestoornissen

Van de Nederlandse mannen heeft 14 procent last van een erectiestoornis, van de jonge mannen minder dan 5 procent, van 40 tot 50: 14 procent, van 50 tot 70: 30 procent, van 70 tot 80: 42 procent. Bij jongeren spelen psychische invloeden meestal een grotere rol, met het ouder worden nemen causaal de lichamelijke problemen toe. Het wel kunnen krijgen van een ochtenderectie en/of een erectie bij masturbatie duidt op een psychische oorzaak als faalangst of (relationele) ambivalentie. Vaatproblemen zijn de belangrijkste lichamelijke oorzaak. Het belangrijkste advies is meer te bewegen. Dat is goed voor de vaten en dus voor de erectie. Schade door roken en overgewicht is niet zomaar ongedaan te maken door te stoppen met roken of af te vallen. Ook bij depressie en diabetes en bij gebruik van een middel tegen hoge bloeddruk is er kans op erectieproblemen. Medicamenteus wordt er bij een erectiele disfunctie, zoals een erectiestoornis officieel heet, gekozen voor Viagra (sildenafil), Cialis (tadalafil) of Levitra (vardenafil). Deze middelen hebben hoofdpijn als meest voorkomende bijwerking. Tadalafil heeft een langere werkingsduur dan sildenafil en vardenafil. De middelen werken alleen als er seksuele opwinding is. Koop deze middelen niet op internet!

8-9: Pijnstillers

Als zelfhulpmiddelen kennen we twee soorten pijnstillers: pillen die de pijn dempen en pillen die daarnaast ook ontstekingen remmen. Paracetamol is de belangrijkste als pijndemper bij met name plaatselijke pijn. Paracetamol (Panadol) onderdrukt ook de koorts, maar niet een eventuele ontsteking. Gebruik in verband met leverschade niet meer dan 7 gram per dag en bij voorkeur niet meer dan 3 of 4 gram, bij chronisch gebruik maximaal 2,5 gram (5 tabletten) en indien gecombineerd met alcohol maximaal 2 gram. Ontstekingremmende pijnstillers zijn Aspirine (acetylsalicylzuur, Aspro), ibuprofen (Nurofen, Advil, Brufen), diclofenac (Voltaren) en naproxen (Aleve). Ze zijn aangewezen als bewegen pijn doet, bijvoorbeeld in gewricht(en). Vooral diclofenac vergroot als bijwerking de kans op een hartinfarct. Ibuprofen werkt kort, naproxen veel langer en is daarom vaak een goede keus. Naproxen en de andere ontstekingremmende pijnstillers kunnen zo nodig overigens gecombineerd worden met paracetamol. Zoek zo nodig contact met uw huisarts!

Alzheimer-genen

Deze week meldde epidemiologisch genetica Kristel Sleegers (Universiteit Antwerpen) dat drie nieuwe genen zijn ontdekt die de kans op het krijgen van Alzheimer vergroten. Het vorige risicogen werd 15 jaar geleden gevonden. De nieuw gevonden genen spelen een rol bij de aanmaak van de typische eiwitplakken in de hersenen. Gehoopt wordt dat de vondst het vinden van een werkzaam medicament kan versnellen.

Kristel Sleegers ontwikkelde recentelijk een bloedtest die bepaalt of iemand verhoogd risico op Alzheimer heeft, lang voordat de eerste symptomen zich voordoen.

11-9: Rouw en pathologische rouw

Rouw is de reactie op het verlies van iemand die grote betekenis had in het leven van de rouwende. De band met de overledene wordt a.h.w. achteraf betaald met de prijs van de pijn van het verlies. Rouwen is een afstemmingsproces op de nieuwe levenssituatie zonder de overledene, zoals die is ontstaan. Rouw kan ook reactie zijn op verlies aan het leven: verlies van een huwelijk, een baan of van gezondheid. In het rouwproces is het belangrijk de emoties die passeren naar één of meer mensen in de omgeving te kunnen uiten, steeds opnieuw. Het gaat dan naast verdriet ook om tegenstrijdige gevoelens en soms om boosheid.

Rouwen wordt op diverse manieren onderverdeeld in fases, waarin onder andere ongeloof en ontkenning, machteloosheid en depressie, woede en aanvaarding een plaats vinden. Om tot aanvaarding en aanpassing aan de nieuwe levenssituatie te kunnen komen, moeten pijn en verdriet doorleefd en gedeeld worden, steeds opnieuw. Een normaal rouwproces kan zo zomaar een half tot een heel jaar in beslag nemen. Er kunnen spanningsklachten en depressie (met interesseverlies) optreden als de emoties onvoldoende naar buiten komen. De concentratie kan eronder lijden, slapeloosheid of wegvluchten in de slaap, meer of minder eten, meer of minder behoefte aan seks maken er deel van uit. Pas als het hele proces na een jaar nog niet afgesloten kan worden, spreken we van pathologische rouw. Dan zal veelal professionele hulp nodig zijn om de emotiestromen alsnog op gang te brengen. Pathologische rouw komt vaker voor als de relatie met de overledene ambivalenties kende, m.a.w. als er niet alleen verdriet, maar ook (voor het gevoel niet toegestane) vreugde is om het overlijden. Het rouwproces wordt daarom ook wel als conflictverwerking gezien.

Pathologische rouw kan ontkende rouw worden, waarin alle gevoelens sterk worden onderdrukt. We spreken van getraumatiseerde rouw als de omstandigheden rond het overlijden blijven overweldigen en van gesomatiseerde rouw als de emoties zelf uitblijven, maar naar buiten komen in de vorm onverklaarbare lichamelijke klachten. Bij uitgestelde rouw komen de reacties veel later dan meestal het geval is en bij chronische rouw blijven ze op den duur onverminderd sterk aanwezig. Soms wordt de individuele rouw ten slotte overheerst en in stand gehouden door systeemproblemen (problemen op het niveau van gezin of familie).

16-9: Rouw en hartfalen

Mensen die rouwen (Trauerarbeit) na verlies van geliefde of kind en dan vooral vrouwen hebben een zesmaal grotere kans op een hartinfarct, zo bleek uit Australisch onderzoek. Rouw gaat mensen kennelijk zomaar aan het hart. De rouwenden kregen last van hoge bloeddruk, hartritmestoornissen en veranderingen in het immuunsysteem. Het risico op hartfalen begon na zes maanden weer af te nemen en was na twee jaar weer op het normale niveau.

18-9: Pubertas praecox

Pubertas praecox of voortijdige puberteit wordt gezien als een lichamelijke ontwikkelingsstoornis waarbij vooral meisjes (voor de 8ste verjaardag, of optredende menstruatie voor de 9de verjaardag) en minder ook jongens (voor de 9de verjaardag) te maken krijgen met kenmerken van de puberteit, waardoor bijkomend de lichaamslengtegroei te vroeg stopt doordat de groeischijven te vroeg sluiten. Bij meisjes zien we borstontwikkeling en schaamhaar, bij jongens testis- en/of penisvergroting, schaamhaar en/of gezichtsbeharing. Kinderen met pubertas praecox hebben dikwijls overgewicht. Overigens, soms zorgen zwakke mannelijke hormonen uit de bijnieren voor vroege groei van schaamhaar, zónder dat daarmee de puberteit in aantocht is.

Rond 1860 begonnen meisjes gemiddeld rond hun 18de te menstrueren, een eeuw later rond de leeftijd van 13,5 jaar. In Amerika hadden meisjes in 1997 op gemiddeld 12,8 jarige leeftijd de eerste menstruatie. Causaal wordt in verband met deze grote vervroeging gedacht aan de volwaardige voeding van tegenwoordig, met vooral meer eiwitten. Daarnaast hebben kinderen minder ziektedagen dan vroeger. Die ziektedagen staan in rechtstreeks verband met de ontwikkeling. Er zijn ook aanwijzingen dat de menstruatie begint bij een bepaald percentage lichaamsvet. Een verhoogd vetpercentage zou dan zorgen voor de voortijdige puberteit. In een enkel geval bleek dat een meisje stiekem anticonceptiepillen van haar moeder gebruikte. Toen in Haïti ten slotte meisjes in een arme wijk plotseling allemaal borsten kregen, bleek dit samen te hangen met het eten van kip van kippen die waren opgefokt met voer waarin oestrogeen verwerkt werd teneinde de dieren versneld vet te mesten.

We onderscheiden centrale pubertas praecox (de oorzaak ligt centraal, d.w.z. in de hypofyse) en pseudopubertas praecox (de oorzaak ligt in één van de endocriene klieren, bijvoorbeeld de bijnier of de schildklier). Bij meisjes is centrale pubertas praecox in 90 procent van de gevallen idiopathisch, dus zonder aanwijsbare oorzaak, bij jongens is dit bij de grootste helft het geval. Centrale pubertas praecox kan echter ook een organische oorzaak als een tumor, een infectie, een trauma of radiotherapie hebben.

Diagnostisch wordt de groeicurve van het kind afgezet tegen de reguliere groeicurve en de lengte van de ouders. Met een röntgenfoto wordt de botleeftijd van de hand bepaald. Er wordt een echo gedaan, bij meisjes van de bijnieren en de eierstokken, bij jongens van de bijnieren en de testes. Met (CT of) MRI wordt vastgesteld of er een centrale oorzaak is. Als er een vermoeden van bijvoorbeeld een tumor is, zal de MRI periodiek moeten worden herhaald. Door middel van bloedonderzoek worden de verschillende hormoonspiegels bepaald (o.a. ACTH, adrenocorticotroophormoon en LH en FSH, luteïniserend hormoon en follikelstimulerend hormoon, beide uit de hypofysevoorkwab). Ook de invloed van de hypofyse op de hormoonspiegels wordt onderzocht. In het bloed kan ten slotte naar tumormarkers gekeken worden.

Als de botleeftijd bij centrale pubertas praecox niet te ver is doorgeschoten, kan de puberteit worden afgeremd door vierwekelijkse injecties met een synthetische vorm van het hypothalamus decapeptide LHRH (Decapeptyl, triptoreline of Lucrin, leuproreline), verantwoordelijk voor het aanmaken van FSH en LH. De injecties veroorzaken na een korte stimulering van de puberteitshormonen door een continue overdosering hiervan het stoppen van de productie van FSH en LH. In feite wordt de hypofyse deels platgelegd, een ingrijpende behandeling kortom die een grote omslag in de hormoonhuishouding teweegbrengt en als bijverschijnselen bloedingen, afscheiding en stemmingsveranderingen kent. De behandeling wordt doorgaans gestopt als het meisje 11 jaar is (bij jongens met 12 jaar). Drie maanden later begint dan de puberteit. De effecten van deze behandeling op langere termijn zijn nog niet bekend.

22-9: Tekenencefalitis

Naast Lyme kunnen teken andere ziektes overbrengen. Meestal gaat het om bacteriën die worden doorgegeven, in het geval van tekenencefalitis (Tickborne encefalitis (TBE), Früh Sommer meningo-encefalitis (FSME), Russian spring-summer encefalitis (RSSE), Central European encefalitis (CEE)) om een virus (flavivirus). Het virus uit de speekselklier van de teek wordt al direct na de beet overgebracht, i.t.t. Lyme, waar de overdracht meestal niet binnen 12 uur plaatsvindt. Een andere besmettingsmogelijkheid is via het drinken van rauwe melk van een besmet dier.

We kennen 800 tekensoorten. Het probleem is dat teken ziektekiemen van de ene op de andere gastheer (dier, mens) kunnen overbrengen. Bij tekenencefalitis wordt slechts één op de 750 besmette personen daadwerkelijk ziek, waarvan één à twee procent uiteindelijk aan de ziekte overlijdt en drie tot vijf procent verlammingen, doofheid of hoofdpijn aan de ziekte overhoudt. Bij de Russische variant (RSSE) sterft echter 20 procent van de zieken aan de beet. Vaccinatie (FSME-IMMUN), die elke drie jaar herhaald moet worden, is mogelijk. PS 20-8-2016: Oostenrijk heeft een nationaal vaccinatieprogramma tekenencefalitis.

Wie ziek wordt, krijgt na een incubatietijd van één tot drie weken eerst ongeveer een week lang griepverschijnselen. Daarna volgt een klachtenvrije week. Vervolgens kan (dat gebeurt in 10 procent van de gevallen) een tweede ziekteperiode met hoge koorts optreden. We zien hoofdpijn, verlammingsverschijnselen, meningitis en encefalitis.

Ehrlichiosis en Rocky Mountain spotted fever

Ehrlichiosis (soms ook Ehrlichia of Ehrlichiose genoemd) is een tekenziekte die vooral honden treft, maar soms ook mensen. De ziekte wordt veroorzaakt door bacterieachtige micro-organismen uit de groep Rickettsiae die door tekenbeten worden overgebracht. We onderscheiden monocytaire en granulocytaire ehrlichiosis. Eén à twee weken na besmetting treedt koorts op, moeheid, spierpijn en soms huiduitslag. De ziekte komt vooral in Amerika voor en wordt overgebracht door de lone star tick. Hij is verwant aan Rocky Mountain spotted fever. Behandeling met antibiotica.

De Rocky Mountain spotted fever is een soort vlektyfus, veroorzaakt door micro-organismen uit de groep Rickettsiae. Gewone vlektyfus wordt door kleerluizen overgebracht in slechte hygiënische omstandigheden. We zien hoge koorts, hoofdpijn, huiduitslag, misselijkheid en braken. Rocky Mountain spotted fever wordt door een tekenbeet overgebracht en is in de kleinste helft van de gevallen zonder behandeling dodelijk. Behandeling met een antibioticum als tetracycline, doxycycline of chlooramfenicol.

Ziekte van Fièvre boutonneuse

Fièvre boutonneuse is een tekentyfus, door teken overgebracht rond de Middellandse Zee en in India en heel Afrika. Deze tekenbeet is herkenbaar aan een zwarte zwerende plek en later rode vlekjes op de huid. De ziekte wordt veroorzaakt door micro-organismen uit de Rickettsiae-groep.

Na enkele dagen ontstaat dus een zweertje met een zwart korstje en een rode verkleuring van de huid. Vaak zien we ook gezwollen lymfklieren en ontsteking van kleine bloedvaten met bloedinkjes als gevolg. Er zijn griepachtige verschijnselen, gewrichtspijn, bloeddrukverlaging en soms neurologische afwijkingen en verstoring van de nierfunctie. Na 5 tot 7 dagen koorts en koude rillingen. De koorts kan wel twee weken aanhouden. Er ontstaan rode plekjes over het hele lichaam, beginnend in handpalmen en op voetzolen. Behandeling met chlooramfenicol, tetracycline of doxycycline.

24-9: Gezondheidsproblemen na kinderkanker

Jaarlijks wordt bij 440 kinderen in Nederland kanker vastgesteld. Veertig jaar geleden leefde na vijf jaar nog maar 30 procent van hen, nu ligt dat percentage voor kinderen tussen 0 en 14 jaar op 80 procent. Toch blijkt dat kinderen die van kanker zijn genezen, dikwijls een leven lang (ernstige) gezondheidsproblemen houden. Epidemiologe Mathilde Cardous-Ubbink onderzocht bij 1350 kinderen die tussen 1966 en 1996 behandeld werden voor kanker hoe ze zich ontwikkelden nadat ze genezen waren verklaard. Op 25-jarige leeftijd bleek maar een kwart van hen helemaal gezond, 40 procent had ernstige aandoeningen. Vooral van de radiotherapie (bestraling) worden later belangrijke negatieve gevolgen gezien. Ook hebben overlevenden van kinderkanker altijd een verhoogd risico opnieuw kanker te krijgen. Kinderen die zijn bestraald voor een hersentumor blijken daarbij een twee keer zo grote kans op een nieuwe tumor te hebben dan kinderen die chemotherapie kregen, zoals bij leukemie.

25-9: Leishmaniasis

Leishmaniasis is een (sub)tropische infectieziekte, een zoönose (een ziekte die van dieren op mensen wordt overgebracht), veroorzaakt door de Leishmania-parasiet, die wordt overgebracht door de vrouwelijke zandvlieg, een kleine harige mug. De zandvlieg komt in Nederland nog niet voor, wel rond de Middellandse Zee, ook in Frankrijk. De parasiet wordt gemakkelijk van de hond of de rat, maar ook van andere dieren op de mens overgebracht. In India wordt er ook van mens op mens overgebracht. Wereldwijd zijn er anderhalf tot twee miljoen nieuwe ziektegevallen per jaar. De incubatietijd bedraagt enkele weken tot maanden, soms tot jaren. Er is geen vaccinatie. De vliegjes zijn vooral na zonsondergang actief. Beschermende kleding, insectenwerende middelen, insecticiden en klamboes kunnen helpen de vliegjes op afstand te houden. De beste behandeling is met Pentostam (dosering naar gelang lichaamsgewicht) per infuus (of intramusculaire injectie), minimaal eenmaal per week gedurende enkele weken.

Leishmaniasis is een ernstige ziekte. Cutane leishmaniasis (er ontstaat een zweer waar de zandvlieg in de huid gestoken heeft of er ontstaan meerdere zweren verspreid over de huid) veroorzaakt aanzienlijke schade (littekens), maar geneest meestal vanzelf na een maand tot een jaar. Nog na jaren kan uit een genezen lokale vorm van cutane leishmaniasis een monocutane leishmaniasis ontstaan. Bij monocutane leishmaniasis ontstaan de zweren in de slijmvliezen van mond of neus en kunnen ze het hele gezicht vervormen. Bij viscerale leishmaniasis nestelt de parasiet zich veelal in milt en/of lever. De monocutane en vooral de viscerale vorm verlopen zonder adequate behandeling dikwijls dodelijk, al zijn er gevallen waarin de weerstand van de zieke ernstige ziekte voorkomt. We zien lang aanhoudende koorts met wisselende koortspieken, algehele malaise, gewichtsverlies, hoesten, diarree, vergroting van milt en lever, bloedarmoede, daling aantal witte bloedcellen, bloedinkjes in de slijmvliezen, secundaire infecties.

27-9: Maltakoorts

Brucellose (Maltakoorts, ziekte van Bang) is een zoönose, een infectieziekte bij dieren veroorzaakt door bacteriën uit het geslacht Brucella. Brucella melitensis veroorzaakt de ziekte bij schapen en geiten. Deze Brucellavariant kan ook via melk(producten), urine, ontlasting en vruchtwater van dier op mens worden overgebracht, niet van mens op mens. Met name het drinken van rauwe melk is risicovol, maar besmetting is ook anderszins via ongepasteuriseerde melkproducten, inademing en wondjes mogelijk.

Maltakoorts begint vaak sluipend met griepachtige verschijnselen en een typisch golvend temperatuurverloop. Als complicaties kennen we osteomyelitis (botontsteking) en soms endocarditis (ontsteking van de hartwand), nefritis (nierontsteking), menigo-encefalitis (hersen(vlies)ontsteking) en orchitis (teelbalontsteking). Zwangere vrouwen lopen risico op een miskraam. Behandeling met antibiotica.

Nederland is sedert 1999 door de EU brucellose-vrij verklaard, maar in Zuid-Europese landen en nieuwere lidstaten van de EU komt brucellose nog veel voor.

28-9: Mexicaanse griep rukt op

De Mexicaanse griep lijkt op te rukken. Het zuidelijk halfrond heeft haar beurt gehad. De griep is nog altijd mild en de meeste zieken komen er goed door. Zij hebben door hun ziekte een zekere immuniteit opgebouwd, waar ze wellicht vele jaren profijt van kunnen hebben. Tegelijk voeren op het noordelijk halfrond paranoïde lieden actie om mensen te bewegen zich niet te laten vaccineren. Ik kreeg mailtjes die aangeven dat de vaccinatie MS zou kunnen veroorzaken en onvruchtbaarheid en dat overheden internationaal besloten hebben door middel van het vaccin de groei van de wereldbevolking te remmen. Bovendien wordt er gesuggereerd dat mensen met behulp van politie en leger verplicht zullen worden zich te laten vaccineren. In de VS zouden mensen met de vaccinatie een niet te verwijderen armband met chip krijgen en zonder de vaccinatie in een kamp gezet worden. Ook zou het gewone seizoensgriepvaccin kwik bevatten en dus schade aan het zenuwstelsel toebrengen. Verder zouden autisme, ADHD en spraakstoornissen door dat vaccin uitgelokt worden.

Natuurlijk zullen velen hun besluitvorming door dit soort berichten laten beïnvloeden. Ik weet niet of er iets waar is van dit alles. Het komt me paranoïd over. Maar ook ik twijfel nog over of ik die prik(ken) wel wil. Ik ben bang dat het vaccin onvoldoende uitgetest kan zijn en dus risico op onvoorziene complicaties in zich draagt. En ik vertrouw de farmaceutische industrie, die in voortdurend gevecht is met verzekeraars en overheden, steeds minder. Ook denk ik dat onze overheid zich mogelijk laat manipuleren door deskundigen die daar geld mee verdienen. Een beetje paranoïd ben ik dus ook. Ik ben geneigd te vertrouwen op het eigen immuunsysteem en daartoe zo goed mogelijk voor mezelf te zorgen als het gaat om voldoende rust, goede voeding, beweging, frisse lucht en zonlicht. Verder is het zo dat maar ongeveer één op de vier van de mensen die met het virus in aanraking komen, deze griep ook daadwerkelijk krijgt. Dat is het dubbele van het aantal zieken bij de gemiddelde seizoensgriep. Bij drie van de vier weet het immuunsysteem het virus toch onschadelijk te maken zonder dat men ziek wordt. Slaat de griep dan toch nog toe, dan zal ik de tijd nemen om uit te zieken. Zover ik nu overzie, zal ik geen Tamiflu gebruiken, omdat ik vrees dat dat hulpmiddel een goede werking van het eigen immuunsysteem, zo niet op korte, dan toch op langere termijn in de weg zal kunnen staan. Maar ik weet ook dat mijn mening een momentopname is, dat er van alles kan veranderen en dat het roer nog steeds een keer om kan.

30-9: Proteïne S en C en infarcten bij jongeren

Volgende week promoveert stollingsarts en cardioloog in opleiding Jan-Leendert Brouwer (UMCG) op een onderzoek naar trombose en hersen- en hartinfarcten bij jongeren. Vaak blijkt er een erfelijk tekort aan proteïne S en proteïne C in het bloed te zijn, wat met bloedonderzoek gemakkelijk is aan te tonen.

Brouwer onderzocht 1600 patiënten en van daaruit 172 families, waarvan 91 (een kleine 500 mensen) de erfelijke afwijking bleken te hebben en 9 jaar gevolgd werden. Het tekort aan de proteïnes bleek onmiskenbaar het risico van beroertes en hartinfarcten vijfmaal te vergroten. Brouwer adviseert deze families preventief chronisch gebruik van antistollingsmiddelen.

Levensstijl kinderen werkende moeders

Uit Brits onderzoek (Instituut voor de Gezondheid van kinderen in Londen en het Great Ormond Street kinderziekenhuis in Londen) onder meer dan 12.000 kinderen van vijf en hun moeders blijkt dat kinderen van werkende moeders een ongezondere levensstijl hebben dan van thuisblijfmoeders. Ze zitten vaker voor de tv, eten minder gezond, drinken vaker gezoete drankjes tussen de maaltijden, krijgen als snack minder vaak fruit of groente en worden vaker per auto naar school gebracht. Het blijkt daarbij niet uit te halen of moeders flexibel of op vaste tijden werken. Dertig procent van de onderzochte moeders had sinds de geboorte van het kind niet meer gewerkt. Zestig procent van de moeders had wel een baan. Aangegeven wordt dat het onderzoek niet bedoelt duidelijk te maken dat moeders beter geen baan kunnen hebben.

Lepra

Lepra is een chronische infectieziekte, overgebracht door aangehoeste leprabacillen, de vroegere melaatsheid. De incubatietijd kan tot zeven jaar oplopen. Lepra komt in de tropen voor (vooral India, Brazilië en Midden-Afrika). Wereldwijd zijn er nog 200.000 nieuwe gevallen per jaar en lepra wordt nog zo'n tien keer per jaar in Nederland vastgesteld. Mensen met een goede conditie (weerstand) hebben grote kans (90 procent) na een besmetting niet ziek te worden. Er is geen specifieke lepravaccinatie, maar bij de lichtere, minder besmettelijke tubercoloïde lepra (PB, pauci-bacillaire lepra) geeft de BCG-vaccinatie (tegen tuberculose) een zekere bescherming. Gebleken is dat onder gevaccineerden 50 procent minder ziektegevallen voorkomt. Bij deze lepravorm ontstaan vlakke witte stukken huid die gevoelloos worden. Bij de zeer besmettelijke lepromateuze vorm (MB, multi-bacillaire lepra) zien we verdikkingen van verschillende afmetingen en vorm op de huid. De lichaamsbeharing verdwijnt daar, ook de wenkbrauwen en wimpers. Door de gevoelloosheid van handen en voeten ontstaan wonden en vervolgens eventueel verminkingen. We zien dus eerst huidafwijkingen, gevolgd door aantasting van de zenuwen. Omdat patiënten de oogleden niet meer kunnen sluiten, kan blindheid ontstaan. Behandeling d.m.v. een combinatie van antibiotica als de antileprotica clofazimine, Lampren en dapson en het tuberculosemiddel rifampicine of Rifadin. Bij opvlammingen van ontstekingen kan prednison of prednisolon gegeven worden.

1-10: Tuberculose

Tuberculose (tering, tbc, tb, vliegende tering) is een ernstige en soms besmettelijke bacteriële infectieziekte. Een eeuw geleden werd praktisch iedereen ermee besmet, maar meestal overwon het immuunsysteem de besmetting en werd men niet ziek. Naar schatting is momenteel eenderde van de wereldbevolking besmet, meestal zonder (al) ziek te zijn geworden (LTBI, latente tuberculose-infectie). In het jaar 1900 had Nederland 5 miljoen inwoners en er stierven zo'n 10.000 mensen per jaar aan tuberculose, d.i. 0,2 procent van de bevolking. In 2004 overleden wereldwijd 1,7 miljoen mensen aan tuberculose. In Nederland zien we nog zo'n 1.100 patiënten per jaar, vooral in de grote steden. Tweederde van die patiënten is van buitenlandse afkomst. Er is een vaccin tegen tbc, het BCG-vaccin (Bacillus Calmette-Guérin). Dat is niet opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma.

Tuberculose is vooral een ziekte van de longen, maar feitelijk kunnen bijna alle organen aangetast worden. In Aziatische landen zien we relatief veel lymfkliertuberculose. De bacterie wordt meestal aangehoest, maar ook het drinken van bijvoorbeeld melk van koeien met rundertuberculose kan leiden tot besmetting. De incubatietijd is minder dan 2 jaar tot meer dan 60 jaar. Naar schatting zal bij 1 procent van de mensen na besmetting tuberculose ontstaan, bij 10 procent zal de tuberculosebacterie op een (veel) later moment pas actief worden. Bij niet behandelde HIV-geïnfecteerden is na besmetting de kans op het krijgen van tbc 10 procent per jaar. In Afrika, ten zuiden van de Sahara, zijn de meeste tuberculosepatiënten HIV-positief.

Bij longtuberculose zien we aanhoudend hoesten, pijn in de borst, bloed ophoesten, gewichtsverlies en nachtzweten. Bij open tuberculose zijn de bacteriën met de microscoop in het sputum te zien. Lymfkliertuberculose doet de lymfklieren zwellen, bijvoorbeeld in de hals. Werveltuberculose gaat vaak gepaard met rugpijn. Tuberculeuze meningitis (hersenvliesontsteking) is de ernstigste vorm van tuberculose buiten de longen.

De bacterie is langzaamaan voor sommige medicamenten resistent geworden. MDR-TB (Multi Drug Resistant Tuberculosis met resistentie voor ten minste INH (Isoniazide) en rifampicine (Rifadin, Rifinah)) zien we vooral in de Baltische staten, Kazachstan, Kirgizië, Israël, Zuid-Afrika, China, India en Haïti. In veel landen zijn gevangenissen berucht om de vele tuberculosepatiënten. De behandeling van MDR-TB duurt meestal 18 tot 24 maanden en pakt zo'n honderdmaal duurder uit dan een behandeling van gewone tuberculose. XDR-TB (Extensively Drug Resistant Tuberculosis, superresistentie) kent nog meer resistenties en is dus nog moeilijker te behandelen. We zien het vooral in Rusland en Oost-Europa. Onlangs overleden 52 van de 53 XDR-TB-patiënten bij een ziekte-explosie in KwaZoeloe-Natal (Zuid-Afrika).

Bij de Mantouxtest wordt tuberculine (tuberculoseantigeen) in de huid gespoten. Als een patiënt besmet is geweest, is er ook een immuniteitsreactie geweest en dan ontstaat op de plaats van de injectie een rode verheven plek. Dit toont alleen aan dat het immuunsysteem van de betrokkene 'kennis heeft gemaakt' met de bacterie. Die bacterie kan overwonnen of nog actief zijn. Longtuberculose geeft op röntgenfoto's van de longen altijd een zichtbare afwijking. Nieuwer zijn de bloedtest IGRA (Interferon Gamma Release Assay) en de sputumtest op bepaalde bekende DNA-mutaties van de bacterie die tot resistentie leiden.

Tuberculose is (door longarts of GGD-tuberculosearts) te behandelen met een combinatie van antibiotica als INH (Isoniazide), rifampicine, pyrazinamide en ethambutol. Combinatiepreparaten zijn o.a. Rifinah, Rimactazid, Rimstar en Rimcure. De behandeling duurt doorgaans minimaal zes maanden. Bij onvoldoende behandelresultaat wordt overgestapt op tweedelijnsmedicatie met diverse groepen middelen.

2-10: Psychische ontwikkeling ivf-kinderen

Klinisch psychologe Karin Wagenaar onderzocht voor haar promotie aan de VU Amsterdam de psychische gevolgen van ivf-bevruchting (reageerbuisbevruchting) voor de zo verwekte kinderen. Ze vergeleek ivf-kinderen van 8 tot 18 jaar met kinderen van ouders die vruchtbaarheidsproblemen hadden, maar toch spontaan zwanger werden. Ze keek naar het functioneren op school, naar cognitieve vaardigheden, naar gedrag en naar sociaal-emotioneel functioneren. Ze vond geen verschillen tussen ivf-kinderen en kinderen geboren na een natuurlijke zwangerschap.

3-10: Maagverkleining en Emmen

Na de maagverkleiningsaffaire Emmen met chirurg N.R. zijn de wachtlijsten voor deze ingrepen in Nederland fors (tot meer dan een jaar) opgelopen, zo lees ik in een artikel in DvhN 3 oktober (Arend van Wijngaarden en Daniëlle Molenaar). Dit zou komen doordat er meer aan voorselectie en nazorg wordt gedaan, maar ook doordat de publiciteit rond de Emmer affaire tot een stijging van het aantal aanvragen heeft geleid. Volgens de Obesitas Vereniging dreigen patiënten naar het buitenland uit te wijken en komen te kleine ziekenhuizen in de verleiding de complexe operatie ook te gaan uitvoeren. De ziekenhuizen die de operatie in Nederland nog uitvoeren, doen dat volgens de Vereniging goed.

Seks om gezond te blijven

In zijn column in DvhN schrijft René Diekstra over het antiverouderingstrucje seks. Hij vraagt zich af waarom artsen seks niet vaker adviseren en denkt dat dat door verlegenheid of geremdheid komt. (Ik denk dat zo'n advies veel moeizaam te behandelen relatieproblemen naar voren zou halen.) Diekstra somt op wat het blad 'Health and Preventive Medicine' over de heilzame werking van seks opsomt: Het produceert een rozige blos en seksueel actieve vrouwen in stabiele relaties worden waarschijnlijk minder snel oud. Seks stimuleert de productie van vitale hormonen die welzijnsbevorderend en ook cholesterolverlagend werken. Het is goed voor de huid, vermindert spanningen en bevordert een gezonde slaap en een positieve kijk op het leven. Overigens geven masturbatie en ook lichamelijke aanrakingen en strelingen zonder orgasme dezelfde effecten. Het laatste blijkt uit onderzoek van de universiteiten van Pittsburgh en North Carolina. Partners voelen zich na zulk contact zonder orgasme meer betrokken, zijn genereuzer ten opzichte van elkaar en anderen en hebben minder kans op onderling conflict. Studies naar massages laten soortgelijke effecten zien.

Symptomen Mexicaanse griep

Met name hoge koorts onderscheidt Mexicaanse griep van seizoensgebonden griep. De koorts kan oplopen tot 40 graden en aanhouden boven 38,3. Verder zwellen de klieren, zijn er vermoeidheid en gebrek aan eetlust, keelpijn, hoesten, misselijkheid, braken en diarree. Bij baby's en kleine kinderen kan slaperigheid, gebrek aan reactie en slapte optreden, gecombineerd met gebrek aan eetlust, braken en diarree. Waak voor uitdroging! (Bij de apotheek en drogist zijn er zakjes ORS (orale rehydratie, oral rehydration solution) te koop, een oplossing met vooral zouten en glucose, die dikwijls beter wordt opgenomen en binnen blijft dan gewoon water. Men kan ook zelf een oplossing maken: op 1 liter water ¼ theelepel keukenzout (natriumchloride), ¼ theelepel kalizout (kaliumchloride, in mineraalzout zit dikwijls voor de kleinste helft natriumchloride en voor de grootste helft kaliumchloride), ¼ theelepel bakpoeder (gistvervanger), 40 gram suiker en vanillesuiker en/of citroensap naar smaak. In ontwikkelingslanden wordt (gewone) cola zonder prik gegeven. Qua samenstelling benadert het de ORS. Het brengt de zouthuishouding echter niet op orde.)

Besmetting van derden kan al plaatsvinden voor uitbreken van de ziekte tot een week na dat uitbreken. Wie anderen niet wil besmetten, vermijdt contact en let op bij hoesten en niezen, waarna de handen gewassen worden. Een steeds ververst masker kan helpen. Het is verder belangrijk zich niet in de ogen te wrijven.

Overigens wordt er door sommigen voor gepleit te proberen juist wel besmet te worden nu er nog geen kwaadaardige mutatie van het virus is, omdat de antistoffen die na een besmetting worden aangemaakt van pas zullen komen als er een veel ernstiger variant van deze griep op zou duiken. Zo'n advies zou dan met name moeten gelden voor wie zich niet laat vaccineren.

Polio

Polio (poliomyelitis, kinderverlamming) is een virusziekte, een ontsteking, via een maag-darminfectie, aan de grijze stof van het ruggenmerg. Polio komt alleen bij mensen voor. Besmette personen scheiden het virus uit met de ontlasting. Door slechte hygiëne besmet het anderen via de mond. De besmettelijkheid is het grootst kort voor en na het begin van de ziekte. De incubatietijd is één tot drie weken. Van de besmette personen overwint in 95 procent van de gevallen het immuunsysteem het virus zonder dat die mensen echt ziek worden. Een aantal dagen lang verspreiden deze mensen echter wel het virus! Vijf procent heeft vage algemene klachten en overwint zo de besmetting. Bij minder dan 1 procent van de besmette mensen treden na ongeveer twee weken plotseling spierverlammingen op. Deze zijn ongeneeslijk en leiden bij nog opgroeiende kinderen ook tot misvormingen. De patiënt sterft als de hersenzenuwen aangetast of de ademhalingsspieren verlamd raken. Naarmate men ouder is op het moment van besmetting, is dit risico groter. Mensen met verwijderde keelamandelen lopen meer risico. Mensen die verlamd raken, hebben een kans van één op drie om na 15 tot 40 jaar nieuwe spierzwaktes met pijn en atrofie te ontwikkelen. Er is geen adequate behandeling voor polio, wel adequate vaccinatie die levenslang beschermt en die is opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. Voordat deze vaccinatie er was, kende Nederland jaarlijks enkele honderden en in epidemieën enkele duizenden gevallen. De vaccinatie gebeurt met dood vaccin (Salkvaccin). Bij epidemieën (de laatste dateren van 1930, 1943/1944, 1952 en 1956 en, na introductie van de vaccinatie in 1957, nog op beperkte schaal in 1971, 1978 en 1992/1993) wordt, in plaatsen in Nederland waar de vaccinatiegraad om religieuze redenen te laag is, sinds de zestiger jaren wel gekozen voor verzwakt vaccin (Sabinvaccin), dat op een suikerklontje kan worden ingenomen. Dit orale vaccin maakt dat de gevaccineerden poliovaccinvirus gaan uitscheiden en dus de omgeving als het ware meevaccineren. Nadeel is dat er een enkele keer na de inname echt polio wordt ontwikkeld. Overigens was polio, net als pokken, nagenoeg wereldwijd uitgeroeid toen in Noord-Nigeria onder druk van moslimgeestelijken het vaccinatieprogramma werd gestopt, omdat men dacht dat het de vrouwen onvruchtbaar zou maken. Daarna heeft polio zich weer naar meer Afrikaanse en Aziatische landen verspreid.

P.S. 22-6-2014: In 2012 was het aantal besmettingen wereldwijd sinds 1988 met 99 procent gedaald. In 2014 zien we toename van het aantal besmettingen door haperende vaccinatieprogramma's in o.a. Pakistan en Syrië.

Vitamine D, Mexicaanse griep en zonlicht

Te weinig vitamine D in het bloed maakt mensen waarschijnlijk vatbaarder voor griep, waarschijnlijk ook voor Mexicaanse griep, zo blijkt uit onderzoek van de Public Health Agency of Canada (PHAC). Onderzocht wordt ook of een tekort de ernst van de griep negatief beïnvloedt. Als verder onderzoek de veronderstellingen rechtvaardigt, zou het verklaren waarom mensen in de loop van de winter vatbaarder worden voor griep. Immers, vitamine D halen we uit zonlicht. De UV-straling doet de huid de vitamine aanmaken. Daarom is gemiddeld een kwartier gezicht en handen in de zon per dag noodzakelijk voor voldoende vitamine D. Overigens zit vitamine D ook in halvarine en margarine en in makreel en paling. Kinderen onder de vier, vijftigplussers, zwangeren en mensen met donkere huidskleur hebben meer vitamine D nodig.

4-10: Allergieën

Bij allergieën is er veelal sprake van een genetische aanleg. Voor luchtwegovergevoeligheid, een risicofactor voor astma, is daarbij bijvoorbeeld het gen protocadherine 1 (PCDH1) aan te wijzen. Twee andere genen, TLR4 en TLR5, kunnen bij kinderen het risico op frequente luchtweginfecties vergroten. Blootstelling van de (allergische) moeder aan tabaksrook tijdens de zwangerschap blijkt hieraan gerelateerd. Allergieën worden veroorzaakt door een op zich onnodige reactie van het afweersysteem op een bepaalde stof (allergeen). Als gevolg daarvan kunnen huidafwijkingen, eczeem, hooikoortsachtige problemen (pollinosis) of astma ontstaan. We kennen als luchtwegallergenen de uitwerpselen van de huisstofmijt (met bij kinderen herhaalde oorontstekingen en/of keelontstekingen - de mijt houdt zich vooral op in onze bedden en leeft van huidschilfers en schimmels - bed goed luchten en minimaal wekelijks zuigen!), stuifmeel of pollen, huidschilfers van honden, katten en paarden en schimmelsporen, als voedingsallergenen koemelk, pinda's eieren, noten, aardbeien, sojabonen en chocola, als geneesmiddelallergeen bijvoorbeeld penicilline, als contactallergenen metalen, conserveringsmiddelen, latex, lijmen en rubber. Verder insectengif (wespen en bijen). Na een eerste contact of na herhaalde contacten met een allergeen kan het afweersysteem met een allergische reactie op nieuwe contacten hiermee reageren: het allergeen is dan gesensibiliseerd. Allergische verschijnselen op de huid treden dikwijls pas zo'n 48 uur na blootstelling op op die plaatsen waar het allergeen met de huid in aanraking kwam: roodheid, jeuk, schilfering (eczeem). Luchtwegallergenen kunnen overigens ook zulke huidreacties oproepen. Die zijn echter vooral bekend van de sneller optredende loopneus, niezen, jeukende ogen en soms benauwdheidsklachten: allergische astma. Sommige voedingsallergenen kunnen overigens veel ernstiger reacties oproepen en zelfs leiden tot (anafylactische) shock. Er wordt dan door het afweersysteem een veel grotere ontstekingsreactie geactiveerd en de bloedvaten worden te zeer verwijd, waardoor de bloeddruk weg kan vallen en het hart van slag kan raken. Wespensteken en injecties met medicamenten waar men overgevoelig voor is, kunnen dezelfde reacties oproepen.

We kennen diverse allergietesten. Bij vermoede contactallergie zijn er de plakproeven (patchtest), waarbij allergenen onder pleister op bijvoorbeeld de rug worden aangebracht. Bij vermoede voedselallergie worden druppeltjes allergeenextract op de huid gedruppeld, waarna erdoorheen geprikt wordt (huidpriktest). Hetzelfde kan met intracutane injecties. Met zogenoemde neusprovacatie kan gekeken worden naar de hevigheid van allergische reacties. Een (ruwere) bloedtest op het IgE-eiwit (antistoffen) in het bloed (RAST-test) kan ook al iets over eventuele allergieën zeggen. De definitieve test is echter de eliminatie-provocatietest: het contact met het verdachte allergeen wordt gestopt en na verdwijnen van de klachten hervat. Stoppen de klachten bij eliminatie van het allergeen en komen ze terug bij nieuw contact, dan is de allergie bewezen.

Bij dreiging van (anafylactische) shock wordt epinefrine (adrenaline) geïnjecteerd om de bloeddruk weer omhoog te krijgen. Mensen met een bekende overgevoeligheid dragen dikwijls een prikpen (EpiPen) bij zich. Tegen hooikoortsachtige allergieën worden antihistaminica als cinnarizine, cetirizine (Zyrtec, Reactine, Prevalin) voorgeschreven. Neussprays met lokale ontstekingsremmende corticosteroïden zijn een andere groep middelen.

Preventief is voor kinderen van belang dat tijdens de zwangerschap tabaksrook, dat de aanmaak van allergische antistoffen bevordert, vermeden wordt, dat borstvoeding gegeven wordt, liefst wel een half jaar en dat kinderen met allergische aanleg (een ouder met allergieën) in dat halfjaar geen bijvoeding krijgen. Vermoed wordt dat zwangere en borstvoedende vrouwen beter pinda's kunnen vermijden, evenals huisdieren.

5-10: Systemische lupus erythematodes

SLE (LED) is een auto-immuunziekte waarbij het afweersysteem zich tegen de eigen cellen keert, met name in het bindweefsel. LE (lupus erythematodes) is de variant die zich beperkt tot de huid. SLE komt bij minder dan 1 promille van de westerse bevolking voor, tienmaal zo vaak bij vrouwen dan bij mannen. De ziekte openbaart zich vaak in de adolescentie of vroege volwassenheid. Negentig procent van de SLE-patiënten heeft progressieve reumatoïde artritis (gewrichtsontsteking).

We zien bijvoorbeeld gewrichtsontstekingen, vlinderexantheem (over de neusrug op de wangen), tekort aan witte bloedcellen (leukopenie), rode huidverdikkingen, lichtovergevoeligheid, mond- en/of keelzweertjes, ontsteking aan het borstvlies en/of het hartzakje, nieraandoeningen, bloedarmoede, toevallen en/of psychoses.

Er wordt vermoed dat blootstelling aan zonlicht een rol speelt bij het ontstaan van SLE. Het heeft verder een multifactoriële (de regels voor de overerving zijn niet duidelijk) overerving. SLE is niet te genezen. Sommige patiënten hebben baat bij mijden van zonlicht. Behandeling met NSAID's (analgetica/pijnstillers en antireumatica).

Rivierblindheid

De tropische ziekte rivierblindheid (onchocerciasis) wordt veroorzaakt door een parasitaire worm en als larf op de mens overgebracht door een prik van de (zwarte) Simuliumvlieg die vooral in Afrika, maar ook in Zuid-Amerika in vruchtbare rivierbeddingen (van snel stromende rivieren) voorkomt en overdag bijt. De incubatietijd is één à drie jaar. Er is geen vaccin. Naar schatting 18 miljoen mensen lijden aan onchocerciasis. De parasiet kan wel vijftien jaar in het menselijk lichaam aanwezig blijven. Het volwassen wijfje produceert heel veel larven, de microfilaria. Deze verplaatsen zich door het hele lichaam. Er ontstaan knobbeltjes (onchocercomen) vlak onder de huid, waar larven volwassen worden en waar de seksuele voortplanting van de wormen plaatsvindt. Daarbij kunnen griepachtige verschijnselen optreden en, vooral als de worm doodgaat, allergische reacties. De microfilaria veroorzaken huiduitslag, plaatselijke depigmentatie en hevige jeuk. Aan de ogen kunnen ze door hoornvliesontsteking blindheid veroorzaken.

De microfilaria worden gedood door ivermectine (Stromectol). Na behandeling zijn volwassen wormen niet meer in staat zich voort te planten. Het antibioticum Doxycycline (Vibramycin) doodt aanwezige Wolbachia-bacteriën, die een essentiële rol spelen bij de voortplanting van de worm.

Extra anti-oxidanten?

Anti-oxidanten zijn vitamineachtige stoffen die het lichaam beschermen tegen oxidatie. Anti-oxidanten zitten vooral in fruit, noten en worteltjes. Ze helpen kanker en diabetes te voorkomen. Daarom worden ze ook extra toegevoegd aan verschillende levensmiddelen en vitaminepillen. Inmiddels bleek uit Fins onderzoek dat als rokers veel bèta-caroteen innamen (het anti-oxidant uit wortels), het kankerrisico juist toenam. Tweemaal de aanbevolen dosis vitamine A gaf 24 procent meer kans op longkanker. Men meent nu dat het beter is geen extra anti-oxidanten te slikken uit pillen, drankjes of papjes, maar te volstaan met voldoende fruit, noten (en wortels). Een teveel aan anti-oxidanten en dus een tekort aan vrije radicalen maakt dat ongewenste indringers in het lichaam minder goed onschadelijk worden gemaakt.

6-10: Röntgen, CT, MRI, Echo, PET/SPECT

Röntgenfoto's worden gemaakt met behulp van röntgenstralen, energierijke stralen met een kortere golflengte dan licht. Ze dringen gemakkelijk door zacht lichaamsweefsel heen. Röntgenfoto's worden vooral gebruikt bij botbreuken en longproblemen. In het maagdarmkanaal wordt röntgen nog gebruikt in combinatie met contrastvloeistof die röntgenstralen tegenhoudt en daarmee extra contrast aan de foto's geeft. Ook de tandarts gebruikt röntgen.

CT is Computer Tomografie. Deze scan-onderzoeksmethode is gebaseerd op verfijnde röntgentechniek waarmee de structuur van weke delen beter zichtbaar wordt.

MRI of Magnetic Resonance Imaging maakt plaatjes met behulp van een sterk magnetisch veld dat de kleinste deeltjes in ons lichaam in beweging brengt. Van de hierbij vrijkomende energie worden beelden gemaakt.

Een echo (echografie, echoscopie) werkt met geluidsgolven van hoge frequentie. De teruggekaatste geluidsgolven worden omgezet in beelden. Wordt veel gebruikt voor buikholte, hart en gewrichten. En natuurlijk door de verloskundige. Echo's zijn minder goed mogelijk bij overgewicht.

PET en SPECT zijn nucleaire onderzoekstechnieken. Er wordt gebruik gemaakt van licht radioactieve stoffen die de stofwisseling van lichaamscellen in beeld brengen. Deze scans laten bijvoorbeeld de activiteit van een gezwel zien.

7-10: Coeliakie

Coeliakie (glutenintolerantie, glutenovergevoeligheid, glutenenteropathie) is een overgevoeligheid van de dunne darm voor gluten, dat zijn eiwitten in granen, met name voor het aminozuur gliadine. Het betreft een erfelijke auto-immuunziekte die tweemaal meer bij vrouwen dan bij mannen voorkomt. Het effect is diarree of juist verstopping, vermoeidheid en soms huidklachten, botontkalking, verminderde vruchtbaarheid en depressiviteit. Het slijmvlies van de dunne darm beschadigt. Door de verstoorde voedingsstoffenopname kan tekort aan vitaminen, mineralen en vetten ontstaan en het afweersysteem verzwakken.

Als een kind coeliakie ontwikkelt, zien we overgevoeligheid voor bepaalde pap of brood. Er is veel en stinkend vettige ontlasting en een opgezette buik, weinig eetlust, overgeven, ondergewicht en soms obstipatie, achterblijvende lengtegroei, vertraagde puberteit, aften (grijs-witte zweertjes in slijmvlies van de mond of de geslachtsdelen, spruw) en onderontwikkeld tandglazuur.

Gluten zitten o.a. in tarwe, haver en rogge. Glutenvrij eten is 'in', maar waarschijnlijk alleen voor mensen met coeliakie zinvol. Bij onderzoek door de Consumentenbond (april 2014) naar glutenvrij brood bleken de etiketten niet te kloppen en het brood veel te veel zout te bevatten. Een product zonder tarwe kan wel gluten bevatten. Die zitten ook in speltbrood en roggebrood. En er is brood van glutenvrije tarwe.

Spruw en candidiasis

Spruw is een verzamelnaam voor kwalen waarbij er een resorptiestoornis is van de dunne darm. Het woord wordt ook gebruikt voor grijs-witte zweertjes in het slijmvlies van de mond (of de vrouwelijke geslachtsdelen).

Bij inheemse spruw of coeliakie is de darm overgevoelig voor gluten uit granen. Bij tropische spruw (aphtae tropicae, psilosis, vooral in de (sub)tropen) door infecties met parasieten, chronische ontsteking of vitamine-B-tekort neemt de darm vetten, glucose en vitaminen niet goed op, waardoor diarree, gewichtsverlies, bloedarmoede en ontstekingen van het mondslijmvlies ontstaan.

Candidiasis wordt ook wel spruw genoemd. Het is een gistinfectie (een soort schimmelinfectie) aan de slijmvliezen van de tong en de binnenkant van de wangen die wit beslagen en vaak pijnlijk zijn. Ook de mondhoeken kunnen aangedaan zijn. In de mond komt het veel voor bij baby's en bij ouderen. Bij volwassenen wijst candidiasis meestal op verminderde weerstand.

Candidiasis komt ook voor op de slijmvliezen van de geslachtsdelen van vrouwen. (Dit kan ook door mannen overgebracht worden!) Men spreekt dan van vaginale schimmelinfectie. Deze gaat gepaard met jeuk, pijn bij vrijen en plassen en ongewone vaginale afscheiding (kwarkachtig) en kan bijvoorbeeld ontstaan als de weerstand door een antibioticumkuur is verminderd of als het vaginaslijmvlies beschadigd is (geweest). Vaginale schimmelinfectie gaat vaak vanzelf over en is op zich niet gevaarlijk. Er zijn talloze middelen ter behandeling. Keert het steeds terug, dan spreken we van chronische candidiasis. Preventief werken: minder wassen van de vagina, geen zeep, geen tampons, geen spiraaltje en na ontlasting de billen niet naar voren toe afvegen. Beperking van het suikergebruik kan soms ook helpen.

Mazelen

Sinds in 1976 de vaccinatie tegen mazelen beschikbaar kwam, is de ziekte weinig meer in Nederland voorgekomen. De 'bijbelgordel' blijft door lagere vaccinatiegraad risicovol met een laatste epidemie in 1999 met 3000 patiënten, 150 ziekenhuisopnames en drie doden. Zomer 2008 was er evenzo een kleine uitbraak onder de antroposofische gemeenschap in Den Haag. In dit soort groeperingen zijn mazelenparty's, bewuste besmettingen met mazelen, niet ongebruikelijk. Wereldwijd sterven jaarlijks meer dan een kwart miljoen kinderen aan de gevolgen van mazelen. De vaccinatie (Rijksvaccinatieprogramma) wordt gegeven op leeftijd van 14 maanden (BMR, bof, mazelen en rodehond) en beschermt volledig. Een herhalingsprik volgt op 9-jarige leeftijd.

Mazelen wordt veroorzaakt door het mazelenvirus dat wordt aangehoest. De incubatietijd is rond de 10 dagen. Twee dagen voor en vier dagen na het ontstaan van de uitslag is de patiënt zeer besmettelijk. Eerst lijkt er sprake van een stevige griep, dan komen de vlekjes aan de binnenkant van de wangen (witte vlekjes met een rode stip), vervolgens ontstaan vlekken op het gezicht en in de nek en hals, gevolgd door een bijna egaal rode huid. Berucht zijn de complicaties als middenoorontsteking, soms met doofheid als gevolg, longontsteking en hersenvliesontsteking. Er is geen behandeling tegen het virus. Bij een klein aantal van de ziektegevallen volgt na vele maanden tot jaren een dodelijke hersenontsteking, de subacute scleroserende panencefalitis.

8-10: Bof

Parotitis epidemica of bof wordt veroorzaakt door het bofvirus en is erg besmettelijk (van vijf dagen voor het ziek worden tot een week erna). Het virus wordt aangehoest. Incubatietijd 2 à 3 weken. De meeste mensen merken weinig tot niets van de ziekte. Wie wel ziek wordt, heeft koorts, opgezwollen wangen door ontsteking van de oorspeekselklieren, met pijn bij het eten en slikken. Als complicaties kennen we ontsteking van de alvleesklier (pancreatitis), eenzijdige doofheid, blindheid, reuma, ontsteking teelbal (orchitis, in 25 procent van de ziektegevallen bij mannen) of eierstokken (oöphoritis), hersenvliesontsteking (meningitis) en hersenontsteking (encefalitis). De ontsteking aan hersenvlies of hersenen treedt op bij bijna één procent van de ziektegevallen.

Vroeger kwamen per jaar 300 tot 800 mensen met hersenvliesontsteking door bof in het ziekenhuis. Sinds 1987 is de vaccinatie opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. Sindsdien komt de ziekte bijna niet meer voor. In 2008 was er een epidemietje in de Nederlandse bijbelgordel, waar minder mensen gevaccineerd worden. Daarbij bleek dat het vaccin geen 100-procentwerking heeft: sommige gevaccineerden werden ziek. (De persoonlijke bescherming van de vaccinatie wordt geschat op 95 procent.) Sindsdien geldt een meldplicht voor de bof.

9-10: Rijksvaccinatieprogramma

- Kinderen van wie de moeder hepatitis-B-draagster is worden binnen 48 uur na geboorte hiertegen gevaccineerd. Zo snel mogelijk na geboorte krijgen ze bovendien immunoglobuline, oftewel tijdelijk werkende kant-en-klare antistoffen.
- Op leeftijd van 2, 3, 4 en 11 maanden herhaald vaccinatie tegen: DKTP-Hib-hepatitis-B (difterie, kinkhoest, tetanus, polio, Haemophilus influenza type b en hepatitis-B) en pneumokokken.
- Op 14 maanden twee prikken: de BMR (bof, mazelen en rodehond) en de vaccinatie tegen meningokokken C.
- Op 4 jaar DKTP-herhalingsprik.
- Op 9 jaar twee prikken: DTP en BMR (herhalingsprikken).
- Op 12 jaar (alleen voor meisjes!): HPV (humaan papillomavirus, baarmoederhalskanker), met na één maand en na nog eens vijf maanden herhalingsprikken.

De griepprik valt buiten het Rijksvaccinatieprogramma.

Rodehond

Rodehond (rubella) is een meestal onschuldige kinderziekte, veroorzaakt door een aangehoest rubellavirus. Incubatietijd 14 tot 20 dagen. Besmettelijkheid van tien dagen voor huiduitslag tot één week erna. Er is geen behandeling voor rodehond. Het grote risico bij rodehond is dat een besmette moeder de eerste drie maanden van de zwangerschap haar kind kan besmetten, met voor het kind een groot risico op hart- en oogafwijkingen, slechthorendheid of doofheid, groeiachterstand en andere kwalen als gevolg. Ook kan de zwangerschap eindigen in een miskraam. Daarom is de vaccinatie sinds 1987 voor alle kinderen opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. Een klein percentage van de gevaccineerden maakt geen antistoffen aan (non-responders) en is dus niet beschermd. Met het vaccineren van alle kinderen is de vaccinatiegraad hoog genoeg geworden om de weinige niet-beschermde personen te laten meeprofiteren van de onmogelijkheid voor het virus zich te handhaven. Echter, in de bijbelgordel, waar mensen wonen die zich om religieuze redenen niet laten vaccineren, trad rond de jaarwisseling 2004-2005 een kleine epidemie op met minstens 400 ziektegevallen, waaronder toch nog 32 zwangere vrouwen. Meer dan 90 procent van de zieken was om religieuze redenen niet gevaccineerd. Geen van de zieken was wel gevaccineerd.

De meeste mensen merken niet dat ze ziek zijn van rode hond. Waar wel, zien we vlekkerige rozerode huiduitslag, eerst in het gezicht, weldra ook op bovenlijf en armen en benen. Bij oudere kinderen en volwassenen ook griepachtige verschijnselen en opgezette lymfklieren achter de oren en in de nek. Bij oudere meisjes en vrouwen verder gewrichtspijn. Soms gewrichtsontstekingen, tekort aan bloedplaatjes en zeer zelden hersenontsteking.

10-10: Gehoorschade door mp3 en concertzalen

Steeds meer jongeren lopen blijvende gehoorschade op door te harde muziek op mp3-spelers en in concertzalen. Het volume van een popconcert ligt gemiddeld iets boven dat van een kettingzaag. Gehoorschade kan zonder oordopjes binnen enkele minuten optreden. Het volume van een mp3-speler kan oplopen tot 120 dB. Op dat volume treedt na drie seconden gehoorschade op. Probleem is dat jongeren dikwijls reservecapaciteit in hun gehoor hebben, waardoor schade niet direct wordt opgemerkt, zodat schade op schade gestapeld kan worden voordat er klachten ontstaan. Een piep in de oren moet bijvoorbeeld na 24 uur over zijn, anders is er meer aan de hand. Er zijn foto's waarop duidelijk wordt dat de haarcellen in de oren door geluid zijn platgeslagen als de aren van een graanveld door een storm. Aangenomen wordt inmiddels dat heel veel jongeren van nu al op hun 50-ste zullen lijden aan ouderdomsslechthorendheid.

Spermidine

Spermidine is een polyamine dat van nature in alle lichaamscellen voorkomt, maar met het stijgen van de leeftijd in steeds mindere mate. Het wordt gevonden in sperma, grapefruits, tarwekiemen en sojabonen. Deze week kwamen wetenschappers van de Oostenrijkse Karl-Franzens Universiteit in Graz in het vakblad 'Nature Cell Biology' met hun onderzoek dat zou uitwijzen dat spermidine een belangrijke rol speelt in de strijd tegen veroudering en bijvoorbeeld ook Alzheimer. Uit hun onderzoek bij muizen bleek dat behandeling met spermidine ervoor zorgde dat cellen bij veroudering minder schade oplopen. De stof stimuleerde de celvernieuwing en hield bestaande cellen langer goed. Enkele kranten kopten deze week dan ook: 'Sperma slikken houdt je jong'. U kunt natuurlijk ook voor grapefruit kiezen ...

Hib-ziekten

Hib-ziekten worden veroorzaakt door aangehoest krijgen van de bacterie Haemophilus infuenzae type b. Vaccinatie zit in het Rijksvaccinatieprogramma. Voorheen werden 700 kinderen per jaar ernstig ziek door Hib, van wie de helft een hersenvliesontsteking kreeg. De incubatietijd is twee tot vier dagen. Ongeveer 5 procent van de mensen draagt de bacterie in de neus-keelholte zonder zelf ziek te worden. Wel ziek worden verloopt veelal mild met verkoudheid, keelontsteking of bijholteontsteking. De infectie kan echter ook heftiger verschijnselen veroorzaken, vooral bij kinderen onder de 5 jaar: keel-, oor- of bijholteontsteking, hoge koorts en braken, nekstijfheid en hersenvliesontsteking, huidbloedingen en epileptische aanvallen (bij bloedvergiftiging), levensgevaarlijke strotklepontsteking, longontsteking en gewrichtsontsteking. Van de kinderen die hersenvliesontsteking krijgen, overlijdt zo'n 8 procent. Snelle (de ziekte verloopt snel) behandeling met antibiotica is vereist.

Meningokokken C

De bacterie Neisseria meningitidis kent verschillende groepen. Meningokokken C worden van mens op mens aangehoest. Incubatietijd 3 of 4 dagen. Bij o.a. zo'n 20 procent van de tieners zit de bacterie een tijdje in de mond-keelholte, maar de meesten worden er niet ziek van. Wordt iemand wel ziek, dan kan de ziekte verraderlijk snel verlopen: grieperig gevoel, snelle verergering met hoge koorts, nekstijfheid, bloedingen in de huid (bloedvergiftiging) en gewrichtsontstekingen. In een kwart van de gevallen ontstaan complicaties met blijvende gevolgen als stollingen in de bloedsomloop, doofheid of epilepsie. De ziekte is goed te behandelen met antibiotica, maar verloopt daarvoor dikwijls te snel. Sinds 2002 worden kinderen op leeftijd van 14 maanden gevaccineerd. Sindsdien is het aantal zieken en doden drastisch gedaald.

Pneumokokken

Pneumokokkose is een groep ziekten veroorzaakt door de bacterie Streptococcus pneumoniae. Pneumokokken zitten vaak achter in de keel van gezonde kinderen, maar ook wel van volwassenen. De bacterie wordt aangehoest. De meesten worden niet ziek na besmetting. Incubatietijd bij wel ziek worden minder dan een dag tot een week. De ziekte kan snel levensbedreigend worden (hersenvliesontsteking, bloedvergiftiging, ernstige longontsteking) en komt het meest voor bij kinderen onder de 2 en ouderen. Als complicaties zien we o.a. stollingen in de bloedsomloop, doofheid en epilepsie. Behandeling met antibiotica, maar daarvoor verergert het beeld gemakkelijk te snel, waardoor al opgetreden schade niet meer ongedaan gemaakt kan worden. Sinds 2006 worden kinderen op leeftijd van 2, 3, 4 en 11 maanden gevaccineerd tegen zeven verschillende veel voorkomende pneumokokken. Dit gaat jaarlijks naar schatting 78 sterfgevallen, 85 gevallen van meningitis, 308 gevallen van sepsis, 1800 gevallen van longontsteking en 52.000 gevallen van middenoorontsteking schelen.

11-10: Parvovirus B19

Het parvovirus B19 is bekend van de Vijfde ziekte. Wie antistoffen tegen B19 heeft opgebouwd, is bijna altijd immuun bij nieuwe infectie. (Ongeveer de helft van de volwassenen is immuun.) Infectie op latere leeftijd kan acute gewrichtsklachten geven en ook artritis veroorzaken, waarop het risico bij vrouwen tweemaal zo groot is als bij mannen. Voor zwangeren is het virus gevaarlijk. Bij infectie in de eerste 20 weken van de zwangerschap is het risico dat de foetus sterft 10 procent.

Besmetting via aanhoesten, via bloedtransfusie of dus via de placenta. Gezinsleden blijken 50 procent kans op besmetting te hebben, klasgenoten 25 procent. De incubatietijd is 6 dagen en de klachten duren een week. Om de drie of vier jaar wordt een soort epidemie gezien.

Pokken

Pokken (variola) is een uiterst besmettelijke en levensbedreigende virusziekte, met name variola major. Doormaken van koepokken (vaccinia) maakt een mens immuun voor pokken. In 1978 kwam in Engeland wereldwijd het laatste geval van pokken voor. Een fotografe bij een medische faculteit waar een pokkenonderzoeksproject gaande was, overleed eraan. Pokken kon met name worden uitgebannen omdat naast het hebben van een effectief vaccin er geen symptoomloze dragers van de ziekte zijn en de ziekte niet bij dieren voorkomt.

Pokken geeft typische huiduitslag, de pokken, beginnend in de mond, dan gezicht en armen en benen. In vele epidemieën zijn miljoenen mensen aan de ziekte overleden. Besmetting door aanhoesten en via vocht van de blaasjes op het lichaam. De incubatietijd is één à twee weken. Het virus wordt nog bewaard in laboratoria (in Amerika en Rusland), waardoor bioterrorisme mogelijk blijft. Niet bekend is of er nog landen zijn die een voorraad pokkenvirus als biologisch wapen bezitten. Daarom worden Amerikaanse medische hulpverleners preventief gevaccineerd. Volgens de site van het ministerie van VWS is in Nederland nog altijd voor iedereen vaccin (koepokvirus) beschikbaar. Het beschermt volledig als het binnen vier dagen na contact met het virus (incubatietijd gemiddeld 10 dagen!) gegeven wordt. Het vaccin kent echter gevaarlijke bijwerkingen, waardoor het eigenlijk alleen op geleide van tijdelijke bescherming door vaccinia immunoglobuline (VIG) gegeven kan worden. Mogelijk echter beschermt het antivirale middel cidofovir ook tegen het vaccinvirus. Overigens, veel ouderen, die vroeger gevaccineerd zijn, zullen nog altijd (een zekere) bescherming tegen het pokkenvirus hebben.

Hondsdolheid

Hondsdolheid (rabiës, lyssa) wordt veroorzaakt door het Lyssavirus en is ook besmettelijk en uiterst gevaarlijk voor de mens. Heeft een mens eenmaal de ziekteverschijnselen, dan verloopt de ziekte dodelijk. Het wordt naar de mens overgebracht door speeksel van o.a. vossen, wolven, honden, katten en in Nederland vooral vleermuizen. (Voorkom contact met vleermuizen!) Veranderend gedrag bij dieren is één van de eerste symptomen. Bij honden en katten is dat meestal agressief gedrag, maar terugtrekgedrag is ook mogelijk. (Een zieke vos kan tam lijken!) De ziekte heeft bij mensen een incubatietijd van enkele dagen tot een jaar, afhankelijk van de plaats van de beet. Vanaf die plaats vermenigvuldigt het virus zich in de spieren en gaat via de zenuwen naar de hersenen. Daarenboven wordt het virus door de speekselklieren uitgescheiden. Besmette dieren en mensen worden altijd ziek en zonder behandeling is besmetting dodelijk. Slechts in de incubatietijd is behandeling mogelijk met immunoglobulinen en rabiësvaccin, waarmee het lukt om de ziekteuitbraak te voorkomen. Na een verdachte beet zo mogelijk het dier laten onderzoeken op hondsdolheid. Zo niet, dan wordt het risico dat vaccinatie met zich meebrengt voor lief genomen, gezien de fatale afloop van de eventuele ziekte zelf. Vaccinatie na de beet gebeurt door vijf intramusculaire inentingen, liefst op dag 0, 3, 7, 14 en 21-28. Immunoglobuline moet zo snel mogelijk, maar in ieder geval 70 uur na de beet worden toegediend. De dosering is afhankelijk van het lichaamsgewicht (20 IE/kg lichaamsgewicht). Wereldwijd sterven jaarlijks zo'n 50.000 mensen aan hondsdolheid, vooral in Azië en Afrika.

Mens en dier kennen twee vormen van ziekte, de furieuze vorm, met krampen, overactiviteit en agressiviteit en de paralytische vorm, met verergerende verlammingen. Bij de mens begint de ziekte vaak met griepverschijnselen, gevolgd door hyperactiviteit en/of krampen of verlammingsverschijnselen. Er treden vaak spasmen van de slik- en halsspieren op als vocht weggeslikt moet worden. Dat geeft samen met verhoogde speekselafscheiding schuimvorming op de mond. Wat later volgt het coma en de dood door ademhalingsstilstand en hartproblemen.

Sarin

Sarin is één van de gevaarlijkste zenuwgassen. Het is een organofosforverbinding. Het blokkeert de signaaloverdracht van de zenuwen. Het is kleurloos en reukloos en wordt geïnhaleerd en via de huid en ogen opgenomen. Symptomen: de pupil vernauwt, oogpijn, wazig zien, gevoel van zwaarheid, misselijkheid, braken, diarree, buikpijn, ademhalingsproblemen, hoesten, epileptische aanvallen. Zonder atropine of soortgelijk middel leidt het gas, of, juister uitgedrukt, de nevel snel tot krampende verlammingen en de dood. Ik herinner me uit mijn diensttijd dat er gasmaskers voor zijn en dat beschermende kleding nodig is. Eveneens dat na besmetting als tegengif atropine (2 mg.) moet worden gespoten in de bovenbeenspier. Minder dan een milligram sarin is dodelijk. Het is echter een vrij instabiele verbinding, door de Duitsers in 1939 als chemisch wapen ontworpen. De twee vloeibare effectieve stoffen dienen op de plaats van gebruik gemengd en vervolgens in water verdund verneveld te worden. Sarin werd bekend door de terroristische aanslag van 1995 door de Aum Shinrikyosekte in de metro van Tokio, waarbij 12 doden en meer dan 1.000 gewonden vielen.

Andere soortgelijke zenuwgassen zijn tabun, soman en VX.

12-10: Antipsychotica en extrapiramidale bijwerkingen

Bij gebruik van antipsychotica (oude naam: neuroleptica) kunnen extrapiramidale bijwerkingen (EPS, extrapyramidal side effects) optreden, zowel acuut als verlaat (tardief). EPS uit zich als spierstijfheid, onvermogen stil te blijven zitten (acathisie, dwangstand), onwillekeurige repeterende bewegingen en ongewenste spiertrekkingen. Het zijn Parkinsonachtige bijwerkingen. Acute extrapiramidale bijwerkingen (acute dystonie (stoornis in de spierspanning), acute acathisie en ander Parkinsonisme) ontstaan in dagen tot weken na starten met of verhogen van de dosering van een antipsychoticum. Tardieve bijwerkingen (tardieve dyskinesie (TD, een neurologische aandoening) en tardieve dystonie) ontstaan na maanden tot jaren gebruik. Atypische (nieuwere) antipsychotica (als clozapine (Leponex), risperidon (Risperdal), quetiapine (Seroquel), olanzapine (Zyprexa) en aripiprazol (Abilify)) geven vaak veel minder bijwerkingen dan de klassieke (oudere) antipsychotica (als haloperidol (Haldol), perfenazine, pimozide (Orap) en zuclopentixol (Cisordinol). Met name clozapine (Leponex) zou de bewegingsstoornissen niet kennen en quetiapine (Seroquel) zou geen acute extrapiramidale bijwerkingen hebben.

Tardieve dyskinesie is een neurologische bewegingsstoornis als gevolg van langdurig gebruik van antipsychotica, vooral voorkomend bij schizofreniepatiënten. Het probleem kan gaan om onwillekeurige kauwbewegingen, problemen met slikken, smakken, wegdraaien van de ogen en de wangen opblazen (orofaciale dyskinesie). Er kan ook sprake zijn van innerlijke onrust (acathisie) of heftige onwillekeurige bewegingen van een arm of been (ballisme). Ook zien we schokachtige spiertrekkingen over het hele lichaam en vooral ook aanhoudende ritmische typische bewegingen (tremoren), bijvoorbeeld in de armen of benen. Soms doen de problemen zich dus ook acuut voor: acute extrapiramidale bijwerkingen.

Soms kan geprobeerd worden de dosering van het antipsychoticum te verlagen of over te gaan op clozapine. Sommigen geven Rivotril (clonazepam, een anti-epilepticum), Xenazine (tetrabenazine, een middel tegen de ziekte van Huntington) of Akineton (biperideen, een antiparkinsonmiddel, let op: een te hoge dosis antiparkinsonmiddel kan gemakkelijk een psychose uitlokken, ook indien het middel gegeven wordt voor de ziekte van Parkinson!) tegen de tardieve dyskinesie. Ook wordt er, als het probleem nog recent is, extra vitamine E gegeven. Vitamine E-rijke voeding wordt ter preventie aanbevolen. Het zit in plantaardige oliën, granen, noten, bladgroenten en fruit. Verder worden wel eens aminozuren als leucine, isoleucine of valine gegeven om het fenylalineniveau in het bloed te verlagen, omdat er aanwijzingen zijn dat patiënten dit aminozuur verminderd uit het bloed verwijderen. Ook zou extra inname van 1200 mg. vitamine B6 per dag een positief effect hebben.

Overigens geven met name de atypische antipsychotica een verhoogd risico van diabetes en van overgewicht. Antipsychotica kunnen eveneens (dosisafhankelijke) seksuele functiestoornissen (impotentie) geven. Ook blijkt er een significant verhoogd risico op een plotselinge hartdood bij de betrokken psychiatrische patiënten. Clozapine (Leponex) heeft een hoge incidentie van granulocytopenie (een tekort in het bloed van bepaalde witte bloedcellen), reden waarom het witte bloedbeeld protocollair gecontroleerd moet worden. Het middel geeft daarnaast een risico op myocarditis (hartspierontsteking) die kan leiden tot ernstige cardiale problemen.

Over kanker

In 2003 werd in Nederland 73.000 maal de diagnose kanker gesteld. Jaarlijks sterven 40.000 mensen aan kanker. Op enig moment hebben zo'n 400.000 mensen kanker. Bij mannen gaat het vooral om prostaat-, long- en darmkanker, bij vrouwen om borst-, darm- en longkanker, bij kinderen en jongeren om leukemie, lymfomen en hersentumoren.

Kanker ontstaat door mutaties in het DNA. We onderscheiden erfelijke mutaties en verworven mutaties. Voorbeeld van een erfelijke mutatie zijn die van het BRCA1- en BRCA2-gen. Bij verworven mutaties worden sommige ziekteverwekkers in verband gebracht met sommige kankers, zoals het humane papillomavirus met cervixcarcinoom (baarmoederhalskanker) en peniscarcinoom, schistosomiasis met blaascarcinoom, het Epstein-Barrvirus met het Burkitt-lymfoom, de helicobacterbacterie met maagkanker en het Merkelcelpolyomavirus met Merkelcelcarcinoom. Verder zouden UV-straling, ioniserende straling en chemische stoffen (asbest en mesothelioom, benzopyreen in rook en bronchuscarcinoom, aromatische aminen in verf en blaascarcinoom) kanker kunnen veroorzaken.

We onderscheiden de volgende maligne tumoren:
- carcinomen uit epitheel
- sarcomen uit steunweefsel
- maligne lymfomen uit lymfoïde weefsel
- blastomen uit cellen van zich ontwikkelend weefsel en
- kiemceltumoren uit kiemcellen.

13-10: Leukemie

Bij leukemie (bloedkanker) gaan bepaalde witte bloedcellen (leukocyten) zich, ten gevolge van veranderingen in het erfelijk materiaal (DNA) van de beenmergcellen, ongecontroleerd delen. Daardoor komt er in de bloedbaan een teveel aan afwijkende cellen, waardoor de productie van gezonde bloedcellen in het gedrang komt. De lymfklieren, de milt en/of de lever vergroten zich. Jaarlijks wordt in Nederland bij 1.600 mensen leukemie vastgesteld. Het werken met het oplosmiddel benzeen is een risicofactor gebleken, evenals radioactieve straling. Drie procent van de mensen die voor andere kanker is behandeld met bestraling en cytostatica (chemokuur), blijkt na verloop van jaren leukemie te krijgen. Bij acute leukemie zien we verschijnselen als: bleekheid, vermoeidheid, spontane bloedingen, terugkerende of niet genezende infecties en koorts.

We onderscheiden:
- acute lymfatische leukemie (ALL): deze vorm komt vooral bij kinderen en jonge volwassenen voor.
- acute myeloïde leukemie (AML): vooral bij volwassenen
- chronische lymfatische leukemie (CLL): vooral bij ouderen
- chronische myeloïde leukemie (CML): meest op middelbare leeftijd
Bij acute leukemie rijpen de bloedcellen niet uit, waardoor ophoping plaatsvindt. Bij chronische leukemie rijpen ze nog wel redelijk uit, waardoor het kwaadaardige proces langzaam verloopt en klachten lang kunnen uitblijven.

Qua behandeling onderscheiden we curatieve en palliatieve zorg. Bij curatie zijn we uit op genezing, bij palliatieve zorg op het afremmen van de ontwikkeling van de ziekte. Behandeling met cytostatica (chemotherapie) kan haaruitval, misselijkheid, braken, darmstoornissen, verhoogd risico op infecties en vermoeidheid met zich meebrengen. Getracht zal worden remissie (teruggang) van de ziekte te bereiken, maar recidief (herhaling) van het ziekteontwikkelingsproces is nooit uit te sluiten. Daarom zal een post-remissiebehandeling worden ingesteld als de ziekte overwonnen lijkt. Bij acute vormen van leukemie kan daartoe stamceltransplantatie behoren. Er worden daarbij dus goed werkende stamcellen aan de patiënt toegediend. Dit zijn stamcellen die voor de behandeling met chemo- en/of radiotherapie bij de patiënt zelf werden afgenomen, of stamcellen van een donor. De gezonde stamcellen helpen bij herstel van het beenmerg.

Verwant is het myelodysplastisch syndroom (MDS), ook wel myelodysplasie genoemd. Daarbij worden de bloedcellen niet juist aangemaakt met als resultaat misvormde en niet goed uitgegroeide bloedcellen. Een groot deel hiervan is al vernietigd voordat zij het beenmerg verlaat. Hierdoor kan een tekort aan bloedcellen ontstaan. Een tekort aan rode bloedcellen heet anemie (bloedarmoede), een tekort aan witte bloedcellen heet leukocytopenie en een tekort aan trombocyten (bloedplaatjes) heet trombocytopenie. De groeiende cellen 'ontsporen' en worden kwaadaardig bij één op de drie patiënten. Dit kan zich ontwikkelen richting acute myeloïde leukemie (AML). Patiënten met MDS hoeven lange tijd nauwelijks klachten te hebben.

Dikkedarmkanker

Darmkanker komt in Nederland per jaar 12.000 maal voor, vooral bij 50-plussers. Per jaar sterven er 4500 mensen aan. Signalen kunnen zijn: bloed bij de ontlasting, het gevoel hebben dat de darm niet leeg is na de stoelgang en een veranderd stoelgangpatroon. Het hebben van darmpoliepen, gezwellen van de darmwand, die in de darm uitsteken, is echter één van de grootste risicofactoren. Deze poliepen zijn meestal eerst goedaardig, maar kunnen zich tot kwaadaardige tumoren ontwikkelen. Poliepen komen soms familiair voor. Darmkanker is overigens vaak goed behandelbaar, mits vroegtijdig onderkend.

Verdere risicofactoren zijn overgewicht, te weinig beweging, darmkanker in de nabije familie, vleeswaren en worst, dierlijk vet, rood vlees (rundvlees, varkensvlees, lamsvlees, geitenvlees), verbrand vlees, roken, geregeld alcoholgebruik. De ziekte komt bij vegetariërs minder voor.

Behandelingsmogelijkheden: chirurgie (eventueel stoma), radiotherapie, chemotherapie (fluorouracil (Fluracedyl), irinotecan (Campto)) en andere geneesmiddelen zoals folinezuur (Leucovorine, Rescuvolin) en bevacizumab (Avastin). Meestal zullen verschillende behandelvormen gecombineerd moeten worden.

Aspirine (acetylsalicylzuur) blijkt de overlevingskans bij darmkanker te vergroten. Bovendien vermindert regelmatig en langdurig gebruik ervan het risico de ziekte te krijgen.

14-10: Lymfomen, Hodgkin en non-Hodgkin

Er wordt van uitgegaan dat mensen met een goed functionerend immuunsysteem de tijdens het leven eventueel ontwikkelde lymfoomcellen meestal automatisch als lichaamsvreemd opruimen. Lukt dit niet, dan kan maligniteit optreden. Maligne lymfomen zijn ongecontroleerde celdelingen in één of meer lymfklieren (uitgaande van de lymfocyten, cellen van het immuunsysteem) of het beenmerg. We onderscheiden Hodgkin en non-Hodgkinlymfomen (NHL). Er zijn enkele verschillende vormen van Hodgkin en veel verschillende vormen van non-Hodgkin. Deze vormen worden ook, afhankelijk van de verspreiding en de ziekteverschijnselen, in vier stadia onderverdeeld. Wordt de letter a bij een stadium aangegeven, dan zijn er geen algemene ziekteverschijnselen, bij de letter b juist wel. Non-Hodgkin komt viermaal zo vaak voor als Hodgkin, in Nederland ongeveer 2400 maal per jaar, wat vaker bij mannen dan bij vrouwen. De lymfomen kunnen zich behalve in de lymfklieren gemakkelijk voordoen in de maag, de lever, de longen, de huid, de schildklier en de hersenen. Bij non-Hodgkin zien we lymfomen die langzaam groeien (laag maligne, bij 40 procent) en lymfomen die snel groeien (hoog maligne, 60 procent). Hodgkin zien we meest bij jongeren van 15 tot 30 en op leeftijd van 55 tot 70. Non-Hodgkin zien we vooral boven de 45. Bij 80 procent van de patiënten met Hodgkin treedt remissie langer dan vijf jaar op, waarna de ziekte als genezen wordt beschouwd. Voor non-Hodgkin is dat percentage 50.

Lymfomen lijken soms in families voor te komen. Dat is dus een risicofactor. Verder zien we ze vaak bij mensen met verminderde immuniteit, zoals hiv-geïnfecteerden en aidspatiënten en bij mensen die middelen gebruiken om afstoting na orgaantransplantatie tegen te gaan. Sommige lymfomen kunnen na een virusinfectie ontstaan.
We zien bijvoorbeeld als verschijnselen één of meer aanhoudende pijnloze zwellingen van lymfklieren in hals, oksels en/of liezen, koorts en nachtzweten, gewichtsverlies, jeuk, opgezwollen buik, vergrote milt, geelzucht (icterus), nierfalen, hemolytische anemie (door afbraak van rode bloedcellen) en huidafwijkingen.
Om de diagnose te kunnen stellen zal een biopsie worden gedaan, meestal van een lymfklier. Verder zal een uitgebreide ct-scan, een lumbaalpunctie, een beenmergbiopsie (botboring) en een bloedonderzoek worden gedaan.
Hodgkin vereist doorgaans chemotherapie. Intrathecale chemotherapie, waarbij de middelen in lumbaal- en hersenvocht worden ingespoten, wordt toegepast bij bepaalde typen lymfomen. Hetzelfde geldt voor radiotherapie (bestraling). Een recidief (teruggekomen ziekte) vereist veelal beenmergtransplantatie met stamcellen van de patiënt zelf.

15-10: Hersentumoren en neuroblastomen

Een hersentumor of intracraniaal neoplasma (nieuwvorming in de schedel) is primair (ontstaan in de hersenen zelf) of secundair (een metastase (uitzaaiing) van een tumor buiten de hersenen, dus kwaadaardig). Ook goedaardige hersentumoren zijn levensbedreigend. Metastasen komen veel vaker voor dan primaire hersentumoren, in Nederland enkele duizenden malen per jaar. Borst- en longkanker en melanoom (kwaadaardige huidkanker) zaaien gemakkelijk in de hersenen uit. Hersentumoren ontstaan meestal rond 50- tot 60-jarige leeftijd. Er zijn geen omgevingsfactoren bekend die in relatie staan met het ontstaan van hersentumoren. Bij ongeveer 100 kinderen worden jaarlijks hersentumoren gevonden, waarvan meer dan de helft tegenwoordig succesvol behandeld kan worden, overigens met fors risico op latetermijneffecten. Tweederde van de hersentumoren bij kinderen zit in de kleine hersenen (die o.a. zorgen voor coördinatie en evenwicht).

Hersenen bestaan uit zenuwweefsel, steunweefsel en bloedvaten. Kwaadaardige tumoren ontstaan meestal in het steunweefsel (de glia) en worden gliomen genoemd. Meningiomen zijn bloedvatrijke tumoren, die vanuit de hersenvliezen ontstaan en meestal goedaardig zijn. Hersentumoren geven klachten als epileptische toevallen, gedragsverandering, neurologische uitvalsverschijnselen als verlammingen, spraakproblemen, evenwichtsproblemen, hoofdpijn, misselijkheid en braken.

Bij het onderzoek worden meestal de mri- en ct-scan ingezet. Bij de behandeling zien we naast operatie meestal chemotherapie en bestraling. Verhoogde druk in de hersenen wordt behandeld met bijvoorbeeld dexamethason en anti-epileptica worden gegeven om toevallen te voorkomen of te beteugelen.

Neuroblastomen zijn kankers die alleen bij kinderen voorkomen. Na de hersentumor is het de meest voorkomende vaste tumor bij kinderen. Een neuroblastoom is een tumor van het autonome zenuwstelsel door een genetische fout in de embryonale periode. Er zijn vaak meerdere afwijkingen in het erfelijk materiaal van deze tumorcellen. (Vaak ontbreekt bijvoorbeeld een stukje van chromosoom 1.) De tumor bevindt zich meestal in de buikholte, maar kan ook elders voorkomen. Neuroblastomen vormen 10 procent van de kinderkankers.

Een druk leven versus borstvoeding

Drukke moeders stoppen vaak voortijdig met borstvoeding, omdat ze dit niet kunnen combineren met hun baan en sociale leven, zo blijkt uit onderzoek van het Erasmus MC in opdracht van minister Klink van volksgezondheid. Hij wilde weten waarom de overgrote meerderheid van de moeders binnen zes maanden, de periode die deskundigen in het belang van het kind aanraden, stopt met de borstvoeding. Kinderen die borstvoeding kregen, hebben minder infecties en later minder overgewicht en hoge bloeddruk. Direct na de geboorte geeft momenteel 80 procent van de moeders borstvoeding, na een halfjaar nog 25 procent.

Uit mijn werk als psychiatrisch verpleegkundige op een PAAZ-afdeling (begin 70-er jaren) herinner ik me dat we borstvoeding lichamelijk zozeer een belasting vonden voor moeders, dat, zodra die belasting te hoog bleek te worden, wat bleek uit dat ze hun gewoon doorgaande taken niet meer goed aankonden, dringend geadviseerd werd die te stoppen en in geval van psychiatrische opname niet toegestaan werd die te continueren. Dat was de tijd waarin moeders naast hun jonge gezin nog geen baan hadden. Ook toen, zonder baan, was de belasting van borstvoeding velen te zwaar.

16-10: Epstein-Barrvirus en Burkittlymfoom

Het Epstein-Barrvirus (EBV) is een herpesvirus (HHV4) dat wel in verband wordt gebracht met verschillende ziektebeelden, zie ook Pfeiffer. Het virus werd ontdekt in patiënten met een Burkittlymfoom, met T-cellymfoom (een vorm van leukemie) en met het Hodgkinlymfoom. Ook wordt het gezien als mogelijke oorzaak van multiple sclerose. EBV-infectie kan in het bloed gevonden worden, maar de Paul-Bunnelltest is verre van waterdicht. Vier van de vijf mensen zouden wereldwijd drager zijn van het virus (EBV - EveryBody's Virus). Het blijft na eerste besmetting en eventueel ziekte latent aanwezig in het lichaam. Er is geen andere behandeling dan rust nemen om het immuunsysteem te optimaliseren.

In West-Europa wordt bij één op de drie gevallen van de ziekte van Hodgkin het EBV-virus gevonden in de tumorcellen. In Zuid-Amerika is dit in vrijwel 100 procent van de ziektegevallen zo. Wereldwijd wordt ook wel 10 procent van de maagkankers gerelateerd aan het virus. Scandinavisch onderzoek wees uit dat mensen die de ziekte van Pfeiffer doormaakten, een viermaal zo grote kans hebben op de ziekte van Hodgkin en een tweeënhalf maal zo grote kans op multiple sclerose.

Lymfoom is kanker van het lymfsysteem (lymfklieren, lymfvaten, milt, neus- en keelamandelen en beenmerg), dat met lymfocyten door filtering van het lymfvocht probeert infecties in het lichaam te bestrijden. Lymfomen worden in twee typen ingedeeld: Hodgkin en non-Hodgkin. Het Burkitt-lymfoom is een in Nederland zeldzaam voorkomend non-Hodgkin-lymfoom. In delen van Afrika komt het veel voor. In sommige delen is het de meest voorkomende vorm van kinderkanker bij kinderen onder de tien jaar. Het wordt het meest gezien in het jukbeen en de kaak, waar de botten in omvang toenemen, de tanden en kiezen los kunnen raken en er aanzienlijke gezichtsmisvorming kan optreden. Maar ook in de buik komt de ziekte voor, evenals in het ruggenmerg en het beenmerg. (Zie ook hier.)

17-10: Maagkanker

De diagnose maagkanker wordt in Nederland zo'n 2.000 maal per jaar gesteld, iets meer bij mannen en meestal bij 60-plussers. In de ons omringende landen komt maagkanker relatief meer voor. Maagkanker geeft niet snel klachten en áls die er zijn, is het dikwijls te laat. In meer dan de helft van de gevallen is maagkanker bij het stellen van de diagnose al uitgezaaid naar de lymfklieren. De vijfjaarsoverleving is in veel gevallen (tumor nabij de slokdarm) slechts vijf procent. Risicofactoren zijn infectie met de helicobacter pylori, tekort aan vitamine C, het hebben van bloedgroep A, pernicieuze anemie, hypogammaglobulinemie, roken, hoog zoutgebruik, eten van gerookte gerechten en overgewicht. Maagkanker is zelden secundair, dus van elders uitgezaaid.

Het gaat meestal om een carcinoom van de maagwand, een adenocarcinoom (carcinoom van de klieren). Er zijn in volgorde van incidentie: gewichtsverlies, pijnklachten, vaak samenhangend met het eten, van de bovenbuik, misselijkheid, verminderde eetlust, slikklachten, bloedverlies (zwarte ontlasting!) en een vol gevoel. Deze klachten kunnen ook bij bijvoorbeeld een maagzweer of een overgevoelige maag voorkomen. Een tekort aan rode bloedcellen (bloedarmoede) is soms een eerste teken van maagkanker. Het gezwel kan in het overgangsgebied naar de slokdarm zitten, in het middengedeelte van de maag, of lager in de maag, nabij de overgang naar de dunne darm. Naarmate het dichter bij de slokdarm zit, is de overlevingskans kleiner, zit het nabij de overgang naar de dunne darm, dan is de vijfjaarsoverleving momenteel gemiddeld 40 procent.

18-10: Kindervaccinatie en paracetamol

Sommige ouders geven hun kind bij vaccinatie preventief paracetamol. Dat onderdrukt de koorts en pept het kind als het ware op. Tsjechische wetenschappers publiceren nu in The Lancet dat die paracetamol inderdaad de eventuele koorts vermindert, maar daarmee ook het doel van de vaccinatie, de aanmaak van antistoffen.

Koorts is bij kinderen mogelijk zelfs goed en dus belangrijk voor de ontwikkeling van het immuunsysteem. Gebruik daarom bij temperatuur tot 39,5 geen paracetamol. Laat het kind wel veel (zo mogelijk water) drinken!

Pijn, koorts en uitdroging

Bestrijd pijn en/of koorts hoger dan 39,5 °C bij voorkeur met paracetamol. Bestrijd koorts lager dan 39,5 °C met het drinken van veel water. Met name bij jonge kinderen, die snel uit kunnen drogen, is veel drinken erg belangrijk. Drink vaak kleine beetjes.

Bij zieke baby's en kleine kinderen kan slaperigheid, gebrek aan reactie en slapte optreden, gecombineerd met gebrek aan eetlust, braken en/of diarree. Waak voor uitdroging! Bij de apotheek en drogist zijn er zakjes ORS (orale rehydratie, oral rehydration solution) te koop, een oplossing met vooral zouten en glucose, die dikwijls beter wordt opgenomen en binnen blijft dan gewoon water. Men kan ook zelf een oplossing maken: op 1 liter water ¼ theelepel keukenzout (natriumchloride), ¼ theelepel kalizout (kaliumchloride, in mineraalzout zit dikwijls voor de kleinste helft natriumchloride en voor de grootste helft kaliumchloride), ¼ theelepel bakpoeder (gistvervanger), 40 gram suiker en vanillesuiker en/of citroensap naar smaak. In ontwikkelingslanden wordt (gewone) cola zonder prik gegeven. Qua samenstelling benadert het de ORS. Het brengt de zouthuishouding echter niet op orde en de cafeïne kan laxerend werken.

Ademtest longkanker

Een nieuwe ademtest kan het verhoogde gehalte vluchtige organische stoffen in uitgeademde lucht bij longkankerpatiënten meten nog voordat er iets van de ziekte op de röntgenfoto zichtbaar wordt. In de testfase bleek het apparaat met een sensor van gouden nanodeeltjes al in meer dan 86 procent van de gevallen accuraat.

Te zoute kindertussendoortjes

In Nederland wordt gemiddeld anderhalf maal de geadviseerde hoeveelheid zout geconsumeerd, dus i.p.v. maximaal 6 wel 9 gram per dag. Slechts 30 procent van wat we aan zout binnenkrijgen voegen we overigens zelf toe, de rest zit al in ons voedsel. Te veel zout leidt tot hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten. Dat geldt ook voor kinderen, bij wie de te hoge bloeddruk pas na jaren kan gaan optreden. In Groot-Brittannië is het advies baby's tot zes maanden minder dan 1 gram per dag te geven tot maximaal 6 gram vanaf elf jaar.

De Consumentenbond (Gezondgids oktober 2009) onderzocht 23 speciale kinderproducten waaronder K3-koekjes, kinderchips (AH Knabbels, Smiths Nibb-it) en -zoutjes (Verkade Orkakrakers) en kinderkoeken. De kindertussendoortjes blijken soms dubbel zo zout als hun 'grote broers', diverse merken kinderkoeken bijna driemaal zo zout! Niet (meer) doen dus!

Merkelcelcarcinoom

Merkelcelcarcinoom is een zeldzame (50 maal minder vaak voorkomend dan melanoom) en agressieve huidkanker, meest voorkomend op hoofd of in de hals, maar ook wel op de armen en benen, vooral bij blanke patiënten tussen 60 en 80 jaar, zowel mannen als vrouwen, waarbij mensen met stoornissen van het immuunsysteem (hiv en na orgaantransplantatie) een aanzienlijk groter risico lopen. Het betreft een huidkleurige, rode of soms blauwe vaste niet pijnlijke bult van 5 mm. tot 5 cm. grootte en snel groeiend. Deze kanker zaait ook snel uit, vooral naar de lymfklieren. Na behandeling wordt het risico van lokaal terugkomen en van uitzaaiingen geschat op 50 procent binnen een jaar. Als dat inderdaad gebeurt, is de prognose slecht.

Blootstelling aan UV-licht, ook zonlicht, draagt bij aan het ontstaan van deze kanker. Dan is er nog het vermoeden van een samenhang met het Merkelcelpolyomavirus.

20-10: Sarcomen

Ee sarcoom is een kwaadaardige tumor van steun- of tussenweefsel of van weke delen. (Een carcinoom is kanker voortkomende uit het epitheel of dekweefsel, dus uit huid en slijmvliezen.) Sarcomen ontstaan bijvoorbeeld in spieren, zenuwen, bloedvaten, weefsel tussen organen, kraakbeen en bot en komen vooral bij kinderen en ouderen voor. Er bestaan meer dan 30 soorten sarcoom. We zien in Nederland zo'n 700 gevallen per jaar.

De meeste zwellingen in weke delen zijn goedaardig, bijvoorbeeld vetbulten. Bij sarcomen treden vaak pas in een laat stadium klachten op. De meeste sarcomen zien we in de (boven)benen, de borst en de buikwand. Ze kunnen veelal lokaal behandeld worden (chirurgie en radiotherapie).

Kinderkanker en blastomen

Leukemieën nemen de grootste groep, 30 procent, van de kankers bij kinderen voor hun rekening, gevolgd door hersentumoren en lymfomen. Blastomen (embryonale tumoren) komen eigenlijk alleen bij kinderen voor. Als de ontwikkeling van organen is voltooid, moeten de voorlopercellen ophouden zich te vermenigvuldigen. Doen ze dit niet, dan ontstaat een blastoom (nefroblastoom of Wilms-tumor - niercellen, hepatoblastoom - levercellen, retinoblastoom -netvliescellen, neuroblastoom -zenuwcellen). Een blastoom is dus een tumor die uitgaat van blasten (onrijpe cellen, blasteem). Genetische factoren spelen hierbij een rol.

21-10: Natuurlijk bevallen?

In de Volkskrant vandaag een artikel van Maud Effting, waarin Gerard Visser (62), gynaecoloog en hoogleraar verloskunde (UMC Utrecht), geïnterviewd wordt. Hij vindt dat Nederlandse verloskundigen en gynaecologen te afwachtend zijn bij bevallingen, te veel op de natuur vertrouwen, waardoor te laat wordt ingegrepen als er iets mis is. Na 40 weken zwangerschap stijgt het aantal baby's dat in de baarmoeder sterft en na elke week wachten, sterven er meer. Wachten van 41 tot 42 weken maakt dat één of twee kinderen per 1.000 bevallingen meer sterven, terwijl ze volgroeid waren en zonder problemen geboren hadden kunnen worden. Gynaecologen blijken de vrouwen bij 41 weken te willen zien en de bevalling dan te willen inleiden, maar verloskundigen willen het Nederlandse erfgoed van thuis bevallen veilig stellen. Verloskundigen sturen probleemgevallen te laat in en gynaecologen behandelen probleemgevallen te weinig voortvarend. Om één sterfgeval na 41 weken te voorkomen, moet je 500 bevallingen opwekken. In Nederland overlijden 10 baby's op de 1.000 bevallingen vlak voor, tijdens of na de geboorte, in Vlaanderen twee à drie minder, waarvan één à twee aan het einde van de zwangerschap. Uit Nederlands onderzoek bleek dat als de bevalling bij vrouwen met hoge bloeddruk met 36 weken werd opgewekt, er minder complicaties en ook minder keizersneden waren, dus dat het allemaal beter gaat als de vrouwen nog in een goede conditie zijn.

Visser brengt verder naar voren dat algemeen bekend is dat het risico een mongooltje te krijgen vergroot is als je op of na je 35ste voor het eerst zwanger wordt, maar dat evenzo een feit is dat het risico dat je baby aan het eind van de zwangerschap onverwachts doodgaat nog groter is en dat dat niet algemeen bekend is.
Ook is uit Noors onderzoek gebleken dat het overlijdensrisico 70 keer zo groot is bij dikke moeders en kleine baby's en dat dikke moeders dus beter dikke baby's kunnen krijgen.
Vroeger zat de kraamverzorgster er de hele bevalling lang bij, maar ze is wegbezuinigd. Als je een ervaren vrouw er de hele bevalling lang bij zet, halveert dat het aantal keizersneden. De helft van de moeders die ingestuurd wordt, wordt dat omdat ze thuis onvoldoende begeleid worden. Zo eindigt meer dan de helft van de bevallingen die thuis gepland waren uiteindelijk in het ziekenhuis. Visser adviseert bij deze tekortschietende thuiszorg het eerste kind altijd in het ziekenhuis geboren te laten worden. Gaat die bevalling zonder problemen, dan kan de tweede, met een inmiddels wat ervaren moeder, thuis.

22-10: Kiemceltumoren

Een kiemceltumor is een goed- of kwaadaardige (elk ca. 50 procent van de gevallen) celwoekering van embryonale cellen die bedoeld zijn kiemcellen of geslachtscellen te worden. De tumor zien we in volgorde van incidentie meestal voor het staartbeen in de buikholte, in een eierstok, in een zaadbal of in de hersenen, maar hij kan ook elders voorkomen. Kiemceltumoren bij volwassenen liggen bijna altijd in de geslachtsorganen. Liggen ze daarbuiten, dan worden het extra-gonadale kiemceltumoren genoemd. Meestal zien we kiemceltumoren bij kinderen onder de 15 jaar. Per jaar krijgen 12 tot 15 kinderen in Nederland die diagnose.

We zien een opgezette buik, vaak buikpijn, bij een eierstoktumor kunnen de klachten lijken op een ontstoken blinde darm. Er kan dan ook door hormoonproductie een vroegtijdige puberteit ontstaan met ontwikkeling van schaamhaar op jonge leeftijd.

Diagnostisch zijn twee tumormarkers in het bloed van belang: het alfa-foetoproteïne (AFP) en bHCG (bèta-human chorionic gonadotropin).
Kiemceltumoren kunnen doorgaans operatief verwijderd worden. Soms wordt daarnaast chemotherapie en/of radiotherapie geïndiceerd. De genezingskans is gemiddeld 90 procent.

Het mature teratoom is een tumor van ongedifferentieerde stamcellen met daarin delen uitgerijpt weefsel als haren, tanden, nagels, zenuwen of darmen. Het teratoom is meestal goedaardig en we zien het vooral aan het hoofd, in de hals, aan het stuitbeen, in een eierstok of in een zaadbal.