Afwachten wie er verongelukt

Op zaterdagmorgen tegen half elf fiets ik naar de stad om even op de markt te kijken. In het fietstunneltje waar ik doorheen moet, blijkt een bijna manshoge en nog half gevulde kabelrol de weg gedeeltelijk te versperren. Ik zie het net voor ik het tunneltje in fiets, daarna ontneemt de relatieve duisternis in combinatie met de zonnebril die ik draag het zicht erop. Discogangers plegen hier, nabij het centrum, in het weekend 's nachts altijd rotzooi te trappen en andermans spullen te vernielen. Dat verschijnsel zal inherent zijn aan het niet kunnen verdragen van alcoholische consumpties, gecombineerd met een wat antisociale persoonlijkheidsstructuur en te grote afhankelijkheid van de goedkeuring van de peergroup. Door glasscherven op de weg kost die combinatie mij af en toe een nieuwe fietsband, maar er zijn er die er ernstiger schade, ook immaterieel, aan overhouden. Het hele verschijnsel wordt echter inmiddels maatschappelijk breed gedragen.

De kabelrol moet in de voorbije nacht met geweld naar beneden gedenderd zijn (laat ik het niet hebben over het risico daarbij voor eventuele passanten). De kabel, zeer stug en moeilijk te hanteren materiaal, is daarbij gedeeltelijk afgewikkeld en de voorbijganger moet voor de veiligheid dan ook van de fiets af en letterlijk door één van de lussen van de kabel heen. Honderden mensen voor mij moeten die weg deze morgen ook gegaan zijn. Ik stap af, zie beelden voor mijn geestesoog van ouders met kinderen die nog niet al te behendig zijn op de fiets en van bejaarden die wat minder zijn gaan zien, maar nog net op de fiets durven en verwonder me over dat er kennelijk nog geen ongeluk is gebeurd. Met moeite lukt het me de kabel wat om de haspel heen te manoeuvreren en die aan de kant te krijgen, zodat de doorgang weer goeddeels vrij is. Maar erg stabiel is de situatie niet, omdat de kabel onder spanning staat en de neiging heeft opnieuw in een lus door de tunnel te slaan. Als ik mijn handen met water uit mijn bidon heb schoongemaakt, bel ik het gemeentehuis en geef het probleem door. De 'calamiteitendienst' zal worden ingeschakeld, zo begrijp ik en als ik op de terugweg weer passeer is alles inderdaad opgeruimd.

Wat hebben die honderden mensen die voor mij passeerden gedacht? 'Afwachten wie er hier verongelukt'? Of hebben ze helemaal niets gedacht? In elk geval hebben ze niets gedaan en niet naar de gemeente gebeld, want daarin was ik de eerste. Natuurlijk zijn we in de eenentwintigste eeuw niet meer onze broeders hoeder, maar ... was dat nog maar anders. Wat voor lijdzaamheid en inertie heeft zich meester gemaakt van die honderden die voor mij passeerden? Ja, ik weet het. Ik die er op afga als er overlast is. Het is me voldoende duidelijk gemaakt. Ik ben een asociaal die een ander niet gunt de geluidsboxen in de tuin te laten schallen, 's nachts aan de bel trek als een feestje in de buurt me uit de slaap houdt en jongelui die bezig zijn publiek eigendom te vernielen daarop aanspreek. Alhoewel ik weet dat velen mijn gedrag als asociaal ervaren, kan ik het niet laten van me te laten horen. Als roepende in de woestijn? Want zo voel ík het deze zaterdagmorgen.

Pagina geschreven 9 juni 2010.

- -