- -

27-4-2006

De ziel uit de zorg

Dit stuk is verplaatst naar mijn zorglog.

11-4-2006

Als een dubbeltje op z'n kant

Voorbije zondag een viering met een preek van Aty van Noort, tot voor een jaar of vijf voorganger in de wijk waar ik woon. Kort, kernachtig, recht uit de mens, direct uit het hart. Dus treffend, ontroerend, bezielend. Met zo'n bezieling mag de kerk nog hoop voor de toekomst hebben, lijkt me.

De preek gaat deels over Jeremia. Wat me is bijgebleven is het thema: ons leven rolt als een dubbeltje op z'n kant. Valt het naar links of naar rechts? Wordt het ja of wordt het nee? Onze hele levensweg zit vol van keuzes op het scherp van de snede: kiezen we voor go(e)d of kiezen we voor kwaad?

In de assertiviteitstrainingen die ik bijna mijn hele arbeidzame leven heb gegeven, gebruikte ik ook zo'n soort beeld. Het gaat daar om de keuzemomenten: zeg ik ja (terwijl ik nee zou willen zeggen), of zeg ik hoe ik er tegenaan kijk en kies ik ervoor m'n eigen grenzen te respecteren. In assertiviteitstrainingen respecteren velen de ander meer dan zichzelf en doen van daaruit zichzelf, vaak chronisch, te kort. Ik gebruik ook wel het beeld van het levensautootje: Ieder rijdt het eigen levensautootje, een leven lang. En met ieder rijdt af en toe een ander mee, soms ook meer tegelijk. In tegenstelling tot wanneer de bestuurder in een echte auto rijdt, staat hij of zij in het eigen levensautootje ieder die een stukje meerijdt toe naar willekeur aan het stuur te trekken. In de echte auto zou je dat levensgevaarlijk noemen, in het levensautootje is het dat op den duur evenzeer! Natuurlijk: het is goed om de ander tegemoet te komen, van dienst te zijn. Maar niet als dat niet van harte is, als dat tegen jezelf indruist, als dat tot gevolg heeft dat je jezelf zo opzij schuift dat je niet tot je recht komt of dat je zelfrespect eronder lijdt.

Gisteren hebben we Marie begraven. Ook haar leven rolde als een dubbeltje op z'n kant. Alleen, haar zieke geest ontnam haar dikwijls de keuzevrijheid. Haar keuze is, denk ik, dikwijls bepaald geweest vanuit overlevingsdrang.

In de kerk mocht ik enkele woorden zeggen. Voor wie we ze (her)lezen wil, neem ik ze hieronder over:
Goede mensen, ik ben blij vandaag het voorrecht te hebben te midden van u allen, die Marie in haar leven nabij bent geweest, te mogen zijn. In de 28 jaar die ik Marie heb mogen kennen, heb ik vele namen van haar gehoord zonder te weten wie de mensen achter die namen waren. Ik neem aan dat ook juist die mensen vandaag door Marie hier samenzijn. U zult het met me eens zijn: Marie was een bijzonder mens. Ik voel haar in deze dagen als de meest bijzondere mens die ik kende. Steeds ook weer dringen zich beelden aan me op van het verblijf van Marie met mijn vrouw en mij in Rome en met name zie ik ons op het Sint-Pietersplein, in de Sint-Pieterskerk, waar we alle dagen van ons verblijf kwamen. Marie wilde naar de paus. Marie wás bij de paus. Er was vijf meter tussen haar en hem. Ik noem dit, omdat het voor Marie de reis van haar leven was. Samen met haar gingen we omhoog naar de koepel. Sommigen van u zullen dit herkennen. Maar Marie durfde op een bepaald moment niet hoger en we posteerden haar in een hoekje waar ze kon zitten en vroegen haar daar op ons te wachten. We dachten, als het te ver zou zijn, naar haar terug te zullen kunnen keren. Maar de route bleek eenrichtingsweg: we moesten door en konden niet terug en de route was veel langer dan gedacht. En toen moesten we om die immense kerk heen, om de ingang van de route terug te vinden. En toen stond daar een file van wachtenden. We namen in overleg met een bewaker een ingang die niet genomen mocht worden en we vonden Marie op de plek waar we haar achterlieten. Ze had nog een Nederlandse mevrouw gesproken, vertelde ze opgetogen. Tegen het verkeer in keerden we naar de ingang terug. En dan: mijn bezorgdheid in die minuten tegenover haar totale onbezorgdheid! Er kon Marie gewoon niets gebeuren!

Marie is gestorven, na een lange en uitputtende strijd. Al een maand geleden schreef ik: 'Stervenden laten zich soms tegenhouden door een achterblijver die nog niet kan loslaten.' Ik denk niet dat dat bij Marie zo was. Marie hield zichzelf nog tegen, kón zich nog niet overgeven. Marie was nu eenmaal halsstarrig, zoals alleen Marie dat kon zijn. Ik bad in die dagen dat ze zou leren loslaten. Twee weken geleden schreef ik: 'Ik merk dat ik er stil van word, dat woorden niet meer kunnen bevatten wat er gebeurt en wat ik voel. Ik heb verdriet om Maries lijden, haar nog immer niet los kunnen laten en zich overgeven. Steeds weer praat ik erover met haar. Ze lijkt dat ook zo te willen. 'Het gaat niet meer', zegt ze en ze weet dat ze dood zal gaan. Maar haar hart is taai, haar geest weerbarstig en vooral dat laatste is het dat haar nog hier houdt, denk ik. Sterven heeft kennelijk tijd nodig.'

Marie had altijd al tijd nodig om zich gewonnen te geven, soms veel tijd. Onverzettelijk kon ze zijn en in die koppige onbuigzaamheid heb ik in de loop der jaren heel wat strijd met haar gevoerd. Eigenzinnig als ze was, wist ze precies wat ze wel en niet wilde en wat ze zich in het hoofd gezet had, was daar niet uit weg te praten. Maar eigenzinnigheid was niet het enige gelukkig: Marie was onbaatzuchtig en vroeg niets voor zichzelf. De hang naar materieel bezit was haar totaal vreemd. Elk bezit ervoer ze eerder als last dan als lust. Ze was dankbaar voor alles, maar dan ook alles wat ze wel accepteren kon en die dankbaarheid uitte ze ook. En ze was bescheiden, bijna akelig bescheiden. Pas na haar sterven bedacht ik hoe haar twijfel wat het geloof betreft - ik sprak daar in haar laatste weken herhaaldelijk over met haar - geduid moet kunnen worden in het licht van deze bescheidenheid. Marie eigende zich God niet toe, evenmin als ze zich nimmer tijd, energie of bezit van een medemens toe-eigende. Ze was 'baas van zichzelf' en zichzelf genoeg. Het rijkst is wie het minst verlangt, zei Seneca.

Twee dagen voordat Marie zich wel over móést geven, schreef ik: De dood alleen kent de genade de chaos op te ruimen die geen mensenkind meer op orde brengen kan. En nu: Marie is er niet meer, want ze is vrij. Ze liet haar doodzieke lichaam achter en herwon de ruimte waarin ze kan gaan en zijn waar ze wil, waarin ze voor ons die achterblijven eindeloos ver verwijderd is en, o wonder, tegelijk dichterbij dan ooit.

6-4-2006

Baas van zichzelf

Marie is in het eerste uur van de voorbije nacht gestorven. Ik ben kort daarna bij haar lichaam geweest. Het was goed, heel goed. Ze is niet in eenzaamheid gestorven. Een vrijwilligster van de terminale thuiszorg was haar liefdevol nabij.

Vandaag de contacten met haar familie, haar medebewoners, de leiding van haar tehuis, de begrafenisondernemer, de pastoor, de notaris en, volgens plaatselijk gebruik, de nabije buren. Het was goed, alles was goed.

Ik had de eer Marie, samen met de uitvaartverzorger, vanuit haar huis naar de lijkauto te mogen dragen. Tot op dat moment had ik haar na haar sterven niet meer ontmoet. Vreemd, maar als mensen die me nabij zijn overlijden, komen ze soms onverwachts bij me terug. Niet dat ik ze zie, maar ik kan ze voelen en dat is haast reëler voor me dan wanneer ik ze zou kunnen zien. Zo stond een cliënt van me die zich suïcideerde de nacht nadat ik hem voor de politie had geïdentificeerd plotseling aan mijn bed. En mijn moeder trof ik al bij me in de auto, terwijl haar lichaam in het ziekenhuis nog het laatste stukje doodsstrijd streed. Van Marie realiseerde ik me vanmorgen dat ik haar nog niet had gevoeld. Totdat ik na een kop thee het tehuis waar ze woonde verliet. De lijkwagen bleek er nog steeds te staan. Plotseling had hij niet meer willen starten. En hij haperde anders nooit, zo hoorde ik! Een schok ging door me heen. De onwillige auto was me op hetzelfde moment geheel in de geest van Marie. Ik realiseerde me dat ze, al kon ze niet meer leven, niet kon kiezen voor de dood, niet echt. Wellicht verzette ze zich op datzelfde moment nog steeds ... Sterk voelde ik in die ogenblikken het meerdere tussen hemel en aarde.

Inderdaad: Marie had altijd al tijd nodig om zich gewonnen te geven, soms veel tijd. Onverzettelijk kon ze zijn en in die koppige onbuigzaamheid heb ik in de loop der jaren heel wat strijd met haar gevoerd. Eigenzinnig als ze was, wist ze precies wat ze wel en niet wilde en wat ze zich in het hoofd gezet had, was daar niet uit weg te praten. Maar eigenzinnigheid was niet het enige gelukkig: Marie was onbaatzuchtig en vroeg niets voor zichzelf. De hang naar materieel bezit was haar totaal vreemd. Elk bezit ervoer ze eerder als last dan als lust. Ze was dankbaar voor alles, maar dan ook alles wat ze wel accepteren kon en die dankbaarheid uitte ze ook. En ze was bescheiden, bijna akelig bescheiden. Vandaag bedacht ik hoe haar twijfel wat het geloof betreft geduid moet kunnen worden in het licht van deze bescheidenheid. Marie eigende zich God niet toe, evenmin als ze zich nimmer tijd, energie of bezit van een medemens toe-eigende. Ze was 'baas van zichzelf' en zichzelf genoeg. Het rijkst is wie het minst verlangt, zei Seneca. Plotseling kan ik Marie nu als voorbeeld zien.

5-4-2006

Terug naar de ziel van de zorg

Ik schreef al eerder over bureaucratie in de hulpverlening. Gisteravond bezocht ik een collega met wie ik het goed kan vinden. Toen ging het ook even over zijn problemen met alle administratieve verplichtingen. 'Ik wil gewoon een goed gesprek voeren', zei hij letterlijk 'en niet al dat gedoe eromheen.' En hij attendeerde me op nog iets anders: het plotseling fors toegenomen aantal suïcides bij cliënten van onze instelling. Een samenhang van deze toename met het dienen van het informatiesysteem kan slechts vermoed worden, dat zie ik ook wel.

De praktijk is anders dan dat er 'gewoon' een goed gesprek gevoerd kan worden. Administratieve systemen worden regelmatig vernieuwd. Codes worden veranderd en diverse combinaties van codes worden als fout uitgespuwd en keren keer op keer bij degene die ze aanleverde terug. De computer is hardleers en zonder begrip. Secretaresses weten er kennelijk geen raad mee en beloven het uit te zullen zoeken en als dat ook niet lukt, besluit ik uiteindelijk maar met zo'n cliënt gewoon mijn werk te doen en houd ik de contactgegevens verder buiten de administratie. Dat impliceert dat mijn instelling voor deze contacten niet meer wordt betaald. Dat ikzelf zo doende niet aan mijn productie kom, godgeklaagd dat ik het zo moet schrijven, raakt me inmiddels minder. Maar ik verkeer in de bevoorrechte situatie van afbouwing van mijn werkzaamheden en voor anderen ligt het niet zo makkelijk. Dat zie ik ook wel.

Al schrijvend voel ik mijn agressie naar dit alles. Maar ja, ik ben iemand die, als ik op het moment van een afspraak met een cliënt het gebouw van mijn instelling binnenkom en dan nóg een extra cliënt tref die op mij wacht en die vooraf met de administratie belde om te vragen hoe laat ik aanwezig zou zijn, beseft dat er iets dringends aan de hand moet zijn, waarvoor ik ruimte moet maken, of dat nu uitkomt of niet. Als het er op aankomt, moeten 'mijn mensen' op me kunnen rekenen. Is dat ouderwets? Of is dat alleen maar zoals het moet? Ik heb er moeite mee dat ik, naast mijn werk zoals ik dat zie, informatie die in het dossier is opgetekend keer op keer moet overschrijven op daarvoor geëigende formulieren. Maar ik mag niet klagen. Mijn ingesproken brieven worden nog immer door de secretaresse getypt. Dat is een soort verworven recht, omdat dat vroeger nu eenmaal zo ging. De jongere generatie heeft dat recht niet meer en mijn collega's besteden dus nog meer van hun uren aan het eigenhandig voeden van het administratieve oppersysteem. Nee, ik mag niet klagen. En toch bekruipt me nog immer het gevoel dat er iets niet klopt, dat het beter zou moeten kunnen. Het systeem naar menselijke maat te smeden: dat zou ik als een uitdaging kunnen zien. Ik verlang maar één ding: terug naar de ziel van de zorg en weg met alles wat dat in de weg staat.

4-4-2006

Leerzame dagen

Omdat ik er die nacht niet van slapen kon, ben ik gistermorgen naar Marie teruggegaan. Een uur heb ik bij haar gezeten, mijn hand op de hare. Het leek haar rustig te maken. Ik heb herinneringen opgehaald en ze was erg helder. Toen ik begon over onze aanvaringen en zei dat in elk goed huwelijk aanvaringen voorkomen, lachte ze. In het verleden heb ik wel eens gekscherend tegen haar gezegd dat ik, als ik niet getrouwd zou zijn geweest, het wel zou weten ...

Toch, hoe zal ik haar eenzaamheid peilen? Wellicht door haar psychiatrische ziekte is zij nooit getrouwd. Ze was goed in het zich terugtrekken in zichzelf. Eenmaal trof ik haar op een druk kruispunt in haar woonplaats, fiets aan de hand, volledig catatoon. Ik kwam in de file die ze veroorzaakte. Iedereen wurmde zich voorzichtig langs haar heen. Toen ik haar zag, stapte ik uit en liep naar haar toe. Toen ik haar aanraakte, zei ze: 'O, ben-ie 't.' Ik geleidde haar naar het trottoir, waarna het verkeer z'n loop hernam. Misschien was ik de enige mens die dat zo kon doen. Hoe ongelooflijk veel heeft ze in haar catatonie niet naar de einder gestaard, waarschijnlijk zonder iets daarvan te zien?

Marie was en is ook een vrouw die vooral weet wat ze (niet) wil. Ze is 'baas over zichzelf'. Zo was ze in haar leven, zo is ze in haar sterven. In die nacht bedacht ik dat we haar wellicht iets moesten aanbieden als morfinepleisters of iets anders, zodat ze rustiger zou worden en misschien wat eerder zou kunnen sterven. Ik wilde van haar horen of ze dat zou willen, maar eigenlijk kende ik haar antwoord al bij voorbaat: 'Nee!' Ik kon weer slapen nadat ik het met haar besproken had. Doorwaakte uren leveren altijd iets op. Ik was dat extra uur dicht bij Marie en ik zag dat het goed voor haar was. Mijn tranen maakten zich van me los en ik kon weer door. Terwijl we zo samen waren, hoorden we de geluiden van het huis en de medebewoners. 'Het leven gaat gewoon door, Marie', zei ik. 'Dat is goed', reageerde ze.

Opnieuw vroeg ik haar of ze nog iets aan me kwijt wilde. 'Nee, het is goed.' Toen was het ook goed en kon ik op pad om voorafspraken te maken voor haar begrafenis. Ik weet niet meer zo of ik bidden mag dat deze dagen voor Marie mogen worden bekort. Voor mij zijn het in elk geval leerzame dagen.

Dat uur aan het bed bij Marie bracht me achteraf terug op de interne afdeling van het ziekenhuis waar heb gewerkt in de eerste helft van de zeventiger jaren. Twee zaaltjes met elk zes of acht patiënten, dat was mijn werkplek op die dag. Eén van die mensen had longkanker, was angstig en benauwd. Hij had niet lang meer te leven. Net als bij Marie zat ik aan zijn bed, mijn hand op de zijne. Maar de hoofdzuster zag mijn taak anders dan ik die zag. In het andere zaaltje vond ze stuifmeel onder de bloemen op een nachtkastje. Dat kon dus niet. Ze drukte op de bel en nam op haar horloge op hoeveel seconden ik erover deed om ter plekke te zijn om haar orders in ontvangst te nemen. Ik was zeer nalatig geweest, zo werd me zonder ruimte voor discussie te verstaan gegeven. Ik voel nog hoe mijn bloed kookte, hoe ik erop had willen timmeren. Ik kon me beheersen. Dat heb ik in dit leven prima geleerd. Maar of dat gezond is? Ik heb dat moment nooit verwerkt. Na die week ben ik ook niet meer op die afdeling terug geweest.

3-4-2006

Chaos opruimen

Ik kan er niet van slapen: Marie, die heel langzaam doodgaat aan uithongering ... Nog heeft mijn telefoon niet gerinkeld, dus nog immer gaat haar sterven door. Wil ze, alhoewel ze nu zegt liever dood te zijn, zich nog altijd niet overgeven? Wat is dat moeilijk in te schatten bij iemand die zich uit of niet uit zoals Marie dat doet. Wat gun ik haar de rust en vrede van over deze barrière heen. Maar dat is mijn geloof ...

Ga ik met haar huisarts overleggen om haar een morfinepleister te geven, zodat ze misschien makkelijker het bewustzijn verliest? Of doe ik haar daarmee geweld aan? Gek, die pleisters worden schijnbaar alleen gegeven bij pijn en Marie voelt geen pijn, zegt ze. Maar wat weten wij van hoe het bij Marie van binnen is? Wat van wat voor haar pijn is?

Ik moet terugdenken aan die keer toen ik haar nog maar kort kende: kennelijk wilde ik te veel of te snel of niet op het juiste moment en voelde ze zich zo bedreigd dat ze een hooivork greep en dat ik moest lopen voor mijn leven. Pas toen de kust veilig leek, kon ik terug het erf op om mijn auto te halen. Ik heb sindsdien begrepen dat het niet normaal is om ondanks dergelijke risico's mensen toch niet los te laten, maar bij ze te blijven. Maar normaal is niet voor iedereen hetzelfde.

Gistermorgen zag ik een stukje van KRO's 'De wandeling'. Een machinist die besloot, nadat hij voor de negende keer iemand onder zijn trein had zien lopen, om geen machinist meer te zijn. Ik kon zijn verhaal zo meevoelen: ergens is een grens aan wat een mens (ver)dragen kan. Ooit sprak ik met zo'n machinist. Hij had tweemaal een suïcide meegemaakt en was daar zo kapot van dat hij naar een soort herstellingsoord was gestuurd. Op de eerste rit die hij na die herstelperiode maakte, liep er weer iemand voor zijn trein.

Niet dat ik suïcide veroordeel. Ik vind dat ik een ander niet zo kan kennen dat ik mij over zo'n laatste beslissing een oordeel zou mogen aanmatigen. Want wat weten we van elkaar? Wat weten we niet? Als hulpverlener verloor ik door de jaren heen zo'n twintig cliënten door zelfdoding. Ik ken dat zo, van die machinisten: wat had ik anders kunnen doen ... of: had ik maar ... Maar ik heb niemand anders in de hand. Ik mag al blij zijn als ik mezelf in de hand heb. Als hulpverlener kun je dan wel denken de boel onder controle te hebben, maar wat ontgaat je niet allemaal?

De dood alleen kent de genade de chaos op te ruimen die geen mensenkind meer op orde brengen kan.

1a-4-2006

Uitstijgen boven ...

Soms zoek ik wat rond op internet met mijn eigen naam als zoekterm. De lezer herkent dat misschien wel. Overal kom ik verwijzingen tegen en talloos zijn de sites waar mijn stukken, met vermelding van mijn naam, zijn overgenomen. Overigens, ook zonder die vermelding wordt er driftig geknipt en geplakt en een enkele keer trof ik zelfs een stuk van mijn hand onder een andere naam evenals een anders stuk, van mijn site geknipt, onder mijn naam. Ik ben opgehouden mensen daarop aan te schrijven. Zo gaat het op internet nu eenmaal. Lastig wordt het als een stuk dat ik zelf verwijderde, omdat ik er niet meer achter sta, elders onder mijn naam voortleeft. Ook dat komt voor.

Vandaag trof ik een fragment van een stuk dat ik schreef als proza. Het was letterlijk overgenomen, maar omgezet in dichtvorm en mijn naam stond er netjes onder. Ik vond het mooi en sta er ook zo helemaal achter. Hieronder neem ik het over, met dank aan http://tafelpraat.web-log.nl/, wie daar ook achter moge zitten.

Uitstijgen

Bidden is geen afdwingen.
Het mag geen poging zijn om te ontvangen.

Bidden is slechts het uitstijgen boven
je wereldse beslommeringen
en jezelf open en eerlijk
geven:
aan jezelf,
aan de grotere God en
aan je medemens, die je door God gegeven is.

Daar zijn vaak maar weinig woorden voor nodig
en soms zijn er helemaal geen woorden nodig.
Toch is dit bidden
het geheim
waarin je jezelf weggeeft
om jezelf terug te vinden.

1-4-2006

Niet veel te verwachten

Dit stuk is verplaatst naar mijn zorglog.

- -