Namibië, land van culturen en contrasten

Namibië is een land van vele culturen, die goeddeels vreedzaam samenleven. De Himba's zijn een relatief kleine groep, die vooral in het noorden (Opuwo) leven.1) De overheid schijnt ze te beschouwen als 'halve wilden', mensen die zich niet aan de vooruitgang wensen aan te passen. We bezochten zo'n Himbadorp, in dit geval bewoond door één grote familie. Wat we te zien kregen, is niet echt vergelijkbaar met een vroeger bezoek aan een Zoeloedorp in Kwazoeloe-Natal. Dat dorp was feitelijk een museumdorp, waar de zwarten onder leiding van een blanke(!) een show voor ons opvoerden. Snel nadat die beëindigd was, zagen we de jongelui, die bijna naakt hun programma voor ons afdraaiden, weer westers gekleed achter in een 'bakkie' huiswaarts keren. Dat was dus commercie. Hetzelfde kwamen we ditmaal ook tegen in een Bushmen-village (San Dune Guest Farm, nabij Gobabis). Daar was bovendien de prijs die berekend werd in relatie tot de matige prestatie voor Nederlandse maatstaven veel te hoog.

De Himba's leiden hun leven nog in hun dorpjes, van de wieg tot het graf. Veel keus lijkt er niet te zijn. In de cultuur horen noch georganiseerd onderwijs, noch gezondheidszorg. Wat geleerd moet worden om te (over)leven, word je in het dorp zelf geleerd. En pas langzaamaan raken sommigen bereid zich voor een levensreddende operatie voor een dag of wat in een ziekenhuis te laten opnemen. Maar bijvoorbeeld voor geboorte of sterven wordt normaliter nog geen medische hulp gevraagd. Dat de gemiddelde levensverwachting in heel Namibië 44 jaar is, heeft vooral te maken met het gegeven dat meer dan 25 procent van de inwoners met hiv besmet zijn. In het vliegtuig zat ik naderhand naast een jonge econoom uit Zambia, die me vertelde dat die gemiddelde levensverwachting in zijn land slechts 38 is, ook al door de hiv.

De mannen van het dorp dat wij bezochten waren erop uit met het vee. We troffen dus vooral vrouwen en kinderen. Man noch vrouw zijn bij de Himba's monogaam. Als man beteken je pas iets als je meerdere vrouwen en kinderen hebt. Net als vroeger bij de Zoeloes zijn de vrouwen meestal van boven ongekleed. Dat geldt voor jonge zowel als oude vrouwen. Ik trof er jonge vrouwen die me vroegen om gefotografeerd te worden en die me vervolgens naar de schaduw loodsten om op het toestelschermpje hun beeld te bewonderen. Deze mensen wassen zich nooit. De vrouwen smeren hun lichaam in met een zelf gefabriceerde roodkleurende olie, waarvan de huid gaat glimmen. Ik trof diverse vrouwen die zichtbaar trots waren op hun lichaam en dan ook graag voor foto's wilden poseren. Overal in het dorp waren vuurtjes, waarop of iets gekookt werd, of waaraan een oud vrouwtje de handen warmde.

Toch verwestert heel langzaam ook de Himbacultuur. De vrouwen kom je ook tegen in de supermarkten, net als in hun dorp topless en blootsvoets. Onze gids communiceerde met de bewoners in hun eigen taal, maar ik merkte dat sommige meisjes ook wel een woordje Engels spraken. Ook zo'n toeristengroepje als het onze heeft natuurlijk invloed op de eigen cultuur. Ik merkte dat de gids een paar zakken maïsmeel en andere zaken voor de dorpsbewoners achterliet. Zo worden ze betaald voor hun diensten, die ze in dit geval ook met enthousiasme en overgave verleenden. Het toerisme zal de cultuur hier langzaam maar zeker verder teloor doen gaan.

Toen ineens zaten alle vrouwen en meisjes in een kring met echte Afrikaanse souvenirs voor zich uitgestald. De handel kon beginnen. Was dit waar alles om had gedraaid? Wat opviel was dat de prijzen relatief hoog werden ingezet, maar, net als overal op straat, zeer onderhandelbaar waren. En ten slotte werd er voor ons gezongen en gedanst. Uitbundig en van harte, zo te zien. En wat dat betreft dus anders dan bij de Zoeloes en de Bushmen.

Ondanks hoe ook de Himbacultuur zich ontwikkelt, voelde het bezoek me als een ontmoeting van culturen. Zoals zo vaak, ook in Nederland, stelde de Himbacultuur zich relatief afhankelijk op van de westerse. Want geld en goederen willen ze wel! Toch vind ik die afhankelijkheid storend en moeilijk. Bedelaars spraken me overal op straat voortdurend aan. De baby op de rug heeft dringend water nodig, noodzakelijke medicijnen kunnen niet worden betaald en een jonge knaap met een agressieve uitstraling meldt me schizofreen te zijn en al drie nachten buiten geslapen te hebben. 'Hello, how are you?', is de openingszin, of 'My name is ..., what's yours?' Als je niet van plan bent om al je tijd aan deze mensen te besteden, ben je wel gedwongen te leren ze te negeren. Mij lukte dat niet altijd even goed. Twee ongeveer 10 jaar oude schooiertjes, blootsvoets en vervuild, verklaarden me voor de supermarkt honger te hebben en vroegen om brood. Het deed me denken aan een vroegere ervaring ergens in Zuid-Afrika, toen twee jongemannen van misschien tegen de 20 me verklaarden honger te hebben, terwijl ik voor mijn vakantiehuisje een paar foto's maakte. Ik bood ze aan een boterham voor ze klaar te maken, maar daarvoor bleken ze geen interesse te hebben. Hun honger was meer honger naar geld. Met deze schooiertjes echter ging ik de supermarkt in en ze wisten precies de weg naar de broodafdeling, zochten zich een luxe brood uit en namen er ongevraagd een kuipje Rama margarine bij. Toen vroegen ze om een fles cola voor hen samen. En ook de weg naar en in de drankenkoeling kenden ze feilloos. Toen ik betaald had, werd ik niet bedankt, alhoewel ze me meteen daarna wel weer nodig hadden voor de kassabon, omdat ze zonder de security-beambte niet voorbij zouden zijn gekomen.

Aan dit soort situaties houdt ik altijd een dubbel gevoel over. Als je geeft, ben je dan niet bezig mensen in hun afhankelijkheid te bevestigen en dus te fixeren? Een jonge vrouw met een baby op de rug vroeg me haar met haar baby te fotograferen. Toen ik dat gedaan had, presenteerde ze de rekening: 10 dollar (€ 1,10). Ik had geen kleingeld bij me en keek even uit naar waar mijn familie was gebleven. Daarop riep de vrouw een drietal andere meisjes aan en samen omringden ze om het geld. Ik besloot van de nood een deugd te maken en bood de vier vrouwen een biljet van 50 op voorwaarde dat ze voor meer foto's zouden poseren. En dat deden ze met enthousiasme. Opnieuw werd ik naar de schaduw geloodst omdat ze het resultaat ook met eigen ogen wilden aanschouwen.

Al na een paar dagen had ik het ditmaal helemaal gehad met al die bedelende mensen en wist ik dat ik door te geven alleen maar zou helpen het probleem in stand te houden. Ik reageerde afwerend op alle ongevraagde toenaderingen met mededelingen over honger, water, schoenen, ziekte en nog zoveel meer. Ik voelde de neiging te zeggen te gaan werken om geld te verdienen, maar besefte dat mededelingen van mijn kant ook nergens toe zouden leiden. Waarom verzint de één iets waarmee, eventueel met hard werken, de kost is te verdienen en peinst de ander er niet over zich hoe dan ook in te gaan spannen? Is dat een kwestie van genen, oftewel is het ingeprogrammeerd en dus onontkoombaar? Voor mijn gevoel kan dat slechts de halve waarheid zijn. Ik denk dat deze mentaliteit ook samenhangt met opvoeding, cultuur en ras en ik zou benieuwd zijn te weten in hoeverre daarnaar onderzoek is gedaan. Want er zijn toch zwarten die in niets voor blanken onderdoen?

1) Video Himba's

Pagina geschreven 15 oktober 2010, laatst bijgewerkt 27 november 2010.

- -