Resusantagonisme (vervolg)

Zie ook hier.

Sinds de jaren zestig wordt bij kinderen geboren uit resusnegatieve moeders na de geboorte bloed uit de navelstreng onderzocht op de aanwezigheid van de resusfactor. Als die er is, krijgt de moeder binnen 24 uur een zogenoemde anti-D-prik om problemen bij een volgende zwangerschap te voorkomen.

Sinds 1998 krijgen alle 27 duizend resus-D-negatieve zwangeren (per jaar) voor de zekerheid alvast een anti-D-prik in de dertigste zwangerschapsweek. Gebleken is dat dit achteraf bezien in 11 duizend gevallen niet nodig was, omdat het kind niet resuspositief bleek te zijn. Anti-D-immunoglobuline komt van donoren die zelf tijdens hun zwangerschap antistoffen hebben aangemaakt en is schaars en duur.

Vanaf 1 juli 2011 gaat Nederland als eerste land ter wereld in de 27ste zwangerschapsweek de resusfactor bepalen van alle ongeboren kinderen van resus-D-negatieve moeders. Daarmee zijn er op jaarbasis dus zo'n 11 duizend prikken minder nodig. Er wordt foetaal dna dat in het bloed van de resusnegatieve moeder circuleert, onderzocht op de aanwezigheid van de resusfactor. Is het kind resuspositief, dan kan de arts of verloskundige de moeder meteen na de bevalling een anti-D-prik geven.

Ook zal de screening worden uitgebreid met de resusfactor c. Gebleken is dat deze factor een rol speelde als het ondanks alle maatregelen toch nog misging. Moeders waren dan resus-c-negatief en kinderen resus-c-positief.

Pagina geschreven 19 juni 2011.

- - -