- -

Als het hart spreekt

Vorige week trof ik ze bij de plaatselijke C1000, de vader en zijn zoons van zes en acht. Met de daklozenkrant. De vader was in gesprek met een passant en ik hoorde in het voorbijgaan dat hij half Duits, half Nederlands sprak. Dat maakte me nieuwsgierig, want ik had al vaker dan eens tevergeefs geprobeerd met zo'n verkoper te communiceren. Toen ik mijn boodschappen had gedaan, sprak hij mij aan. 'Daklozenkrant kopen?' Ik had geen belangstelling voor zo'n krant, want wist uit vroegere ervaring dat er niets van enig belang voor mij in zou staan. Ik gaf de man een net Zuid-Afrikaanse mandarijnen uit mijn boodschappenfietstas en ik vroeg hem naar zijn herkomst en zijn situatie. Uit Roemenië kwam hij en hij was al drie jaar in Nederland. Zijn kinderen gingen naar een school voor buitenlanders. En nee, hij mocht in Nederland niet officieel aan het werk, ook al is Roemenië lid van de EU. Er was een uitzonderingstoestand op zijn land van kracht, waardoor hij hier wel mocht zijn, maar alleen mag werken als hij bijvoorbeeld geld zou hebben en een eigen bedrijf zou beginnen of als een baas zou kunnen en willen aantonen dat hij op geen enkele andere manier een vacature zou kunnen vervullen. Hij woonde in een bus, op een camping, zomer en winter. Ja, 's winters had hij wel in een caravan gezeten en die ook netjes betaald, maar toen het geld op was, moest hij terug in zijn bus. Toen ik verder wilde, vroeg hij om een financiële bijdrage voor zijn levensonderhoud. Ik wees hem op het net mandarijnen en zei dat ik bijgedragen had. En hij excuseerde zich voor zijn vraag.

De man en zijn om hem heen drentelende jongens bleven in mijn gedachten. Ik belde het informatienummer van de Rijksoverheid en vroeg na hoe het zit met Roemenen en hier werken. Het antwoord bevestigde het verhaal van de man en ging door op de Europese Economische Ruimte.

Deze week dinsdag trof ik de man opnieuw op dezelfde plaats, weer met z'n jongens. Ik sprak even met hem en vroeg waar hij op de camping zat. Hij liet me een kaartje zien met het adres, dat ik in me opnam. En 's avonds reden mijn vrouw en ik erheen, 35 kilometer van onze woonwijk verwijderd. De camping opkomend had ik de beide jongens al snel in het vizier, zodat mij de weg gewezen werd. Bij een bestelbus, zo'n grotere, die pakketdiensten gebruiken, zat hij onderuit gezakt op een klapstoeltje. Zij zat aan een tafeltje erbij. En verder was er een dubbelpits gastoestel op een soort tafeltje en een flinke gasfles daarnaast. Er was geen activiteit. We werden hartelijk ontvangen en kregen een stoel aangeboden. Ja, hier woonden ze en dit was alles wat ze hadden. In de bus waren naast elkaar vier slaapplaatsen opgemaakt, in de lengterichting vanaf de achterkant naar voren, boven de achteras. Aan een naar binnen lopend snoer bleek een spaarlamp aangesloten. Mij zat de winter dwars, dus daar begon ik opnieuw over. Inderdaad, 's winters viel het soms niet mee, zo werd me bevestigd. Of ze dan een kachel hadden, vroeg ik. Nee, ze hadden alleen hun gasstel. Hoeveel kranten hij verkocht en hoeveel hij zo verdiende. De kranten waren in Nederland niet meer voorhanden, begreep ik en hij haalde er eenmaal per maand zo'n 100, of als hij genoeg geld had 120, uit België. Hij betaalde er 80 cent voor per stuk en verkocht ze voor twee euro. Nee, vandaag had hij niet veel verkocht, want hij was dizzy geworden in z'n hoofd, door de suikerziekte en hij had z'n vrouw bij Albert Heijn, waar zij probeerde kranten te verkopen, opgepikt en ze waren naar de camping teruggegaan. Een rol speelde ook dat twee mensen op hem hadden gereageerd met een opmerking als 'Man, ga toch gewoon werken'. Mensen dus die er niets van begrepen. Daar werd hij gespannen van. Maar op een 'goeie' zaterdag verkochten ze samen zomaar vijftien kranten. Ik kwam er met de sommetjes in mijn hoofd niet uit: elke maand naar België rijden en drie- of viermaal in de week naar hun verkoopplek 35 kilometer verderop: de diesel die ze verstookten kon toch amper uit de opbrengsten gedekt worden? De bus zag er goed uit. Binnen was alles ook netjes opgeruimd, net als om de bus heen. Er bleek een Engels kenteken op te zitten en de belasting zou ook in Engeland betaald worden: veel goedkoper dan in Nederland, zo begreep ik. Het stuur zat rechts. De vrouw maakte een wat depressieve indruk op ons en de man bleek, naast zijn diabetes, ernstige psoriasisproblemen te hebben, die verergerden bij stress. Bovendien was hij veel te zwaar. Ze waren voor ziektekosten verzekerd geweest, maar nu niet meer, want ze hadden de premie niet meer kunnen betalen. Of ze in de vakantie naar Roemenië zouden, wilde ik weten. Dat zouden ze wel willen, zei de vrouw, de familie opzoeken, maar ze hadden er het geld niet voor. Toen vertelde hij dat hij het plan had opgevat om kringloopmeubels in te kopen en die met z'n bus naar Roemenië te brengen om ze daar te verkopen. Maar dat zou door geldgebrek wel moeten wachten tot volgend jaar.

Het werd koffietijd en ik vroeg ze of de kantine van de camping open was, zodat ik ze op koffie zou kunnen trakteren. Maar de kantine was 's avonds niet open. De vrouw haastte zich echter om koffie voor ons te gaan maken. Ze stond al klaar met de frisdrankfles water, waaruit we eerder de jongens hadden zien drinken. Toen werd er door een kind op een fiets gemeld dat één van de jongens een bloedlip had. Even later zagen we dat hij een kleine, maar diepe snee in z'n kin had, die weinig bloedde en er niet schoon uitzag. Een hechting leek nodig en wellicht een tetanusprik. En toen kwam de campingbaas in het vizier. We hadden al gehoord over wat voor een goede man hij was, omdat ze voor vier euro per nacht (de toeristenbelasting) op de camping mochten staan. De man belde met een dokter, laadde de hele familie in zijn Jeep en stoof weg. Ik vroeg nog of ze allemaal mee moesten, maar dat was kennelijk nodig. Ze gingen altijd met z'n allen, als er iets was. Als de dokter het consult betaalt, betaal ik de medicijnen, zo had de campingbaas gemompeld. Hij had duidelijk vaker met dit soort bijltje gehakt.

We dronken een kop koffie op het terras bij een camping een paar kilometer terug richting thuis. Zou dit de camping zijn waarvan de vrouw ons vertelde dat ze er twee uur per dag zwart werkt? Op weg naar huis kreeg ik daarna een broer van me aan de lijn en moest ik het verhaal even kwijt. Hij is zakenman en begreep wel dat we niet zomaar iedereen die hier wil zijn kunnen binnenhalen. Dat kunnen we gewoon niet opbrengen. Maar ja, als zo iemand door er achteraan te gaan, plotseling een gezicht krijgt, is dat wel lastig.

Weer thuis besloot ik de campingbaas te bellen. Hij was duidelijk blij met mijn telefoontje. Je wilt wat doen, zei hij over zichzelf, maar het is bodemloos. Ik heb ze wel eens honderd euro gegeven, maar geef ze geen geld, want daar gaan ze niet wijs mee om. Nee, ze drinken niet, maar hij rookt wel. Nee, ze eten waarschijnlijk niet gezond. Nee, patat of ijs hebben ze nog nooit op de camping gekocht. Ja, net vanavond, na de dokter, had hij de jongens elk een ijsje gegeven. Dat kooktoestel is ook niet van hen, maar van de camping. Eerlijk gezegd, zo vertrouwde hij me toe, was ik blij toen ze een aantal weken geleden weg waren. Ze wilden naar Engeland. Er zit wel avontuur in ze. Maar ja, daar kochten ze deze bus en ineens stonden ze hier weer. Je kent ze. Dan weiger je ze niet. Maar ze kunnen niets betalen en het kost mij alleen maar geld, zoals nu weer bij de dokter. Een hechting en een prik ... En hij is nog eigenwijs ook, vertelde de man verder. Bij de grootste boef in de omgeving kocht hij een Mercedes, die achteraf niets meer waard bleek te zijn. De kerk probeerde het gezin te helpen en kocht een snackwagen voor hem, zodat hij als ondernemer z'n kost zou kunnen verdienen. Wat deed-ie? Hij reed met dat ding richting Roemenië, kreeg in Oostenrijk een hoge boete omdat hij er geen rijbewijs voor had en in Roemenië namen ze het ding in beslag. Dom, steeds weer domme en eigenwijze dingen! En nu wilden zijn ouders en z'n broer, die zitten in Zwitserland, ook hierheen komen. Maar aan vier heb ik genoeg. Ik wil die hele familie er niet bij. Morgen ga ik hem uitleggen dat hij hier met z'n gezin mag zijn, maar dat zijn familie niet welkom is. Ik vrees dat ze dan vertrekken en met z'n allen 's nachts langs de snelweg zullen staan. Nee, mompelde hij, geef ze vooral geen geld. Geef ze goede levensmiddelen. Alle beetjes helpen.

P.S. 20 augustus 2010: Gisteravond zijn we alsnog bij deze familie op de koffie geweest. Al eerder had de man mij bij de C1000 behoorlijk dwingend om geld voor diesel gevraagd, dat ik niet had gegeven. Net als toen, manipuleert hij ook nu met schuldgevoelens: 'Zijn wij dan geen mensen? Waarom mogen wij niet gewoon in een huis wonen, net als iedereen? Alle Nederlanders zijn rijk, maar niemand wil ons helpen.' Hij is daarin niet te corrigeren en zijn vrouw houdt zich erbuiten. Iets op de markt verkopen, wil hij nu, als hij daar geld voor zou hebben. Hij heeft immers een bus? En hij is bezig met een huis bij een boerderij aan de snelweg. Maar hij heeft de verhuurder gezegd dat ze daar met vieren zouden gaan wonen, terwijl inmiddels zijn ouders en een broer en jonge schoonzus met baby zich bij hen gevoegd hebben met hun caravan. Dat 'met vieren' klopt dus niet en dat moet hij nog rechtzetten als hij de verhuurder maandag weer spreken zal.

Met gevoelens van medelijden en hopeloosheid rijden we later op de avond, terwijl de zon schitterend ondergaat, naar huis terug.

P.S. 24 augustus 2010: Ik bel uitgebreid met de dominee van de kerkelijke gemeente die herhaaldelijk gepoogd heeft dit gezin materieel en financieel te helpen. Daarmee zijn redelijk forse bedragen gemoeid geweest (en er is zelfs voor dit gezin aan de kerkdeur gecollecteerd), om (huur)schulden af te betalen en later om een bedrag naar Roemenië terug mee te geven. De ervaring werd echter dat geven ook leidt tot de vraag om meer, en dan kan het zomaar gaan om duizenden euro's!

Het inspelen op de afhankelijke positiebepaling van deze mensen door problemen voor hen op te lossen, blijkt niet te werken, exact zoals dat dikwijls mijn ervaring was toen ik asielzoekershulpverlener (bij de Riagg) was. Alles wat namelijk vervolgens fout gaat, wordt bij aangedragen oplossingen aan diezelfde oplossingen toegeschreven. Daarmee zijn afhankelijkheid en de vraag om (praktische) oplossingen de grote valkuil in de hulpeloze situatie waarin een gezin als dit verkeert. Daarop in te spelen keert gemakkelijk als een boemerang op de helper terug. Slechts het helpen bij leren dragen van de eigen verantwoordelijkheid, heeft misschien(?) kans van slagen. Vanuit praktisch oogpunt lijkt het verstandigste advies dat je hen kunt geven al met al, om naar hun eigen land terug te gaan.

Ik sla er Kahlil Gibran op na ('De Profeet'):
'Vaak zegt gij:"Ik wil graag geven, maar alleen aan die het waardig zijn."
Zulks zeggen niet de bomen in uw boomgaard, noch de kudden op uw weiden.
Zij geven opdat zij het leven hebben, want terughouden betekent ondergaan.
Waarlijk, hij die zijn dagen en nachten waardig is, mag aanspraak maken op al het uwe.
En hij die drinken mag uit 's levens oceaan, mag ook zijn beker vullen uit uw kleine stroom.'

Ik vraag me af wat Gibran over een gezin als dit geschreven zou hebben. Want ook bij mij is gevoel iets totaal anders dan verstand.

P.S. 30 augustus 2010: Ik word gebeld door een kennis van me die ook en al langer contact met deze Roemeense familie blijkt onderhouden te hebben, weer andere dingen van hen weet en die ze een paar maal financieel ondersteund heeft. Er wordt hem nu opnieuw om geld gevraagd, maar hij heeft het gevoel dat het een soort bodemloze put is geworden en dat het het beste zou zijn als ze naar Roemenië zouden terugkeren.

- -