Marie

-

Bij het doorlopen van mijn weblog i.v.m. een index op trefwoord treffen me de stukken die ik schreef over Marie. Ik heb Marie bijna dertig jaar mogen kennen en ze was bijzonder voor me, ook al was mijn ingang bij haar vanuit mijn werk, omdat zij een ernstige psychiatrische stoornis had. Toen ik van werkgebied veranderde, ben ik bewindvoerder en mentor voor haar geworden, waardoor de zorgverlening tot haar dood bij mij heeft gelegen. Ik neem onderstaand de stukken over haar stervensproces chronologisch over.

18-2-2006: Ik bid dat haar dagen bekort worden

Langzaam sterft ze weg. Ik ken haar vanaf eind zeventiger jaren, 66 is ze nu. Ze kreeg kanker, inoperabel. Ze teert weg, langzaam maar zeker. Nog maar een paar jaar geleden waren mijn vrouw en ik met haar op audiëntie bij de paus. Het was haar eerste buitenlandervaring en haar eerste vliegreis.

Ze was een eigenzinnig mens, vaak viel er geen land met haar te bezeilen. In onze gezamenlijke begintijd heeft ze me eens achternagezeten met een hooivork. Ze bezorgde me grijze haren. Ik hield van haar. Liefde hoeft niets met seks te maken te hebben, kan er volledig los van staan. Liefde is iets hebben met elkaar, de ander graag gelukkig zien en daar een steentje aan willen bijdragen, zoiets. Dat hoeft niet op gelijk niveau, niveau heeft er evenmin iets mee te maken.

Nu ontglipt ze me. Ik had eergisteren het gevoel dat het de laatste keer was geweest, dat ze aan haar eind was. Maar ze is een taaie! Toch, ergens was ze al weg. Ik sprak met haar over de pastoor, die de ziekenzalving zou willen doen. Hij liet me een aantal weken geleden weten dat ze die had geweigerd. Of ik de pastoor zou vragen nog eens langs te komen, vroeg ik. 'Doe maar niet', zei ze, 'ik heb er geen zin in.' Ik sprak met haar over haar begrafenis, vroeg of ze wensen had. Die had ze niet. Ze noemde alleen de naam van de begraafplaats waar ook haar ouders liggen en waar ik af en toe met haar kwam. Daar wil ze liggen, maar dat wist ik allang.

Ik hield van haar, ondanks haar onrustige geest. Beelden spookten jarenlang bij haar rond en ook met haar medicatie, die ze ten slotte accepteerde, werd ze er nooit vrij van. Ze zag mij als 'van de maatschappij', om haar in de gaten te houden en voor haar te zorgen. Zo is ons contact inderdaad begonnen, ik als functionaris, zij als cliënte. Maar zoiets verandert soms. Tussen ons veranderde het. Over de situaties waarin ik haar door de jaren heen aantrof, zou ik een boek kunnen schrijven. Een bijzonder mens.

Ze was als de dood voor de dood. Enkele jaren geleden, toen de tante naar wie ze vernoemd is stervende was, kon ik haar voor het eerst met de dood in contact brengen. Eerder was het me bij het overlijden van haar moeder en de begrafenis daarna niet gelukt. Ze ontkende gewoon, wilde er niet aan en ik ging voor haar, terwijl ik met haar had willen gaan. Daarom, toen tante stierf, vond ik dat ze eraan moest geloven, al was het alleen maar omdat ze zelf ooit ook zou moeten sterven. Na het ziekenbezoek, lopend door de gang van het ziekenhuis, zag ik haar huilen, de enige keer dat ik dat heb gezien. Op de begrafenis was ze erbij, samen met mij. En na de koffietafel wilde ze terug naar het graf, waar we, het was inmiddels gaan stortregenen, een tijdje gearmd roerloos hebben gestaan, tot het genoeg was, tot het goed was. Nu heeft ze geen angst. Of ze vertrouwen heeft, kan ik niet peilen, ik heb het gevoel van wel. Het is goed nu, alles is goed. Bijna is haar cirkel rond en keert ze terug naar vanwaar ze kwam. Dat is altijd goed!

Ik bid dat haar dagen nu bekort mogen worden.

1-3: Ziekenzalving

Marie is er nog steeds. Ze is inderdaad een taaie, maar toch, heel langzaam dooft haar vlammetje. Ik zei haar vanmiddag maar weer eens dat ze langzaam maar zeker doodgaat. Ze is zo goed in ontkennen. 'Ik weet niet', zei ze, 'het is voor 't eerst dat ik het meemaak.' De pastoor kwam en ze kreeg de ziekenzalving. Ik begrijp nu dat die tegenwoordig is gecombineerd met het 'bediend' worden. Ook vandaag begreep ze die vernieuwing niet, twijfelde. Toen ik na afloop nog even met haar doorpraatte, vroeg ze of ze nu 'gewoon bediend' was. Dat heb ik bevestigd. 'Het is voor 't eerst dat ik het meemaak', zei ze weer. Het voelde haar goed, zoveel was me wel duidelijk.

Het was ook voor mij de eerste keer dat ik deze ceremonie meemaakte en het ontroerde me zeer. Tranen liepen me over de wangen. Ik schaam me daarvoor niet meer. Tranen zuiveren de ziel, nietwaar? Heel rustig verschoof de pastoor het kastje, stak daarop twee kaarsen aan, legde de bijbel erbij, het water en de olie. De naaste familie kwam erbij. Aan Marie werd uitgelegd wat er zou gebeuren en ze was er, weggedoken onder haar dekens, helemaal bij. Daarna de rituelen: ze was erbij en het was goed. Wat mooi als een stervende geen verdovende medicatie nodig heeft! Ontroerend was het zalven met olie van haar hoofd, haar oren, ogen, neus, mond, handen en voeten. 'De ogen waarmee je zoveel hebt gezien, goed en kwaad, de handen waar je als kind mee hebt gespeeld, waar je later mee hebt gewerkt.' Zo kwam ze even dichterbij dan ooit, mens die ze was en is, bijzonder mens, uniek. Voor mij voelde ze in die momenten de meest bijzondere mens die ik heb gekend en zo voel ik dat nog. Het is me een eer dat ik zoveel jaren contact met haar heb mogen hebben. Haar zus, eerder net zo als de dood voor de dood als Marie zelf, was er ook bij. Samen maakten ze het mee, zij die allebei de begrafenis van hun eigen moeder niet bijwoonden omdat ze de dood niet konden toelaten. Samen werden ze er kennelijk klaar voor. Wat een rijkdom!

Toen ik vertrok, was de wereld maagdelijk wit door inderhaast gevallen sneeuw, een prachtig gezicht. En de straten waren spiegelglad.

8-3: Een andere begrafenis

Koffie na de begrafenis. Dat is goed: het leven gaat door. Prima als dat zichtbaar wordt, prima dat er gelachen wordt. Zo voel ik dat. Ik wil hen die dat anders voelen graag respecteren. Natuurlijk, ik wil geen verdriet ontkennen. Zeker bij een plotseling sterven verdienen verdriet en pijn alle ruimte die nodig is om ze goed te doorleven. Het kan ondraaglijk zijn als jonge kinderen een ouder verliezen of ouders een kind. Maar pijn hoort bij het leven, pijn komt op je weg om erdoorheen te gaan. Laten we niet wegvluchten van zulke pijn, maar er bij willen zijn, mee willen dragen, laten we deelgenoot worden.

Na de begrafenis zijn we naar Marie gereden. Dat een lichaam zo weg kan teren ... Marie is nog altijd dankbaar voor alles wat ze krijgt, ook al krijgt ze er bijna niets meer in, ook al verlaten haar krachten haar van week tot week verder. Ze is rustig, blijft denken dat ze nog niet zo direct dood zal gaan. 'Kun je er nog een beetje moed inhouden?' vraag ik. Ze kijkt me doordringend aan: 'Het gaat niet meer.' Kan ze het leven nog niet loslaten? Wat een mysterie, zo'n stervensproces. Wat zou ik haar gunnen dat ze in vrede gaat, haar lichaam loslaat om terug te keren naar vanwaar ze kwam. Wat gun ik haar, die tijdens haar leven zo ongelooflijk weinig voor zichzelf vroeg, dat ze met gulheid onthaald zal worden.

14-3: Halsstarrig

Gisteren was ik bij Marie. Toen ik binnenkwam probeerde ze onder de dekens een sjekkie te rollen. Het is het enige dat ze nog heeft. Toen ik haar aan de arm had, om even in de kamer te gaan zitten roken, kreeg ik beelden vanuit films uit concentratiekampen. Zo is ze nu, Marie. Ze kan geen veertig kilo meer wegen. Het zijn haar laatste dagen. De mensen om haar heen zijn goed voor haar, ze doen hun best. Zij is er dankbaar voor, nog altijd. Achtentwintig jaar heb ik van alles voor haar kunnen doen, nu houdt het op. Ze ziet dat zelf ook. 'Ik wil nog leven', zegt ze en ze slaat de spijker op de kop. Daarom is ze er ook nog. 'Het lijkt me genoeg geweest', zeg ik, 'je mag het loslaten. Ik geloof dat het goed komt met je.' En ik zie me met haar aan de arm in de regen aan het graf van haar peettante, direct nadat het was dicht gedolven. Ik denk dat ze toen voor het eerst in haar leven de dood heeft toegelaten. Nu ze zelf aan de beurt is, is het nog moeilijker. Ze heeft van het leven gehouden, hoe gebrekkig het menselijk gesproken ook geweest is. Ze houdt er nog immer van. 'Zou het niet het mooiste zijn, Marie, als je nu op een morgen gewoon niet meer wakker wordt?', zeg ik. Ze kijkt me aan, intens verdrietig. 'Ik wil nog leven hè', zegt ze weer. En even later: 'Maar het gaat niet meer.'

Stervenden laten zich soms tegenhouden door een achterblijver die nog niet kan loslaten. Ik denk niet dat dat bij Marie zo is. Marie houdt zichzelf nog tegen, kan zich nog niet overgeven. Marie is halsstarrig, zoals alleen Marie dat kan zijn. Ik bid dat ze leert loslaten.

19-3: Doodsstrijd

Deze week las ik in de krant een column naar aanleiding van het stervensproces van een stervend familielid van de schrijver. Ze wacht op de dood, schreef hij, of althans: wij wachten. De betrokkene had een hersenbloeding gehad en er was besloten niet meer te behandelen. Volgens de schrijver hield dat sterven in dat er geen drinken en geen voeding meer binnen kwam en verder dus het wachten op de dood. Hij kon zich een waardiger einde voorstellen, zo schreef de columnist.

Mijn moeder verging het waarschijnlijk ongeveer net zo. Nadat ze door een subdurale bloeding in coma was geraakt en de schedelfoto had uitgewezen dat de ene hersenhelft door de druk van het bloed als het ware in de andere helft was gedrukt, besloten we om niet te behandelen, dus niet te proberen de druk op te heffen. Ook bij mijn moeder was het een kwestie van tijd, van wachten dus, voor de omstanders. De taaiheid van haar lichaam werd toen pas duidelijk in de eindeloze uren die het streed om het leven vast te houden. Ik had daar toen ook moeite mee, ontkwam ook niet aan de gedachte dat ik mijn moeder een waardiger einde zou gunnen. Maar dat was niet het enige. Ik zag dat het goed was dat de dood nog wat uitbleef, het was goed voor mijn vader, goed voor een enkele zus of broer en goed voor enkele van de kleinkinderen van mijn moeder. De tijd van de doodsstrijd gaf deze betrokkenen de tijd die ze nodig hadden om toe te groeien naar loslaten, om zich te verzoenen met het einde, of, zo u wilt, met het nieuwe begin. Misschien had ikzelf die tijd uiteindelijk ook nog wel nodig. Immers, nog bij leven van mijn moeders lichaam trof ik haar geest op de A12 plotseling al bij me in de auto, teken toch van een gevoeligheid die iets moet zeggen over mijn persoonlijke betrokkenheid en daarmee over mijn eigen moeite om los te laten.

Vanavond waren we bij Marie. Steeds weer blijkt het nog minder te kunnen, blijkt een mens lichamelijk nog meer te kunnen vervallen. Ze wacht bij vol bewustzijn op de dood, maar ze kijkt er niet naar uit. Ik wacht ook en ik gun haar het einde van haar lijdende lichaam, haar bevrijding daarvan. Ik gun haar de vrijheid die ik geloof dat ze daarna zal vinden. Zelf wil ze nog steeds het leven niet loslaten. Ook vandaag werd me niet duidelijk wat haar nog hier houdt. Ze spreekt niet over angst, ook niet over vertrouwen. Als ik het daarover heb, kijkt ze me aan en het lijkt alsof ze mijn woorden van vertrouwen in zich naar binnen laat vloeien.

Zes dagen geleden vroeg ze me of mijn vrouw er niet was. Ze was er niet, want ze werkte. Nu was ze er wel en dat was goed. Toen Marie nog wat beter was, namen we af en toe ook onze twee kleindochters mee naar haar toe. Dat stelde ze op prijs. Vanavond vroeg ze me bij het afscheid heel nadrukkelijk om de kinderen de groeten te doen. Meteen daarop vroeg ze hetzelfde aan mijn vrouw. Dat beloofden we.

27-3: 'Het gaat niet meer.'

Zaterdag waren we bij Marie. Ik merk dat ik er stil van word, dat woorden niet meer kunnen bevatten wat er gebeurt en wat ik voel. Ik heb verdriet om haar lijden, haar nog immer niet los kunnen laten en zich overgeven. Steeds weer praat ik erover met haar. Ze lijkt dat ook zo te willen. 'Het gaat niet meer', zegt ze en ze weet dat ze dood zal gaan. Maar haar hart is taai, haar geest weerbarstig en vooral dat laatste is het dat haar nog hier houdt, denk ik. Sterven heeft kennelijk tijd nodig. Blijft het mysterie waar de onttakeling van dit sterven goed voor is. Ik neig ertoe aan te nemen dát het goed is voor Marie, dat het een doel dient, dat ze misschien hierin nog een levensles aan het leren is. En dan past slechts erbij te zijn, haar niet los te laten en vooral eerbied voor haar en haar geheim.

31-3: Tot de laatste druppel

En nog weer kan het minder. Het is precies zoals Trix, mijn vrouw, al eens zei: 'Marie drinkt de beker tot de laatste druppel leeg.' Voor het eerst zei ze me vandaag dat ze eraan toe is, dat ze dood wil. En omdat ik het gevoel heb dat ze dat steeds weer wil horen, zei ik haar opnieuw dat ik geloof dat ze het na het sterven beter zal hebben. Ze lijkt er klaar voor te raken, goddank! Haar krachten vloeien steeds meer weg. Weldra zal ze zich over kunnen geven.

Eén keer heb ik Marie zien huilen. Dat was in het ziekenhuis, toen we terugliepen naar de parkeerplaats, nadat we haar stervende peettante hadden bezocht. Ik wilde dit bezoek per se. Ik wilde minstens proberen Marie de confrontatie met de dood, waar ze zo als de dood voor was dat ze nog weer langer geleden het sterven van haar eigen moeder ontkende en ik haar dus ook niet mee kreeg naar haar begrafenis, aan te leren gaan. Vandaag heeft Marie mij zien huilen en kon ik haar uitleggen dat dat niet was omdat ze dood zal gaan, maar om hoe ze dood moet gaan. Marie heeft, zo lijkt het, in korte tijd veel aan wijsheid gewonnen. Sommigen om haar heen misschien ook wel.

Toen namen we weer afscheid. Ik hoop voor de laatste keer. Dat gun ik Marie zo! Voor het eerst gaf ik haar een zoen.

We spraken nog even twee dames van de terminale thuiszorg. Van 23 tot 07 uur is er iemand bij Marie. Dat is goed. Het is vrijwilligerswerk, overigens. Er zijn mensen die zulke dingen voor anderen doen!

3-4: Chaos opruimen

Ik kan er niet van slapen: Marie, die heel langzaam doodgaat aan uithongering ... Nog heeft mijn telefoon niet gerinkeld, dus nog immer gaat haar sterven door. Wil ze, alhoewel ze nu zegt liever dood te zijn, zich nog altijd niet overgeven? Wat is dat moeilijk in te schatten bij iemand die zich uit of niet uit zoals Marie dat doet. Wat gun ik haar de rust en vrede van over deze barrière heen. Maar dat is mijn geloof ...

Ga ik met haar huisarts overleggen om haar een morfinepleister te geven, zodat ze misschien makkelijker het bewustzijn verliest? Of doe ik haar daarmee geweld aan? Gek, die pleisters worden schijnbaar alleen gegeven bij pijn en Marie voelt geen pijn, zegt ze. Maar wat weten wij van hoe het bij Marie van binnen is? Wat van wat voor haar pijn is?

Ik moet terugdenken aan die keer toen ik haar nog maar kort kende: kennelijk wilde ik te veel of te snel of niet op het juiste moment en voelde ze zich zo bedreigd dat ze een hooivork greep en dat ik moest lopen voor mijn leven. Pas toen de kust veilig leek, kon ik terug het erf op om mijn auto te halen. Ik heb sindsdien begrepen dat het niet normaal is om ondanks dergelijke risico's mensen toch niet los te laten, maar bij ze te blijven. Maar normaal is niet voor iedereen hetzelfde.

Gistermorgen zag ik een stukje van KRO's 'De wandeling'. Een machinist die besloot, nadat hij voor de negende keer iemand onder zijn trein had zien lopen, om geen machinist meer te zijn. Ik kon zijn verhaal zo meevoelen: ergens is een grens aan wat een mens (ver)dragen kan. Ooit sprak ik met zo'n machinist. Hij had tweemaal een suïcide meegemaakt en was daar zo kapot van dat hij naar een soort herstellingsoord was gestuurd. Op de eerste rit die hij na die herstelperiode maakte, liep er weer iemand voor zijn trein.

Niet dat ik suïcide veroordeel. Ik vind dat ik een ander niet zo kan kennen dat ik mij over zo'n laatste beslissing een oordeel zou mogen aanmatigen. Want wat weten we van elkaar? Wat weten we niet? Als hulpverlener verloor ik door de jaren heen zo'n twintig cliënten door zelfdoding. Ik ken dat zo, van die machinisten: wat had ik anders kunnen doen ... of: had ik maar ... Maar ik heb niemand anders in de hand. Ik mag al blij zijn als ik mezelf in de hand heb. Als hulpverlener kun je dan wel denken de boel onder controle te hebben, maar wat ontgaat je niet allemaal?

De dood alleen kent de genade de chaos op te ruimen die geen mensenkind meer op orde brengen kan.

4-4: Leerzame dagen

Omdat ik er die nacht niet van slapen kon, ben ik gistermorgen naar Marie teruggegaan. Een uur heb ik bij haar gezeten, mijn hand op de hare. Het leek haar rustig te maken. Ik heb herinneringen opgehaald en ze was erg helder. Toen ik begon over onze aanvaringen en zei dat in elk goed huwelijk aanvaringen voorkomen, lachte ze. In het verleden heb ik wel eens gekscherend tegen haar gezegd dat ik, als ik niet getrouwd zou zijn geweest, het wel zou weten ...

Toch, hoe zal ik haar eenzaamheid peilen? Wellicht door haar psychiatrische ziekte is zij nooit getrouwd. Ze was goed in het zich terugtrekken in zichzelf. Eenmaal trof ik haar op een druk kruispunt in haar woonplaats, fiets aan de hand, volledig catatoon. Ik kwam in de file die ze veroorzaakte. Iedereen wurmde zich voorzichtig langs haar heen. Toen ik haar zag, stapte ik uit en liep naar haar toe. Toen ik haar aanraakte, zei ze: 'O, ben-ie 't.' Ik geleidde haar naar het trottoir, waarna het verkeer z'n loop hernam. Misschien was ik de enige mens die dat zo kon doen. Hoe ongelooflijk veel heeft ze in haar catatonie niet naar de einder gestaard, waarschijnlijk zonder iets daarvan te zien?

Marie was en is ook een vrouw die vooral weet wat ze (niet) wil. Ze is 'baas over zichzelf'. Zo was ze in haar leven, zo is ze in haar sterven. In die nacht bedacht ik dat we haar wellicht iets moesten aanbieden als morfinepleisters of iets anders, zodat ze rustiger zou worden en misschien wat eerder zou kunnen sterven. Ik wilde van haar horen of ze dat zou willen, maar eigenlijk kende ik haar antwoord al bij voorbaat: 'Nee!' Ik kon weer slapen nadat ik het met haar besproken had. Doorwaakte uren leveren altijd iets op. Ik was dat extra uur dicht bij Marie en ik zag dat het goed voor haar was. Mijn tranen maakten zich van me los en ik kon weer door. Terwijl we zo samen waren, hoorden we de geluiden van het huis en de medebewoners. 'Het leven gaat gewoon door, Marie', zei ik. 'Dat is goed', reageerde ze.

Opnieuw vroeg ik haar of ze nog iets aan me kwijt wilde. 'Nee, het is goed.' Toen was het ook goed en kon ik op pad om voorafspraken te maken voor haar begrafenis. Ik weet niet meer zo of ik bidden mag dat deze dagen voor Marie mogen worden bekort. Voor mij zijn het in elk geval leerzame dagen.

Dat uur aan het bed bij Marie bracht me achteraf terug op de interne afdeling van het ziekenhuis waar heb gewerkt in de eerste helft van de zeventiger jaren. Twee zaaltjes met elk zes of acht patiënten, dat was mijn werkplek op die dag. Eén van die mensen had longkanker, was angstig en benauwd. Hij had niet lang meer te leven. Net als bij Marie zat ik aan zijn bed, mijn hand op de zijne. Maar de hoofdzuster zag mijn taak anders dan ik die zag. In het andere zaaltje vond ze stuifmeel onder de bloemen op een nachtkastje. Dat kon dus niet. Ze drukte op de bel en nam op haar horloge op hoeveel seconden ik erover deed om ter plekke te zijn om haar orders in ontvangst te nemen. Ik was zeer nalatig geweest, zo werd me zonder ruimte voor discussie te verstaan gegeven. Ik voel nog hoe mijn bloed kookte, hoe ik erop had willen timmeren. Ik kon me beheersen. Dat heb ik in dit leven prima geleerd. Maar of dat gezond is? Ik heb dat moment nooit verwerkt. Na die week ben ik ook niet meer op die afdeling terug geweest.

6-4: Baas van zichzelf

Marie is in het eerste uur van de voorbije nacht gestorven. Ik ben kort daarna bij haar lichaam geweest. Het was goed, heel goed. Ze is niet in eenzaamheid gestorven. Een vrijwilligster van de terminale thuiszorg was haar liefdevol nabij.

Vandaag de contacten met haar familie, haar medebewoners, de leiding van haar tehuis, de begrafenisondernemer, de pastoor, de notaris en, volgens plaatselijk gebruik, de nabije buren. Het was goed, alles was goed.

Ik had de eer Marie, samen met de uitvaartverzorger, vanuit haar huis naar de lijkauto te mogen dragen. Tot op dat moment had ik haar na haar sterven niet meer ontmoet. Vreemd, maar als mensen die me nabij zijn overlijden, komen ze soms onverwachts bij me terug. Niet dat ik ze zie, maar ik kan ze voelen en dat is haast reëler voor me dan wanneer ik ze zou kunnen zien. Zo stond een cliënt van me die zich suïcideerde de nacht nadat ik hem voor de politie had geïdentificeerd plotseling aan mijn bed. En mijn moeder trof ik al bij me in de auto, terwijl haar lichaam in het ziekenhuis nog het laatste stukje doodsstrijd streed. Van Marie realiseerde ik me vanmorgen dat ik haar nog niet had gevoeld. Totdat ik na een kop thee het tehuis waar ze woonde verliet. De lijkwagen bleek er nog steeds te staan. Plotseling had hij niet meer willen starten. En hij haperde anders nooit, zo hoorde ik! Een schok ging door me heen. De onwillige auto was me op hetzelfde moment geheel in de geest van Marie. Ik realiseerde me dat ze, al kon ze niet meer leven, niet kon kiezen voor de dood, niet echt. Wellicht verzette ze zich op datzelfde moment nog steeds ... Sterk voelde ik in die ogenblikken het meerdere tussen hemel en aarde.

Inderdaad: Marie had altijd al tijd nodig om zich gewonnen te geven, soms veel tijd. Onverzettelijk kon ze zijn en in die koppige onbuigzaamheid heb ik in de loop der jaren heel wat strijd met haar gevoerd. Eigenzinnig als ze was, wist ze precies wat ze wel en niet wilde en wat ze zich in het hoofd gezet had, was daar niet uit weg te praten. Maar eigenzinnigheid was niet het enige gelukkig: Marie was onbaatzuchtig en vroeg niets voor zichzelf. De hang naar materieel bezit was haar totaal vreemd. Elk bezit ervoer ze eerder als last dan als lust. Ze was dankbaar voor alles, maar dan ook alles wat ze wel accepteren kon en die dankbaarheid uitte ze ook. En ze was bescheiden, bijna akelig bescheiden. Vandaag bedacht ik hoe haar twijfel wat het geloof betreft geduid moet kunnen worden in het licht van deze bescheidenheid. Marie eigende zich God niet toe, evenmin als ze zich nimmer tijd, energie of bezit van een medemens toe-eigende. Ze was 'baas van zichzelf' en zichzelf genoeg. Het rijkst is wie het minst verlangt, zei Seneca. Plotseling kan ik Marie nu als voorbeeld zien.

11-4: Als een dubbeltje op z'n kant

Voorbije zondag een viering met een preek van Aty van Noort, tot voor een jaar of vijf voorganger in de wijk waar ik woon. Kort, kernachtig, recht uit de mens, direct uit het hart. Dus treffend, ontroerend, bezielend. Met zo'n bezieling mag de kerk nog hoop voor de toekomst hebben, lijkt me.

De preek gaat deels over Jeremia. Wat me is bijgebleven is het thema: ons leven rolt als een dubbeltje op z'n kant. Valt het naar links of naar rechts? Wordt het ja of wordt het nee? Onze hele levensweg zit vol van keuzes op het scherp van de snede: kiezen we voor go(e)d of kiezen we voor kwaad?

In de assertiviteitstrainingen die ik bijna mijn hele arbeidzame leven heb gegeven, gebruikte ik ook zo'n soort beeld. Het gaat daar om de keuzemomenten: zeg ik ja (terwijl ik nee zou willen zeggen), of zeg ik hoe ik er tegenaan kijk en kies ik ervoor m'n eigen grenzen te respecteren. In assertiviteitstrainingen respecteren velen de ander meer dan zichzelf en doen van daaruit zichzelf, vaak chronisch, te kort. Ik gebruik ook wel het beeld van het levensautootje: Ieder rijdt het eigen levensautootje, een leven lang. En met ieder rijdt af en toe een ander mee, soms ook meer tegelijk. In tegenstelling tot wanneer de bestuurder in een echte auto rijdt, staat hij of zij in het eigen levensautootje ieder die een stukje meerijdt toe naar willekeur aan het stuur te trekken. In de echte auto zou je dat levensgevaarlijk noemen, in het levensautootje is het dat op den duur evenzeer! Natuurlijk: het is goed om de ander tegemoet te komen, van dienst te zijn. Maar niet als dat niet van harte is, als dat tegen jezelf indruist, als dat tot gevolg heeft dat je jezelf zo opzij schuift dat je niet tot je recht komt of dat je zelfrespect eronder lijdt.

Gisteren hebben we Marie begraven. Ook haar leven rolde als een dubbeltje op z'n kant. Alleen, haar zieke geest ontnam haar dikwijls de keuzevrijheid. Haar keuze is, denk ik, dikwijls bepaald geweest vanuit overlevingsdrang.

In de kerk mocht ik enkele woorden zeggen. Voor wie we ze (her)lezen wil, neem ik ze hieronder over:
Goede mensen, ik ben blij vandaag het voorrecht te hebben te midden van u allen, die Marie in haar leven nabij bent geweest, te mogen zijn. In de 28 jaar die ik Marie heb mogen kennen, heb ik vele namen van haar gehoord zonder te weten wie de mensen achter die namen waren. Ik neem aan dat ook juist die mensen vandaag door Marie hier samenzijn. U zult het met me eens zijn: Marie was een bijzonder mens. Ik voel haar in deze dagen als de meest bijzondere mens die ik kende. Steeds ook weer dringen zich beelden aan me op van het verblijf van Marie met mijn vrouw en mij in Rome en met name zie ik ons op het Sint-Pietersplein, in de Sint-Pieterskerk, waar we alle dagen van ons verblijf kwamen. Marie wilde naar de paus. Marie wás bij de paus. Er was vijf meter tussen haar en hem. Ik noem dit, omdat het voor Marie de reis van haar leven was. Samen met haar gingen we omhoog naar de koepel. Sommigen van u zullen dit herkennen. Maar Marie durfde op een bepaald moment niet hoger en we posteerden haar in een hoekje waar ze kon zitten en vroegen haar daar op ons te wachten. We dachten, als het te ver zou zijn, naar haar terug te zullen kunnen keren. Maar de route bleek eenrichtingsweg: we moesten door en konden niet terug en de route was veel langer dan gedacht. En toen moesten we om die immense kerk heen, om de ingang van de route terug te vinden. En toen stond daar een file van wachtenden. We namen in overleg met een bewaker een ingang die niet genomen mocht worden en we vonden Marie op de plek waar we haar achterlieten. Ze had nog een Nederlandse mevrouw gesproken, vertelde ze opgetogen. Tegen het verkeer in keerden we naar de ingang terug. En dan: mijn bezorgdheid in die minuten tegenover haar totale onbezorgdheid! Er kon Marie gewoon niets gebeuren!

Marie is gestorven, na een lange en uitputtende strijd. Al een maand geleden schreef ik: 'Stervenden laten zich soms tegenhouden door een achterblijver die nog niet kan loslaten.' Ik denk niet dat dat bij Marie zo was. Marie hield zichzelf nog tegen, kón zich nog niet overgeven. Marie was nu eenmaal halsstarrig, zoals alleen Marie dat kon zijn. Ik bad in die dagen dat ze zou leren loslaten. Twee weken geleden schreef ik: 'Ik merk dat ik er stil van word, dat woorden niet meer kunnen bevatten wat er gebeurt en wat ik voel. Ik heb verdriet om Maries lijden, haar nog immer niet los kunnen laten en zich overgeven. Steeds weer praat ik erover met haar. Ze lijkt dat ook zo te willen. 'Het gaat niet meer', zegt ze en ze weet dat ze dood zal gaan. Maar haar hart is taai, haar geest weerbarstig en vooral dat laatste is het dat haar nog hier houdt, denk ik. Sterven heeft kennelijk tijd nodig.'

Marie had altijd al tijd nodig om zich gewonnen te geven, soms veel tijd. Onverzettelijk kon ze zijn en in die koppige onbuigzaamheid heb ik in de loop der jaren heel wat strijd met haar gevoerd. Eigenzinnig als ze was, wist ze precies wat ze wel en niet wilde en wat ze zich in het hoofd gezet had, was daar niet uit weg te praten. Maar eigenzinnigheid was niet het enige gelukkig: Marie was onbaatzuchtig en vroeg niets voor zichzelf. De hang naar materieel bezit was haar totaal vreemd. Elk bezit ervoer ze eerder als last dan als lust. Ze was dankbaar voor alles, maar dan ook alles wat ze wel accepteren kon en die dankbaarheid uitte ze ook. En ze was bescheiden, bijna akelig bescheiden. Pas na haar sterven bedacht ik hoe haar twijfel wat het geloof betreft - ik sprak daar in haar laatste weken herhaaldelijk over met haar - geduid moet kunnen worden in het licht van deze bescheidenheid. Marie eigende zich God niet toe, evenmin als ze zich nimmer tijd, energie of bezit van een medemens toe-eigende. Ze was 'baas van zichzelf' en zichzelf genoeg. Het rijkst is wie het minst verlangt, zei Seneca.

Twee dagen voordat Marie zich wel over móést geven, schreef ik: De dood alleen kent de genade de chaos op te ruimen die geen mensenkind meer op orde brengen kan. En nu: Marie is er niet meer, want ze is vrij. Ze liet haar doodzieke lichaam achter en herwon de ruimte waarin ze kan gaan en zijn waar ze wil, waarin ze voor ons die achterblijven eindeloos ver verwijderd is en, o wonder, tegelijk dichterbij dan ooit.

- -