- -

31-3-2006

Tot de laatste druppel

En nog weer kan het minder. Het is precies zoals Trix, mijn vrouw, al eens zei: 'Marie drinkt de beker tot de laatste druppel leeg.' Voor het eerst zei ze me vandaag dat ze eraan toe is, dat ze dood wil. En omdat ik het gevoel heb dat ze dat steeds weer wil horen, zei ik haar opnieuw dat ik geloof dat ze het na het sterven beter zal hebben. Ze lijkt er klaar voor te raken, goddank! Haar krachten vloeien steeds meer weg. Weldra zal ze zich over kunnen geven.

Eén keer heb ik Marie zien huilen. Dat was in het ziekenhuis, toen we terugliepen naar de parkeerplaats, nadat we haar stervende peettante hadden bezocht. Ik wilde dit bezoek per se. Ik wilde minstens proberen Marie de confrontatie met de dood, waar ze zo als de dood voor was dat ze nog weer langer geleden het sterven van haar eigen moeder ontkende en ik haar dus ook niet mee kreeg naar haar begrafenis, aan te leren gaan. Vandaag heeft Marie mij zien huilen en kon ik haar uitleggen dat dat niet was omdat ze dood zal gaan, maar om hoe ze dood moet gaan. Marie heeft, zo lijkt het, in korte tijd veel aan wijsheid gewonnen. Sommigen om haar heen misschien ook wel.

Toen namen we weer afscheid. Ik hoop voor de laatste keer. Dat gun ik Marie zo! Voor het eerst gaf ik haar een zoen.

We spraken nog even twee dames van de terminale thuiszorg. Van 23 tot 07 uur is er iemand bij Marie. Dat is goed. Het is vrijwilligerswerk, overigens. Er zijn mensen die zulke dingen voor anderen doen!

30-3-2006

Investeren in je kinderen is uit

Vandaag een bericht in de krant over meer hersenletsel bij jongeren door gevaarlijke straatspellen. Als ik het artikel lees, komt de combinatie van spellen en harddrugs naar voren. De neuropsycholoog Erik Matser heeft er onderzoek naar gedaan. Het gaat om het in het winkelcentrum van verdieping naar verdieping springen of met skates achter een rijdende auto hangen. Ook het spelletje 'liggen' doet mee: jongeren delen om het hardst aan willekeurige voorbijgangers een klap uit en degene wiens slachtoffer het langst blijft liggen, heeft gewonnen.

Jongeren zouden het 'cool' vinden zich immuun te voelen voor letsel en zich stoer voelen door speed en cocaïne te gebruiken met extreem gedrag en hersenbeschadigingen als gevolg.

Matser zoekt de oorzaak in het tekort aan begeleiding door ouders. Ouders zijn niet meer of onvoldoende op de hoogte met de bezigheden van hun kinderen.

Tja, we leven in een cultuur waarin geldelijk gewin en dus carrière gaan boven het werk maken van de opvoeding van je kinderen. Investeren in je kinderen is uit. Dat eist z'n tol, mijns inziens steeds meer. Jonge ouders van nu hebben het gevoel geen keus meer te hebben, al was het alleen maar omdat één inkomen nooit zal kunnen leiden tot het kopen en (af)betalen van een huis. Zo hebben we onze maatschappij gebouwd. Hoeveel jonge vrouwen sprak ik niet die zich uiteindelijk in hun gezondheidsklachten en depressies moesten toegeven dat ze zich het huwelijk anders hadden voorgesteld dan mee te moeten blijven draaien in de mallemolen van het geld verdienen?

Als ouders geen weet meer hebben van hun opgroeiende kinderen, als ze opvoeden tot te vroege zelfstandigheid, als kinderen niet meer bij hun ouders terechtkunnen met wat ze bezighoudt, als ze het gevoel ontwikkelen dat er eigenlijk geen plaats voor hen is, dan moet het wel ergens fout gaan en dat doet het dus ook. En dan hebben voor velen 'die ondankbare jongeren' het gedaan. Ik vraag me af wie er het meest slachtoffer is en ik denk dat juist onze asociale jeugd het kind van de rekening werd. Tegelijk besef ik dat we nog lang niet zover zijn dat we zullen inzien dat dit tij moet worden gekeerd, dat 't anders moet en dat ouders minstens ook opvoeders dienen te zijn.

27-3-2006

'Het gaat niet meer.'

Zaterdag waren we bij Marie. Ik merk dat ik er stil van word, dat woorden niet meer kunnen bevatten wat er gebeurt en wat ik voel. Ik heb verdriet om haar lijden, haar nog immer niet los kunnen laten en zich overgeven. Steeds weer praat ik erover met haar. Ze lijkt dat ook zo te willen. 'Het gaat niet meer', zegt ze en ze weet dat ze dood zal gaan. Maar haar hart is taai, haar geest weerbarstig en vooral dat laatste is het dat haar nog hier houdt, denk ik. Sterven heeft kennelijk tijd nodig. Blijft het mysterie waar de onttakeling van dit sterven goed voor is. Ik neig ertoe aan te nemen dát het goed is voor Marie, dat het een doel dient, dat ze misschien hierin nog een levensles aan het leren is. En dan past slechts erbij te zijn, haar niet los te laten en vooral eerbied voor haar en haar geheim.

25-3-2006

Liederlijkheid

Liederlijkheid. Het woord staat voor verveling, normvervaging, losbandigheid. In onze krijgsmacht weten ze er kennelijk nog altijd wel raad mee. Ik vind het beschamend om daar weer mee geconfronteerd te moeten worden, nu blijkt dat op onze marineschepen vrouwelijke matrozen zo'n beetje als gemeenschappelijk bezit gezien worden. Het brengt me terug naar mijn eigen militairedienstplichttijd, in de zestiger jaren. Alhoewel ik als 'hospik' de meeste tijd kans zag een beetje aan de rand te functioneren, heb ik me in die tijd verbaasd over de liederlijkheid binnen de kazernepoorten. Ik heb het over drankzucht en taalgebruik waarin bijvoorbeeld de vrouw slechts gezien wordt als object van bevrediging. Ik stond erbuiten wat die liederlijkheid betreft, alhoewel ik me er niet altijd aan kon onttrekken. Ook ik werd 's nachts over de openbare weg vervoerd in een jeep bestuurd door een werkelijk stomdronken mede-dienstplichtige. Zo ging dat: een burgerrijbewijs telde niet, niet gedronken hebben telde niet, wat telde was of je chauffeur van het desbetreffende voertuig was of niet. Dat er gestopt moest worden om op de straat te kotsen, was slechts een bijkomstigheid. Dat de jeep nauwelijks op de weg gehouden kon worden, was schijnbaar geen probleem. Mijn taak was om 's morgens met de thermometers rond te gaan om wie zich om zes uur ziek meldden te controleren. Ik had geleerd de thermometers zelf in te moeten brengen en vast te moeten blijven houden, want het is heel eenvoudig om zo'n ding een hogere temperatuur dan die van het lichaam aan te laten geven. Ik maakte niet alleen maar vrienden. Als ziekenverzorger sliep ik een periode in een kamertje apart, nabij de ziekenzaal, maar het grootste deel van mijn diensttijd had ik een stapelbed in een slaapzaal bij de compagnie waar ik formeel was ondergebracht en waar ik 's nachts zo tussen twaalf en één, als het rustig geworden was, naar binnen sloop om tot zes uur te kunnen slapen. Ik vertoonde me daar verder gewoon niet omdat ik niet tegen de liederlijkheid kon waar ik binnen de kortste keren onpasselijk van zou worden. Ik had de sleutel van de dokterspost. Sommige avonden sliep ik daar alvast wat voor op een onderzoeksbank. Nee, ik heb er nooit bij gehoord, zelfs niet een beetje. Een eenzaam bestaan, zo zie ik het achteraf. Ik weet ook niet of ik me ooit aan had kunnen passen als ik niet in de positie was geweest waarin ik was, een positie waarvan voor niemand van de staf goed duidelijk was waar ik nu eigenlijk thuishoorde. Ik had m'n dagelijkse werk op de dokterspost, dat wist men. Een paar keer ging ik als compagnieshospik wel mee op oefening en sliep ik in een aparte auto waarin de pillen en dergelijke ook bewaard werden. Slechts in de eerste twee maanden van mijn diensttijd, bij de geneeskundige troepen, was ik gewoon deel van het grotere geheel zonder de mogelijkheid me te onttrekken en sliep ik op oefening tussen m'n medesoldaten in een tent of in een vrachtwagen. Liederlijkheid ... gek dat die anderhalf jaar mij het meest naar voren komen bij die term.

Inmiddels kregen we een beroepskrijgsmacht, deden vrouwen hun intrede, maar blijkt er aan de liederlijkheid dus niet veel veranderd.

Het was overigens niet alleen in militaire dienst dat ik erbuiten stond. Als lid van de jeugdvereniging van de christelijk gereformeerde kerk had ik dezelfde soort ervaringen opgedaan. Zodra er een weekend was, merkte ik dat men niet de neiging had om 's nachts te gaan slapen, maar bij voorkeur bezig ging elkaars rust te verstoren, de jongens bij de meisjes en andersom. Je kon het zo gek niet bedenken, of het gebeurde. Ik leek wel de enige die 's nachts het liefst gewoon had willen slapen, maar ik geloof nog altijd niet echt dat ik de enige was. Waren het de hormonen die de nachten zo kort en onrustig maakten? Was het het niet voor elkaar willen onderdoen? Speelt er in dit soort situaties een soort macht van de sterkste? Durfde ik en durfde niemand het tegen die sterksten op te nemen? Deze ervaringen hebben bij mij gemaakt dat ik niet graag in gezelschap overnacht en relatief veel latere ervaringen leken mijn gevoelens hieromtrent alleen maar te bevestigen. Ik denk aan onze pogingen om met de kinderen in de zomer gewoon op een camping te kamperen. Maar gewoon bleek niet gewoon: gewoon bleek geschetter van Hilversum 3 ter linker en van Veronica ter rechter zijde. Gewoon bleek dronken medekampeerders rondom en pas de mogelijkheid om tegen de ochtend in te slapen. Dat was en is niets voor mij. Wat dat betreft heb ik er inderdaad altijd buiten gestaan.

Vandaag de dag heeft de jeugd haar liederlijkheid naar het schijnt in de nachten van het weekend. Ik ga maar af op de berichten in de krant over vechtpartijen, ongelukken onder invloed van alcohol en zinloos geweld. Ik ga ook af op de schade die na het weekend op de route van centrum naar de woonwijken is waar te nemen. Omgetrokken verkeersborden, lantaarnpalen en reclamezuilen, een in de gracht gegooid wachthokje voor de bus, in elkaar getrapte fietsen, beschadigde auto's, braaksel op straat en een urinelucht in alle donkere hoekjes. Ik weet het: er wordt geen aandacht meer aan besteed omdat het psychologische mechanisme is dat gedrag waarvoor geen aandacht is, zal uitdoven. Het zal ten dele waar zijn, dat geloof ik ook wel. Maar om, als met oud en nieuw voor tonnen schade wordt aangericht, te spreken van een rustige nacht, gaat mij net te ver. Ik weet het: ik ben al niet meer helemaal van deze tijd. Als het om liederlijkheid gaat, ben ik dat dus nooit geweest. En dat is toch een beetje gek. 's Avonds rond bedtijd zou ik gewoon willen kunnen gaan slapen, ook op mooie zomeravonden. Maar juist rond dat uur is er bij anderen voldoende alcohol ingenomen om de gesprekken in de tuinen rondom luidruchtiger te laten worden, de stemming er goed in te laten komen zogezegd. Inderdaad, mijn overtuiging is dat alcohol de eigen normen doet vervagen en antisocialiseert. Je staat er buiten als je niet meedoet. Zoals anderen zich kennelijk schamen als ze niet uit hun dak zijn gegaan, zoals dat heet, zou ik me schamen als mij zoiets zou zijn overkomen. Dat is toch anders, niet?

23-3-2006

Zogenaamde heilige boeken

Als je moslim was en je bekeerde of bekeert je tot het christendom, kan daar de doodstraf op staan, zo begrijp ik. Dat kan namelijk gelezen worden in de koran. In Afghanistan, waar Nederland om humanitaire redenen militair toezicht heeft, is het actueel. Het probleem is het christendom niet vreemd: het aanhangen van een ander geloof dan het christendom was ook voor veel christenen eeuwenlang goede reden om gedood te worden.

Godsdienstfanatisme heet zoiets en mijns inziens grenst het aan waanzin. De eigen normen en overtuiging worden dwingend opgelegd aan anderen. Wie eenmaal in Allah geloofde, mag zijn of haar geloof nooit meer herzien. Dat kan allemaal gebeuren als een boek van God gegeven heet. Met de koran is het niet anders dan met de bijbel: deze boeken zijn door mensenhanden geschreven. Natuurlijk, omdat de mens een goddelijke creatuur is, hebben ze ook iets goddelijks. Je zult er vast en zeker God in kunnen (her)kennen. Maar de boeken zijn aan herschrijving toe, want ze kunnen qua inhoud letterlijk genomen worden en ze laten nogal wat ruimte voor interpretaties. Op grond van zogenaamde heilige boeken menen mensen dat ze andere mensen moeten doden om hun geloofsopvatting. Ze menen dat serieus, want wat ze lezen en interpreteren schrijft ze dat voor.

Het is de hoogste tijd dat we inzien dat we geen woord van God hebben, dat alles wat over God geschreven werd door mensenhand is opgetekend en dus niet meer kan zijn dan de oprechte mening of overtuiging van de auteur. We zullen moeten afzien van oude godsbeelden en toe moeten naar een eigen en persoonlijk godsbeeld, dat we slechts kunnen vinden in de persoonlijke ervaring aan het goddelijke. We zullen moeten beseffen dat God veelvuldig en veelvormig is, dat vele godsbeelden mogelijk zijn en dus naast elkaar zullen bestaan. We zullen moeten leren deze veelheid niet langer als een bedreiging te zien, maar als een verrijking. We zullen onze andersgelovige medemens moeten leren accepteren als een kind van God.

Wie roept dat er gedood moet worden om een geloofsovertuiging heeft, vrees ik, van het goddelijke niet veel begrepen.

19-3-2006

Doodsstrijd

Deze week las ik in de krant een column naar aanleiding van het stervensproces van een stervend familielid van de schrijver. Ze wacht op de dood, schreef hij, of althans: wij wachten. De betrokkene had een hersenbloeding gehad en er was besloten niet meer te behandelen. Volgens de schrijver hield dat sterven in dat er geen drinken en geen voeding meer binnen kwam en verder dus het wachten op de dood. Hij kon zich een waardiger einde voorstellen, zo schreef de columnist.

Mijn moeder verging het waarschijnlijk ongeveer net zo. Nadat ze door een subdurale bloeding in coma was geraakt en de schedelfoto had uitgewezen dat de ene hersenhelft door de druk van het bloed als het ware in de andere helft was gedrukt, besloten we om niet te behandelen, dus niet te proberen de druk op te heffen. Ook bij mijn moeder was het een kwestie van tijd, van wachten dus, voor de omstanders. De taaiheid van haar lichaam werd toen pas duidelijk in de eindeloze uren die het streed om het leven vast te houden. Ik had daar toen ook moeite mee, ontkwam ook niet aan de gedachte dat ik mijn moeder een waardiger einde zou gunnen. Maar dat was niet het enige. Ik zag dat het goed was dat de dood nog wat uitbleef, het was goed voor mijn vader, goed voor een enkele zus of broer en goed voor enkele van de kleinkinderen van mijn moeder. De tijd van de doodsstrijd gaf deze betrokkenen de tijd die ze nodig hadden om toe te groeien naar loslaten, om zich te verzoenen met het einde, of, zo u wilt, met het nieuwe begin. Misschien had ikzelf die tijd uiteindelijk ook nog wel nodig. Immers, nog bij leven van mijn moeders lichaam trof ik haar geest op de A12 plotseling al bij me in de auto, teken toch van een gevoeligheid die iets moet zeggen over mijn persoonlijke betrokkenheid en daarmee over mijn eigen moeite om los te laten.

Vanavond waren we bij Marie. Steeds weer blijkt het nog minder te kunnen, blijkt een mens lichamelijk nog meer te kunnen vervallen. Ze wacht bij vol bewustzijn op de dood, maar ze kijkt er niet naar uit. Ik wacht ook en ik gun haar het einde van haar lijdende lichaam, haar bevrijding daarvan. Ik gun haar de vrijheid die ik geloof dat ze daarna zal vinden. Zelf wil ze nog steeds het leven niet loslaten. Ook vandaag werd me niet duidelijk wat haar nog hier houdt. Ze spreekt niet over angst, ook niet over vertrouwen. Als ik het daarover heb, kijkt ze me aan en het lijkt alsof ze mijn woorden van vertrouwen in zich naar binnen laat vloeien.

Zes dagen geleden vroeg ze me of mijn vrouw er niet was. Ze was er niet, want ze werkte. Nu was ze er wel en dat was goed. Toen Marie nog wat beter was, namen we af en toe ook onze twee kleindochters mee naar haar toe. Dat stelde ze op prijs. Vanavond vroeg ze me bij het afscheid heel nadrukkelijk om de kinderen de groeten te doen. Meteen daarop vroeg ze hetzelfde aan mijn vrouw. Dat beloofden we.

17-3-2006

Buiten de menselijke maat

Hoe toeschietelijk ben ik naar de ander die ik van dienst zou kunnen zijn? Hoe toeschietelijk bent u naar mij, als u mij van dienst kunt zijn? Is dat niet waar het om gaat tussen mensen? Om het geven van iets van jezelf? Hoe velen verschuilen zich niet achter regeltjes om maar niet te hoeven doen wat ze zouden kunnen en moeten doen? Hoe kil is onze maatschappij daardoor geworden? Als geld een rol speelt, als er al aan je verdiend is en het geld dus binnen, valt de service tegenwoordig soms zo maar stil. Of men wil ook aan die service, die vanzelfsprekend zou moeten zijn, verdienen. Daartoe gebruikt men bijvoorbeeld een duurder 0900-nummer en zet daar bij voorkeur een wachtrij op. Hoe komen maatschappelijke organisaties en instellingen hun klanten tegemoet? Hoe komt het toch dat zovelen vermalen worden of dreigen te worden in de bureaucratische molen? Natuurlijk: het systeem wordt als excuus gebruikt en mensen doen gewoon hun werk, dat wat er van hen verwacht wordt en waarvoor ze betaald worden. Maar is dat echt voldoende reden om mensen die er niet meer uit komen met een kluitje in het riet te sturen? Ieder voor zich en God voor ons allen, zo heet het. Maar vroeger of later heeft toch iedereen de ander nodig? Is het het geld dat in zakelijke aangelegenheden het menselijke aspect zo weinig ruimte geeft? Is het de trend en doe je jezelf tekort als je daaraan niet meedoet? Wie luistert er nog naar de ander en probeert zich een heel klein stukje in diens situatie in te leven?

Natuurlijk, ik weet ook wel dat er misbruik van je gemaakt wordt als je te toeschietelijk bent. Je moet daaraan ook wel grenzen stellen. Degenen die bij bijvoorbeeld uitkeringsinstanties geneigd zijn service te bieden, er voor de klanten te zijn, redden het dikwijls niet. Ze branden af of halen hun 'productie' niet. Dat is de andere kant van de medaille.

Nog maar vijftig jaar gelden kenden we een cultuur waarin plaats was voor iedereen. Als iemand geen hele dagen kon werken, omdat bijvoorbeeld de energie tekortschoot, werkte diegene halve dagen. Maar iedereen deed mee, telde mee. Het werk werd zo nodig aangepast aan de mens en zo hoort het ook. Maar zo gaat het allang niet meer. De mens moet zich inpassen in het systeem dat door denkers is uitgedacht en als dat niet lukt, valt die mens genadeloos uit de boot. Ik heb daar vele voorbeelden van gezien. Het vertrouwen in de maatschappij is bij velen dan ook ver te zoeken, ondanks het feit dat er nog altijd ook wel mensen werken die de menselijke maat nog niet zijn kwijtgeraakt. Als Riagg-hulpverlener zocht ik in vroeger tijd contact met de bedrijfsarts van een instelling voor sociale werkvoorziening om iemand te kunnen plaatsen, tegenwoordig is de procedure zo complex dat ik in mijn werkzame nadagen het zicht erop verloren ben. Duidelijk is dat allerlei instellingen, organen en commissies er een steentje aan bijdragen en er dus de kost mee verdienen willen. Problemen van competentie en competitie spelen alom. Er hoeft maar één vertragende factor in het traject te zitten om het te verlammen. Wat niet gezien wordt, is de mens die daarvan de dupe wordt, terwijl het voorkomen dat mensen eraan tekort komen het eerste zou moeten zijn om in de gaten te houden. Dat onze overheid werk maakt van het opnieuw inzetten van wao'ers lijkt me een goede zaak, maar de verhalen die circuleren vanuit ervaringen rondom doen talloze uitkeringsgerechtigden de schrik om het hart slaan. Ik ken diverse cliënten die de onzekerheid van het afwachten niet aankunnen en professionele hulp daarin behoeven, zozeer hebben ze de angst dat ons zich immer vernieuwende systeem een belasting van hen zal vragen die hun levensgeluk en welbevinden en dat van hun naasten acuut kan doen ineenschrompelen. Ik betreur dat burgers het vertrouwen verliezen en ik zoek de oorzaak daarvan in dit grotere geheel.

Ik geloof niet dat onze ontmoetingen, face to face of aan de telefoon, privé of in het werk, toevallig zijn. We treffen elkaar omdat we iets met elkaar hebben uit te werken, omdat we elkaar een les hebben te leren. Dat kunnen we gewoon nu doen, of voor later bewaren. Ik roep alle werkenden die werken met mensen op althans te pogen zich in de beleving van hun mensen in te leven en met wat ze dan voelen rekening te houden in het verdere handelen. Ieder kan leren om mensen die ertoe neigen misbruik van het systeem en dus van anderen te maken te gaan herkennen. Als hulpverleners in onderling overleg samen deze beleving over een cliënt hebben, is het vroeg genoeg met de betrokkene om de tafel te gaan teneinde hem of haar zelf in te schakelen bij het vinden van een oplossing hierin.

Ik ben bang dat we onszelf tekort doen in de structuur van de maatschappij die we samen bouwen. Het is duidelijk dat in onze ict-economie standaardprocedures nodig zijn. Als maar voorop blijft staan dat deze niets menselijks hebben, is daar ook niets mee mis, al is het harnas van deze structuur soms voor de werkers zelf al te krap om daarin gelukkig te kunnen functioneren. Als zij, de uitvoerenden, voor zichzelf vanwege het systeem geen arbeidssatisfactie vinden, dan hebben ze hun cliënten weinig te bieden, dan werken ze alras aan een lopende band waarop medemensen passeren die niet meer gezien of gehoord worden, maar slechts dienen om er etiketjes op te plakken of standaardhandelingen aan te verrichten. Dat is buiten de menselijke maat en ik denk dat het de verkeerde weg is. Ik vrees dat te veel werkers het eigen gevoel trachten buiten te sluiten om zelf te kunnen overleven, en als dat zo is, deden ze er beter aan uit te stappen uit de trein die zonder uitstappers voort zal blijven denderen.

16-3-2006

Kwetsing

De vrouw kwam, jas al dichtgeknoopt, naar buiten toen de man aan kwam rijden. Hij kwam gehaast de auto uit en moest kennelijk nog wat dingen uit de bagageruimte hebben. Hij deed zichtbaar zijn best zo vlot mogelijk te handelen. De vrouw foeterde omdat hij zo laat was. Hij zei wat terug, maar op mijn afstand kon ik zijn stem niet waarnemen. 'Jij moet eens wat minder staan te zeiken', was haar slotreactie. Ik zag de man een beetje krimpen, terwijl zij instapte en de motor startte om meteen daarna weg te rijden. Het hele gebeuren had misschien een halve minuut geduurd.

Soms ben je zo maar ineens onbedoeld en ongezocht toeschouwer in het leven van derden. Ze kruisen je levenspad en wat je waarneemt, laat een indruk achter, verandert je ook zelf een heel klein beetje. Toen de man ineenkromp, kromp ook ik ineen. Ik voelde mee hoe de opmerking die hij naar zijn hoofd geslingerd kreeg, was aangekomen. De man had zich kunnen verweren, had boos kunnen worden, had een rotopmerking terug kunnen maken, maar van dat alles gebeurde er niets. Hij kromp ineen, vluchtte in zichzelf als een gekwetst dier. Ik weet niet of hem iets toe te rekenen was, maar wel dat ik ook medelijden had met haar. Het kan toch niet goed voelen om wie dan ook met zo'n sneer achter te laten?

Alweer een paar jaar geleden pleegde ik een telefoontje met de politie. Ik gebruikte een nummer dat ik ooit eerder was tegengekomen en dat ik had bewaard omdat ik geen 0900-nummers gebruik en op dat moment ook mijn telefoon voor deze nummers had geblokkeerd. Ik wilde een gevaarlijke situatie doorgeven waar ik zelf niet wat aan had kunnen veranderen. Het nummer functioneerde: heel snel had ik een politiefunctionaris in Driebergen aan de lijn. Maar ik kreeg in het telefoongesprekje van minder dan een minuut niet de kans mijn melding te doen. Het moest kennelijk gaan over het nummer dat ik gebeld had. Ik mocht dat nummer niet bellen, zo werd me te verstaan gegeven. Ik was strafbaar om wat ik deed, zo begreep ik zelfs. De politiefunctionaris gooide de telefoon erop nadat hij uitgefoeterd was. Ik was toen al ineengekrompen, gekwetst. Het bracht me terug bij een andere situatie die ik de politie als gevaarlijk had hebben willen melden. Mijn ervaringen met de politie zijn niet goed, ze zijn belabberd zelfs. Ik ben mijn vertrouwen in de politie kwijt en dat deugt gewoon niet. Ik besloot die melding niet te doen, wilde niet weer afgescheept worden. Een uur daarna verongelukte op die gevaarlijke plek een jonge vader, zo las ik twee dagen later in de krant. Een nieuw mensenkind zou nooit de eigen vader leren kennen.
Gisteren kwam ik weer langs die plek. Altijd als ik er langskom, denk ik aan mijn telefoontje. Altijd opnieuw voel ik de kwetsing die de politiefunctionaris mij meende te moeten meegeven op mijn verdere levensweg. Altijd opnieuw word ik me bewust van de gevolgen die kleine keuzes kunnen hebben.

Mensen op weg hebben altijd ontmoetingen, raken aan elkaar, dat is onontkoombaar. Het is ook goed, want als schepselen van God hebben we elkaar wat te bieden. Soms ben ik toevallig getuige van kwetsing die een ander wordt aangedaan. Juist als de gekwetste door de kwetsuur niet explodeert, maar eronder ineenkrimpt, voel ik de pijn gemakkelijk mee. Dan herken ik in de ander iets van mezelf. Als we iets doen, zouden we het met liefde moeten doen, ook in ons zakelijke werk. Gibran schrijft hoe arbeid zichtbaar gemaakte liefde zou moeten zijn. Want wie met onverschilligheid een brood bakt, bakt een bitter brood dat de honger maar ten dele stilt. 'Wanneer gij met liefde arbeidt', schrijft hij, 'maakt ge een band met uzelf, met elkander en met God.' Als er geen liefde is, maar enkel tegenzin, dan is het beter de arbeid op te geven.

We leven in een verzakelijkte cultuur. We zien en herkennen het ontbreken van arbeidsvreugde op vele plaatsen, steeds weer. Op deze bodem groeit het kwaad van de kwetsing. Werken zonder vreugde kwetst om te beginnen het eigen ik en vervolgens de medemens die je ontmoet. In Gibrans wijze van denken kwetst het ook God. Alle kwetsing roept frustratie op, machteloosheid, woede, verzet. Dat zijn de juiste ingrediënten om de cirkel rond te maken: de gekwetste die het eigen gevoel niet (meer) weet te overstijgen maakt nieuwe slachtoffers door zelf ook te kwetsen. Maar waar het om gaat, is het geheel andere. Het gaat erom het eigen ik en vervolgens elk ander op waarde te schatten, serieus te nemen en te pogen niet nodeloos te kwetsen. Daar is voor nodig op de weg te zijn waarop de eigen kwetsing overstegen kan worden en daar is zelfliefde voor nodig. Wie zichzelf liefheeft en serieus neemt, heeft de ruimte om liefde voor de ander te verwerven. Wie om de eigen fouten kan glimlachen, kan dat al snel ook om die van de ander. Wie geleerd heeft om te moeten werken om te leven en niet andersom, laat zich niet langer uitbuiten en opjagen, maar is er voor de anderen die hij in het werk ontmoet. Wie ophoudt om slachtoffer te zijn, houdt op met slachtoffers te maken.

14-3-2006

Halsstarrig

Gisteren was ik bij Marie. Toen ik binnenkwam probeerde ze onder de dekens een sjekkie te rollen. Het is het enige dat ze nog heeft. Toen ik haar aan de arm had, om even in de kamer te gaan zitten roken, kreeg ik beelden vanuit films uit concentratiekampen. Zo is ze nu, Marie. Ze kan geen veertig kilo meer wegen. Het zijn haar laatste dagen. De mensen om haar heen zijn goed voor haar, ze doen hun best. Zij is er dankbaar voor, nog altijd. Achtentwintig jaar heb ik van alles voor haar kunnen doen, nu houdt het op. Ze ziet dat zelf ook. 'Ik wil nog leven', zegt ze en ze slaat de spijker op de kop. Daarom is ze er ook nog. 'Het lijkt me genoeg geweest', zeg ik, 'je mag het loslaten. Ik geloof dat het goed komt met je.' En ik zie me met haar aan de arm in de regen aan het graf van haar peettante, direct nadat het was dicht gedolven. Ik denk dat ze toen voor het eerst in haar leven de dood heeft toegelaten. Nu ze zelf aan de beurt is, is het nog moeilijker. Ze heeft van het leven gehouden, hoe gebrekkig het menselijk gesproken ook geweest is. Ze houdt er nog immer van. 'Zou het niet het mooiste zijn, Marie, als je nu op een morgen gewoon niet meer wakker wordt?', zeg ik. Ze kijkt me aan, intens verdrietig. 'Ik wil nog leven hè', zegt ze weer. En even later: 'Maar het gaat niet meer.'

Stervenden laten zich soms tegenhouden door een achterblijver die nog niet kan loslaten. Ik denk niet dat dat bij Marie zo is. Marie houdt zichzelf nog tegen, kan zich nog niet overgeven. Marie is halsstarrig, zoals alleen Marie dat kan zijn. Ik bid dat ze leert loslaten.

13-3-2006

Autonomie

Hoe is dat met kinderen die door hun ouders gefixeerd worden aan wie zij denken dat ze zijn? Het gebeurt zo gemakkelijk. 'Dat vind jij niet leuk.' 'Dat lust jij niet.' 'Dat is niet goed voor je.' 'Dit moet je eten!' 'Dat kun je niet.' Het is jammer als een kind zo niet de volledige ruimte krijgt waar het recht op heeft om zichzelf te ontdekken en te vinden. Het gezag van de ouder is nog zo belangrijk voor het kind. 'Dat lust jij niet', wordt zo gemakkelijk vertaald in 'Dat lust ik niet.' Dat is jammer. Het maakt onnodig afhankelijk. Het beperkt de ruimte van de eigen autonomieontwikkeling.

Hoe is dat als volwassenen niet geleerd hebben van zichzelf uit te gaan, maar zijn blijven hangen in de al dan niet schijnbare autonomie van de ander, zich daarvan afhankelijk hebben gemaakt? Heteronome volwassenen kleuren mee met hun omgeving, vertonen vaak zelfs sociaal wenselijk gedrag en weten op den duur niet meer dat ze iemand zijn die uniek is en dus niet af te meten aan welk ander individu dan ook. Deze mensen zijn misschien wel gemakkelijk in de sociale omgang, je krijgt veel van ze gedaan of ze zeggen makkelijk 'ja', maar komen beloftes vervolgens niet of moeilijk na. Het zijn de mensen die een afhankelijke of vermijdende persoonlijkheid ontwikkelden. Het zijn ook de werknemers die de baas zonder grens kan manipuleren en die zich zelfs dood kunnen laten werken. Dat gebeurt letterlijk. Deze mensen offeren hun leven aan hun broodnodige erkenning en waardering, ze stellen geen duidelijke grens, houden zich niet aan de eigen grenzen, ervaren deze zelfs niet. Ze offeren vaak eerst al hun relatie en gezin en geven uiteindelijk hun leven. Dat komt meer voor dan de lezer wil geloven.

Het is in het kind dat de aantasting van de eigen autonomie begint. Het is veelal de ouder die hierin het zelfbeeld van het kind bepaalt. Vaak is het één ouder en sluit de ander, om onenigheid uit de weg te gaan, zich maar aan. Mogelijk zoekt de dominante ouder in zijn of haar partner een tegenwicht, is hij of zij op zoek naar diens grenzen die maar niet te vinden zijn en wordt vervolgens het kind het slachtoffer, letterlijk het kind van de rekening. Als één van de partners niet meer wordt gecorrigeerd, kan hij of zij dikwijls alleen nog maar gekker en gekker worden. Het wordt dan ook steeds erger: in deze systemen worden kinderen gekleineerd, gemanipuleerd, emotioneel gechanteerd, mentaal mishandeld en soms uiteindelijk gewoon doodgeslagen. Ze verliezen hun gevoel van eigenwaarde of leren dat te baseren op valse eigenheid, vals, want niet passend en dus niet echt.

Het probleem is dat de voor het kind invullende ouder wellicht zelf ook tekortgekomen is, onvoldoende zelfbeeld ontwikkelde, niet echt autonoom werd. Of het probleem is dat de meegaande ouder, degene dus die zich aan de dominante ouder aanpast, geen grenzen geeft die de medeopvoeder echter wel verlangt en nodig heeft. Het probleem is dat de opvoeders verschillende ideeën over opvoeding hebben, maar hun gevoelens over waar het bij de ander fout gaat niet kwijt kunnen, al was het alleen maar omdat niet geleerd werd gevoelens te delen. Het probleem is dat voor het besturen van een auto een rijbewijs vereist wordt, een zekere basiskennis en een begin van ervaring, maar dat bij een huwelijk voor de ambtenaar van de burgerlijke stand geen proeve van autonomieontwikkeling of van opvoedingsbekwaamheid gevraagd wordt. Het probleem is dat hier huwelijkskandidaten het slachtoffer worden van de tekorten die één of beiden opliepen in hun eigen opvoeding en dat daaruit vaak alras nieuwe slachtoffers geboren worden.

12-3-2006

Totdat alles samenvloeit ...

Zondag, zonovergoten, maar nog altijd koud. De tv staat bol van de religieuze programma's. Dat is goed, ik kijk altijd graag wat, neem de beelden in me op, luister naar wat gezegd wordt als ik stil word. We leven in een overwegend christelijk land. Ook zij die het geloof achter zich lieten, zijn er veelal nog niet van los. We weten waar we het over hebben.

Inderdaad: de christelijke boodschap is die van een redder van mensen die doodgemarteld wordt, zelfs moet worden, om de schuld van alle mensen te dragen. Ik ken die boodschap zo goed. Als ik de overgave zie waarmee gelovigen in woord en lied immer weer deze aloude boodschap doen weerklinken, kan ik zelfs jaloers worden en verlangen dat ook ik dit geloof zou hebben. Maar ik heb het niet, ik ben het kwijtgeraakt, het past niet meer bij mij, bij hoe ik de dingen van geloof en leven ervaren en verwerkt heb.

Al jong maakte ik me druk om de kinderdoop, volgens mij niet bijbels, die in de kerk waarvan ik lid was werd gepraktiseerd. Nog altijd vind ik voor dit ritueel geen bijbelse grond, maar het doet er niet meer toe. Als mensen zo hun geloof kunnen beleven, lijkt dat me goed. Religie heeft de functie onze oerangsten beheersbaar te maken en als dat lukt, is elke religie goed. Toen ik twintig was, schreef ik mijn moeder: 'Bid en u zal gegeven worden, is niet waar. Niet bij mij.' Dat was mijn ervaring ook, bijvoorbeeld in relatie tot diezelfde moeder, die immer tobde met gezondheidsproblemen. Ik kon bidden wat ik wilde: het was niet waar en het werd ook niet waar, nooit. Wat is er voor een opgroeiend kind belangrijker dan een gelukkige moeder te hebben? In die jaren heb ik me verdiept in het pinkstergeloof, waar wonderen wel mogelijk leken. Maar wat lijkt hoeft niet te zijn. Natuurlijk, er zullen wel wonderen gebeuren, maar ik geloof niet meer dat er een directe samenhang is met bidden om gezondheid. Ook predikers als Jomanda hebben me die visie niet ontnomen.

Toen werd onze zoon geboren en we werden min of meer achter de broek gezeten om hem te laten dopen. Ik ervoer de kerk, waarvan we in die tijd lid waren, als dood. Met een groep jongeren hadden we geprobeerd voorstellen aan de kerkenraad te doen met het doel de kerk voor jongeren aantrekkelijker te maken, maar onze ideeën waren misbruikt om doelen van de predikant er bij de kerkenraad door te krijgen. Toen hebben we ons uit de kerk uit laten schrijven en ben ik een 'vrije gelovige' geworden. Lange tijd had dat niet echt veel om het lijf, maar kennelijk bleef ik op zoek. Later merkte ik dat met name boeddhistische elementen in mijn geloven gingen binnenkomen. Vorig voorjaar ben ik, ter gelegenheid van de geboorte van mijn kleinzoon, een drietal weken in een boeddhistisch klooster geweest. Ik merkte toen dat ook de daar gehanteerde rituelen me niet pasten, me onvrij zouden maken en ik concludeerde ten slotte dat het goed was om vrij te blijven, een 'vrije gelovige'. Ik merk sindsdien dat ik dat gegeven tot eenheid kan brengen met mezelf en me daar wel bij kan voelen.

Het is goed als mensen een standaardgeloof aanhangen. Er is niets tegen christendom, zolang het maar passend is en de beoogde functie goed vervult. De leegloop van sommige kerken moet volgens mij echter samenhangen met dat velen deze manier van geloven niet langer tot eenheid brengen met zichzelf. Zij zijn degenen die, net als ik dat deed, de eigen zoektocht beginnen die overigens vaak aanvangt met een voorlopige afwending van alles wat met geloven samenhangt. Dat is niet erg. Het moet in het leven nu eenmaal vaak eerst leeg worden, voordat vervulling mogelijk wordt.

Ik weet niet goed meer wat God is, zie het niet meer als persoonlijk, meer als som van alle delen. God is al wat is. Ik kan God ontmoeten in u als medemens, u kunt dat in mij. Ons leven is een geheimenis, ik geloof niet in het toeval daarin. Als onze wegen elkaar kruisen, heeft dat een hoger doel dat overigens meestal nog niet te achterhalen is. Als u en ik iets niet goed uitpraten, niet afwerken, treffen we elkaar opnieuw, vroeger of later. Het mysterie van het leven zal immer nieuwe kansen bieden, totdat alles samenvloeit, een wordt en terugkeert in het goddelijke waar het uit voortkwam.

Ik verlang naar de zomer. Op mijn fiets in Gods vrije natuur, vreemd dat ik juist daar zo gemakkelijk het goddelijke ontmoet, in de stilte, in de schoonheid, het licht, de hemel en in u.

8-3-2006

Begrafenis

Gisteren waren we op de begrafenis van Bun. Hij is 64 geworden. Zijn vrouw was als oudere tiener en jonge twintiger met mijn vrouw bevriend. Zij en ik werkten een tijdje samen in een psychiatrische kliniek. Bun overleefde in die tijd een ernstig schedeltrauma. Ze trouwden en plotseling vraag ik me nu af of ik op hun receptie toen niet gefotografeerd heb. Als dat zo is, zou ik die foto's nog wel eens willen zien. Als ik me goed herinner, had ik toen verhoging vanwege een vaccinatie tegen pokken, waarvan de directeur van het algemene ziekenhuis waar ik toen werkte vond dat ik die alsnog moest hebben. Niet lang daarna zijn deze vaccinaties afgeschaft, maar de voorspelling van deze directeur was toentertijd dat het na afschaffing een kwestie van tijd zou zijn voordat de pokken hun rentree zouden maken.

Een paar jaar geleden fietsten we langs hun woonplaats. Ik belde, naar zou blijken op slechts een paar honderd meter afstand van hun huis, om te horen of er iemand thuis was. Bun verwelkomde ons hartelijk, zette thee voor ons, belde met zijn vrouw om te melden dat wij aan waren komen waaien. Dat was de laatste keer dat we hem zagen en spraken. In een paar maanden tijds stierf hij aan kanker.

De begrafenis was op een begraafplaats in het bos op de Veluwe, op gehoorsafstand van de A50. Ze zouden naar daar verhuizen, waren aan het bouwen. Het was een zonnige dag, maar de sneeuw was op de Veluwe nog lang niet weg. De paden op de begraafplaats waren modderig en de waterleiding in het geopende toilettenhuis nog afgesloten. Een christelijk gereformeerde begrafenis was het, heel plechtig met statige dragers in het donker en hoge hoeden. Ik vind dat prima, maar voor mezelf verlang ik die statigheid niet. De dood hoort bij het leven en ik zou, als 't mijn beurt is, wensen dat het er bij mijn dood even gewoon aan toe gaat als bij mijn leven. Het lichaam heeft op dat moment z'n taak als voertuig van de ziel voltooid. De ziel heeft zich losgemaakt, is naar ik geloof dan vrij. Voor mij mag een begrafenis wat feestelijks hebben, alhoewel ik ook wel zie dat dat voor rouwende achterblijvers soms ook te pijnlijk kan zijn. De dood komt als het leven is voltooid, dat geloof ik. Over het mysterie van kinderen die sterven wil ik graag later nog wel eens schrijven. Zonder rouwende ouders te willen kwetsen, geloof ik dat ook hun leventjes zijn voltooid, dat hun lessen zijn geleerd en dat het daarom tijd is terug te keren naar de Bron.

Koffie na de begrafenis. Dat is goed: het leven gaat door. Prima als dat zichtbaar wordt, prima dat er gelachen wordt. Zo voel ik dat. Ik wil hen die dat anders voelen graag respecteren. Natuurlijk, ik wil geen verdriet ontkennen. Zeker bij een plotseling sterven verdienen verdriet en pijn alle ruimte die nodig is om ze goed te doorleven. Het kan ondraaglijk zijn als jonge kinderen een ouder verliezen of ouders een kind. Maar pijn hoort bij het leven, pijn komt op je weg om erdoorheen te gaan. Laten we niet wegvluchten van zulke pijn, maar er bij willen zijn, mee willen dragen, laten we deelgenoot worden.

Na de begrafenis zijn we naar Marie gereden. Dat een lichaam zo weg kan teren ... Marie is nog altijd dankbaar voor alles wat ze krijgt, ook al krijgt ze er bijna niets meer in, ook al verlaten haar krachten haar van week tot week verder. Ze is rustig, blijft denken dat ze nog niet zo direct dood zal gaan. 'Kun je er nog een beetje moed inhouden?' vraag ik. Ze kijkt me doordringend aan: 'Het gaat niet meer.' Kan ze het leven nog niet loslaten? Wat een mysterie, zo'n stervensproces. Wat zou ik haar gunnen dat ze in vrede gaat, haar lichaam loslaat om terug te keren naar vanwaar ze kwam. Wat gun ik haar, die tijdens haar leven zo ongelooflijk weinig voor zichzelf vroeg, dat ze met gulheid onthaald zal worden.

7-3-2006

Ruimte voor emotionaliteit

Onlangs bewerkte ik een stukje video. Ik had mijn kleindochters gefilmd, samen met mijn vrouw, en ditmaal had ik een tijdje gewoon door gefilmd, ook als er iemand door beeld liep en dergelijke. Toen ik met monteren bezig was, ontdekte ik dat ik tijdens het filmen me niet echt bewust geworden was van wat ik filmde. Het filmen zelf eiste waarschijnlijk mijn concentratie al voldoende op.

Ik zie mijn kleindochters, vijf en drie, de oudste aan één kant van de bank gezeten, de jongste pogend zich tussen haar en de leuning in te wurmen. Licht verontwaardigd is de oudste. Ze maakt een paar redelijk vriendelijke opmerkingen, maar laat duidelijk merken dat het haar niet zint en dat ze het niet normaal vindt wat haar zusje doet. 'Dat kun je ook gewoon vragen!', vang ik op. De jongste eet een stuk brood. Inmiddels zit mijn vrouw aan het andere uiteinde van de bank. Als de jongste de boter aan haar schone vest wil smeren, grijpt ze in: 'Niet aan je vest smeren!' De jongste schrikt, betrekt, trekt zich in zichzelf terug. Dat is, als je het zo op video terugziet, een proces in een glijdende schaal. Je ziet haar gewoon steeds verder in zichzelf inkeren. Intussen heeft mijn vrouw haar een doekje aangereikt om de handen aan af te kunnen vegen en dat doet ze ook netjes. Dan blijkt de oudste nog een broodje te hebben en wil de jongste er net zo één. Ze barst hartstochtelijk in huilen uit, volgens mijn invulling niet om het broodje, maar om de kwetsing die ze kort tevoren opliep. Op dat moment is mijn vrouw er even niet bij. De oudste kijkt af en toe naar haar naast haar zittende zusje, heeft haar aandacht kennelijk niet meer bij de video die ze zat te kijken, streelt haar zusje eerst over de arm, daarna voorzichtig over de wang. De jongste gaat dan, al huilend, in de weer met haar weelderige haarbos en maakt zo haar wangen en voorhoofd vrij van haar. Juist op dat moment geeft de oudste haar, zonder een woord, een kus op de wang. Dan komt mijn vrouw poolshoogte nemen. De jongste maakt met horten en stoten, half verstikt door tranen en snot, duidelijk dat ze net zo'n boterham als haar zus wil en mijn vrouw gaat op weg om die klaar te maken. De jongste huilt nog wat door, vindt het wellicht ook interessant zo op het medelijden van haar zus te spelen. De oudste streelt haar nog eens over de mouw en het hoofd en even later buigt ze zich naar haar toe: 'Stil nou maar, oma is 't toch al aan het halen?' Dan volgt opnieuw een kusje, maar de jongste stopt niet met huilen voordat ze haar tanden in het gewenste broodje gezet heeft.

Ik vond het een heel ontroerend stukje. Het riep veel gevoelens bij me op, ik denk vanwege alle gevoelens die ik gaande die minuten zag passeren, sterker zag worden en zag afnemen, bij elk van de twee. Het mooie vond ik de volstrekte openheid, een openheid die ik zelf als kind nooit zo heb gehad, denk ik. Het ongenoegen, de schrik, het verdriet, de boosheid, het medelijden, het verlangen te troosten en het verlangen de gevonden aandacht te continueren, alles kreeg z'n plek en dat vrijwel zonder tussenkomst van een volwassene. Een prachtig stukje film.

Wat doen we als volwassenen met onze gevoelens? Velen leerden de eigen gevoelens te negeren en er overheen te leven. Zo is dat ook mij vergaan. Als het delen van je gevoelens je kwetsbaar maakt, als het vroeger of later als een boemerang naar jezelf terugkeert en tegen je gebruikt wordt, wil je als kind wel leren over je gevoelens heen te leven en het allemaal netjes op te bergen voor later. Dat is niet best. Daarvan heb ik in mijn werk als hulpverlener meer dan genoeg voorbeelden gezien. Natuurlijk, als zoiets eens een keer gebeurt, zal het wel goed komen. Misschien zal het je zelfs sterk maken. Het probleem ontstaat als er systematisch geen ruimte bij de meest nabije volwassenen (en kinderen) om je heen is voor jouw gevoelens. Het opsluiten ervan zal op den duur vrijwel zeker tot allerlei problemen leiden, tot een geblokkeerde persoonlijkheidsontwikkeling, tot psychische, psychiatrische of lichamelijke klachten. Vaak is het dan zo dat heling slechts mogelijk is nadat de vroeger afgeweerde kwetsing en pijn alsnog worden doorleefd. Veel mensen hebben daar professionele hulp bij nodig. In onze cultuur hebben 'gewone mensen' niet al te veel ruimte voor emoties van derden. Sociale vorming is nog immer niet belangrijk genoeg om in het lespakket op school te worden opgenomen.

Mijn stukje video maakt me duidelijk hoe belangrijk het is als kind volop ruimte te vinden voor al je emotionaliteit. Het vervult me met vreugde bij mijn twee meiden bij het vrij uitstromen van de gevoelens te mogen zijn. Prachtig dat de oudste al meeleeft, de gevoelens van haar zusje volgt en probeert er voor haar te zijn, ook al wordt ze daarin mogelijk misbruikt.

1-3-2006

Ziekenzalving

Marie is er nog steeds. Ze is inderdaad een taaie, maar toch, heel langzaam dooft haar vlammetje. Ik zei haar vanmiddag maar weer eens dat ze langzaam maar zeker doodgaat. Ze is zo goed in ontkennen. 'Ik weet niet', zei ze, 'het is voor 't eerst dat ik het meemaak.' De pastoor kwam en ze kreeg de ziekenzalving. Ik begrijp nu dat die tegenwoordig is gecombineerd met het 'bediend' worden. Ook vandaag begreep ze die vernieuwing niet, twijfelde. Toen ik na afloop nog even met haar doorpraatte, vroeg ze of ze nu 'gewoon bediend' was. Dat heb ik bevestigd. 'Het is voor 't eerst dat ik het meemaak', zei ze weer. Het voelde haar goed, zoveel was me wel duidelijk.

Het was ook voor mij de eerste keer dat ik deze ceremonie meemaakte en het ontroerde me zeer. Tranen liepen me over de wangen. Ik schaam me daarvoor niet meer. Tranen zuiveren de ziel, nietwaar? Heel rustig verschoof de pastoor het kastje, stak daarop twee kaarsen aan, legde de bijbel erbij, het water en de olie. De naaste familie kwam erbij. Aan Marie werd uitgelegd wat er zou gebeuren en ze was er, weggedoken onder haar dekens, helemaal bij. Daarna de rituelen: ze was erbij en het was goed. Wat mooi als een stervende geen verdovende medicatie nodig heeft! Ontroerend was het zalven met olie van haar hoofd, haar oren, ogen, neus, mond, handen en voeten. 'De ogen waarmee je zoveel hebt gezien, goed en kwaad, de handen waar je als kind mee hebt gespeeld, waar je later mee hebt gewerkt.' Zo kwam ze even dichterbij dan ooit, mens die ze was en is, bijzonder mens, uniek. Voor mij voelde ze in die momenten de meest bijzondere mens die ik heb gekend en zo voel ik dat nog. Het is me een eer dat ik zoveel jaren contact met haar heb mogen hebben. Haar zus, eerder net zo als de dood voor de dood als Marie zelf, was er ook bij. Samen maakten ze het mee, zij die allebei de begrafenis van hun eigen moeder niet bijwoonden omdat ze de dood niet konden toelaten. Samen werden ze er kennelijk klaar voor. Wat een rijkdom!

Toen ik vertrok, was de wereld maagdelijk wit door inderhaast gevallen sneeuw, een prachtig gezicht. En de straten waren spiegelglad.

- -