Ik las het bijbelboek Job, voor het eerst helemaal. Er wordt wel gedacht dat Job het oudste bijbelboek is. Waarschijnlijk is het niet historisch, maar bedoeld om het thema 'lijden' aan de orde te stellen. Bij het lezen springen de herhalingen en de herhalingen van de herhalingen uit. Ook God zelf spreekt aan het eind al even wijdlopig als Job en zijn vrienden doen. Ik kreeg bij het lezen van dit boekje het idee dat al dat herhalen kennelijk bij geloof hoort, want ook bij het lezen van andere bijbelboeken, Spreuken bijvoorbeeld, vielen die herhalingen al op. En wat ik me van menig preek herinner, is ook al dat herhalingen werden ingezet, soms zozeer dat ze juist mijn twijfel wakker riepen.
Job is een godvruchtig man met een gelukkig gezin en een welvarend agrarisch bedrijf. Op een keer komen de engelen bij God, die in dit boek 'de Heer' wordt genoemd, met onder hen de engel Satan. De Heer pocht op Job, omdat hij zo eerlijk is en trouw. 'Maar', zegt Satan, 'neem hem maar eens alles af. Dan gaat hij vanzelf kwaad over u spreken.' 'Doe maar', zegt de Heer.
Dan wordt Jobs vee geroofd of door de bliksem getroffen, zijn knechten gedood en komen zijn kinderen allemaal om in een storm. Job concludeert dat hij zonder bezit geboren is en dus ook zonder bezit zal sterven. Maar hij blijft dankbaar.
De engelen en ook Satan komen terug en de Heer pocht weer op Job. 'Maak hem maar eens erg ziek', stelt Satan voor. 'Doe maar', zegt de Heer.
Zijn lichaam helemaal onder de zweren, stelt Jobs vrouw voor om God maar te vervloeken en te sterven. 'Het goede krijgen we van God', antwoordt Job, 'het slechte ook.'
Ik lees: 'Job maakte veel ellende mee, maar toch zei hij niets slechts over God.'
Drie vrienden, Elifaz, Bildad en Sofar, horen van Jobs rampspoed. Ze gaan naar hem toe om hem te troosten. Zeven dagen en zeven nachten lang zitten ze bij hem op de grond en zeggen niets. Dan neemt Job zelf het woord. Hij vervloekt de dag van zijn geboorte: 'Had ik maar nooit het licht gezien. Waarom laat God mij leven, terwijl ik de zin van het leven niet zie?'
Op den duur moeten de drie vrienden wat. Elifaz zegt dat Job op God mag vertrouwen omdat hij altijd goed geleefd heeft. Maar hij vindt ook dat niemand zonder fouten is en dat het dom is om boos op God te zijn. Want alle ellende komt uit de mensen zelf. 'Wees maar blij als God je straft', zegt hij. 'Hij slaat en geneest met dezelfde hand.'
Job uit zijn woede, denkt dat God zelf oorlog tegen hem voert, roept om dood te mogen gaan, zegt teleurgesteld te zijn in de drie vrienden en niets aan hun beschuldigingen te hebben. Dan richt hij zich tot God: 'Er blijft niets van mij over; ik ga dood. Ik ben ook liever dood.'
Bildad neemt het woord: 'Hou op met je gezeur. God is rechtvaardig. Wat hij doet is goed. Je kinderen zullen wel slechte dingen gedaan hebben. Vraag God om hulp. Hij is goed voor eerlijke mensen.'
'Dat klopt', zegt Job. 'God doet dingen die mensen niet begrijpen. Ik weet dat ik onschuldig ben, maar God zegt dat ik schuldig ben. Ik zou liever dood zijn. God is geen mens, zoals ik. Ik kan me niet verdedigen.' En tegen God zegt hij: 'Waarom laat u mij stikken en helpt u slechte mensen wel? Ik wil graag nog een tijdje vrolijk zijn, voordat ik sterf en kom waar alles donker is en het licht niet bestaat.'
Sofar neemt het woord: 'Wat praat je veel, Job. Ik zou willen dat God je alles uitlegde wat wij niet begrijpen. God weet precies welke mensen slecht zijn en een dwaas als jij zal nooit wijs worden. Hou op met verkeerde dingen te doen. Dan zal het goedkomen.'
En Job: 'Tjonge, wat zijn jullie wijs! Jullie maken het alleen maar erger. Alleen God heeft echt inzicht. Hij begrijpt alles. En nu wil ik God zelf spreken. Zeg maar niets meer. Zelfs als God me wil doden, zal ik me verdedigen. Ik weet dat ik ga winnen.'
Job bidt: 'God, straf me niet langer. Zeg me wat ik verkeerd gedaan heb.'
Elifaz: 'Je woorden zijn zinloos. Zo toon je geen eerbied voor God. Waarom praat je zo tegen God?'
Job: 'Wat jullie zeggen, heb ik al zo vaak gehoord. Het maakt het alleen maar erger. Als jullie in mijn schoenen stonden, zou ik medelijden laten zien. God is woedend op me. Hij kent geen medelijden.'
Job bidt: 'U bent de enige die me kan helpen. Ik heb geen hoop meer. Ik wil liever dood.'
Bildad: 'Wat ben je boos! Maar mensen die lijden, zijn slecht. En wie slecht is, gaat dood.'
Job: 'Hou op met dat geklets. Jullie denken dat jullie beter zijn, maar nee, God is tegen me. Jullie zijn toch vrienden? Heb dan medelijden.'
Sofar: 'Job, je hebt me beledigd. Je zou moeten weten dat een slecht mens nooit lang gelukkig is.'
Job: 'Luister nu toch eens! Dat alleen zou me al troosten. Ik klaag niet tegen mensen. Ik klaag tegen God. Van hem wil ik antwoord, nu! Wat jullie zeggen, is een leugen.'
Elifaz: 'God heeft niets aan jouw wijsheid. Hij straft omdat je slecht bent.'
Job: 'Als ik wist waar ik God kon vinden, ging ik naar hem toe. Ik zou bewijzen dat ik onschuldig ben. Maar God kent me. Hij weet hoe ik leef. Ik ben bang voor God.'
Bildad: 'Niemand is goed genoeg voor God, niemand is zonder fouten.'
Job: 'God is machtig. Hij heeft geen eerlijk oordeel over mij. Hij heeft mij erg teleurgesteld. Ik houd vol dat ik geen schuld heb. Ik zou willen dat alles was zoals vroeger toen ik dacht dat ik oud zou worden en in vrede zou sterven. Maar God heeft mijn kracht weggenomen. Ik ben zwak en hulpeloos. God wil me niet zien. Alles wat ik gezegd heb is de waarheid. Laat de machtige God maar reageren.'
Ook Elihu, een vierde vriend, blijkt aanwezig. Hij heeft tot nu toe gezwegen. Als de anderen niets meer weten te zeggen, wordt hij heel boos. Zijn conclusie is dat de vrienden niet kunnen bewijzen dat Job schuldig is. En naar Job: 'Je hebt ongelijk. God staat ver boven de mensen. Je zegt dat je onschuldig bent, maar dat God je weigert gelijk te geven. Je spot met God. God wil niemand kwaad doen. En soms, als God niets doet, mogen we hem niet veroordelen. Job, zeg tegen God dat je fout zat. Kijk eens hoe hoog de hemel is; zover weg is God. God is woedend om jouw onzin, maar hij houdt zich in. Soms hebben mensen het moeilijk en lijden ze pijn. Zo laat God zien dat ze kwaad gedaan hebben. Je krijgt de straf die je verdient. Pas op, doe geen kwaad meer, anders heeft God je voor niets laten lijden. Niemand kan zeggen wat God moet doen.'
Dan spreekt de Heer vanuit een zware storm: 'Job, hoe durf je aan mij te twijfelen? Je praat over dingen waar je niets van weet. Waar was jij toen ik de aarde maakte? Ik was het die dat deed. Heb jij het ooit licht laten worden, Job? Heb jij weleens een dag laten beginnen? Weet jij hoe ver het licht komt? Ben jij bij de bronnen van de zee geweest? Weet jij waar de bliksem wordt weggeschoten? Weet jij wie de regen maakt? Kun jij de sterren bij elkaar zetten? Zorg jij ervoor dat de vogels voedsel vinden? Job, je hebt mij beschuldigd. Geef nu antwoord op mijn vragen!'
Job: 'Ik heb al te veel gezegd. Laat ik nu maar zwijgen. Ik weet dat bij u alles mogelijk is. U hebt gelijk; ik heb er geen verstand van. Ik sprak over dingen die ik niet begrijp. Nu heb ik u zelf gezien. Nu heb ik troost voor mijn moeilijke leven.'
Job leeft hierna nog 140 jaar, een lang en goed leven.
Pagina geschreven 17-12-2025